Ds. P. van Ruitenburg - Mattheüs 28 : 20

De belofte van Christus' blijvende aanwezigheid

Een nameloze armoede zonder deze belofte
De rijke inhoud van deze belofte
De zalige troost uit deze belofte

MattheĆ¼s 28 : 20

Mattheüs 28
20
En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Amen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 118: 11
Lezen : Psalm 91
Zingen : Psalm 91: 1, 2
Zingen : Psalm 23: 2
Zingen : Psalm 73: 14

Het tekstgedeelte voor deze dienst vindt u in Mattheüs 28 vers 20, waar we Gods Woord aldus lezen:

 

               En zie, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Amen.

 

In dit tekstgedeelte wordt gesproken over: De belofte van Christus’ blijvende aanwezigheid.

 

Wij willen met de hulp des Heeren stilstaan bij drie gedachten:

1. Een nameloze armoede zonder deze belofte

2. De rijke inhoud van deze belofte

3. De zalige troost uit deze belofte

 

1. Een nameloze armoede zonder deze belofte

 

Gemeente, de evangelist Mattheüs herhaalt niet alles. Waarschijnlijk is het evangelie van Markus ouder en heeft Mattheüs, toen hij zijn evangelie schreef, ook gebruik gemaakt van het evangelie van Markus. Op sommige zaken gaat hij dieper in en andere laat hij weer liggen. Over de verschijning van de Heere Jezus aan de discipelen in Jeruzalem, aan de elven in de zaal, rept Mattheüs met geen woord. Mattheüs schrijft wel over de openbaring van Jezus aan Maria Magdalena.

 

Als hij daarmee geëindigd is, neemt hij een kleine sprong in de geschiedenis en gaat hij onmiddellijk over op de verschijning van Christus in Galilea. U weet het, aan Maria Magdalena is het gezegd. Dat staat in het tiende vers van Mattheüs 28: Toen zeide Jezus tot haar: Vreest niet; gaat henen, boodschapt Mijn broederen dat zij heengaan naar Galilea en aldaar zullen zij Mij zien. In gehoorzaamheid aan die belofte zijn ze naar Galilea gegaan en daar zal de Heere Zich dan ook vertonen. Daar zijn ze opgevoed. Daar kennen ze de omgeving; hun oude, vertrouwde omgeving van vroeger. Waarschijnlijk hebben ze ook begrepen op welke plek ongeveer Christus zou verschijnen, want er wordt in het zestiende vers gezegd: En de elf discipelen zijn heengegaan naar Galilea, naar de berg waar Jezus hen bescheiden had. Daar, juist op die plaats, zou Christus hen verschijnen.

Maar als Hij komt, is er toch enige verschrikking, want wanneer Christus Zijn belofte waarmaakt en daar plotseling is, staat er: En zij aanbaden Hem, doch sommigen twijfelden. Een groot gedeelte van de discipelen valt op de knieën in waarachtige aanbidding van de Zaligmaker der wereld, Die daar aan hen verschijnt, Die Zijn belofte daar waarmaakt. Daar hebben ze weer een goed uur gehad, want Christus was in hun midden.

Doch sommigen twijfelden. Over twijfel lezen we helaas heel veel in de geschiedenissen rondom de opstanding van Christus. Waarschijnlijk herkenden sommigen van de discipelen Hem niet. Daarom staat er in het zeventiende vers: En als zij Hem zagen, baden zij Hem aan, doch sommigen twijfelden. En Jezus bij hen komende, sprak tot hen, zeggende. Christus, de opgestane Levensvorst, geeft onderwijs.

 

In de eerste plaats spreekt Hij over Zichzelf: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. O, discipelen, zien jullie het? Míj is gegeven alle macht! Zelf ben je krachteloos tegen zo’n grote menigte. Zelf kun je niets uitrichten. Zonder Mij kun je niets doen. De discipelen worden er finaal buitengezet: Míj is gegeven alle macht. Maar dan ook álle macht! Christus vestigt hier de aandacht op Zichzelf. Het is alsof Hij zegt: ‘Discipelen, kom eens. Mij is gegeven! Zul je het altijd onthouden? Mij is gegeven! Wat onmogelijk is bij mensen, is mogelijk bij God.’

Daarna geeft Christus hun de opdracht: Gaat dan henen, in die kracht en in die macht. Gaat dan heen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, lerende hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb. Een ontzaglijke opdracht en een zeer gewichtige taak! Ook een onmogelijke taak!

De nieuwe tijd breekt aan. Vroeger had Christus gezegd: Ik ben niet gezonden dan tot de verloren schapen van het huis van Israël (Matth. 15:24) – dat zei Hij tegen de Kananese vrouw – maar nu gaat Christus het Evangelie doorstoten: Mij is gegeven alle macht! Gaat dan henen! Nu moet je gaan, straks! Tot een voorbereiding voor het pinksterfeest. Een ontzaglijke opdracht.

Eerst sprak Christus over Zichzelf, daarna over de opdracht en nu wordt dit met elkaar verbonden: Mij is gegeven alle macht. En Ik ben met ulieden, met ú die deze opdracht krijgt. Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Amen.  

 

Dat is het verband van onze tekst.

Gemeente, stelt u zich nu eens voor dat Christus nu niet gezegd had: Ik ben met ulieden. Stel dat dat nu eens gemist werd…

Het is een groot wonder dat er staat: Ik ben met ulieden! Waarom is dat een wonder? Wel, die mensen, die discipelen, zijn net zoals u en ik: Adamskinderen. Dat betekent dat wij de eersten waren die wegliepen. Eerst waren we mét God en kenden we Hem aan de wind des daags. Er was een storeloze verhouding tussen God en het menselijke geslacht, in het verbondshoofd Adam. Er heerste een vrede die alle verstand te boven ging.

Maar omdat het ons niet goed heeft gedacht God in erkentenis te houden, hebben wij in Adam afscheid genomen, hebben wij gezegd: ‘We doen de deur achter ons dicht en we gaan het met de verloren zoon ergens anders zoeken. We hebben geen lust om in Uw wegen te wandelen!’ Wij hebben afscheid van God genomen, in Adam. Dat betekent dat we niet meer horen: Ik ben met ulieden. We zijn immers weggelopen, net als de verloren zoon? We zijn echt niet van plan om terug te keren.

Ik ben met ulieden. Wat een wonder, gemeente, want wij zijn niet alleen weggelopen in onze bondsbreuk in Adam, maar daarna in de praktijk, door het doen van dagelijkse zonden, talloze malen. In Jeremia 2 vers 5 lezen we: Wat voor onrecht hebben uw vaders in Mij gevonden, dat zij verre van Mij geweken zijn, hebbende de ijdelheid nagevolgd en zijn ijdel geworden? Gemeente, wat een droefheid bij God! Voelt u dat in die vraag bij Jeremia?

 

De Heere heeft een vraag aan onze jonge mensen, aan de ouderen, aan ons allen: wat voor onrecht heb je in God gevonden, dat je verre van Hem geweken bent en met God eigenlijk niet te doen wilt hebben? Waarom gaat u Zijn deur voortdurend voorbij, zodat u Hem aan Zijn plaats laat en zonder God voortgaat? Is Hij niet de allerhoogste Koning? Is er dan gebrek aan Hem?

Wat tergen wij de Heere door voortdurend weg te lopen. Mensen kunnen elkaar treiteren, ontzettend! Het is heel erg als je dagelijks gebeukt wordt door kritiek, dagelijks steken onder water krijgt. Een mens kan daardoor als het ware verteerd worden.

Maar, gemeente, wij tergen God dagelijks in Zijn aangezicht. En toch verdraagt de Heere ons, spaart Hij ons en geeft Hij dat Zijn Evangelie nog gepredikt mag worden. Wat is de Heere taai van geduld en groot van lankmoedigheid en goedertierenheid! Anders kan het niet. Hij draagt en spaart het gehele menselijke geslacht op deze aardbol, het ene geslacht na het andere, omdat Hij wil dat Zijn Koninkrijk vol worde. Hij blijft maar vragen: Wat voor onrecht hebben uw vaders in Mij gevonden, dat zij verre van Mij geweken zijn? (Jer. 2:5). De Heere is niet ver van óns geweken, gemeente, maar wíj zijn ver van de Heere geweken en daarom moet de Heere Zijn Geest intrekken.

 

‘Ja,’ zult u zeggen, ‘maar ik ben ernstig en zo is het bij mij niet, want ik ben lid van de gemeente. Ik ben heel serieus en ik ben ook nog wel wat gevoelig. U moet niet zo slecht van mij denken, want ik doe dit en dat, en ben met goede dingen bezig.’ Voorzichtig, gemeente, want kennen we ons hart wel? Wat lezen we in Mattheüs 15 vers 8? Dit volk genaakt Mij met hun mond en het eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij. Aan de buitenkant lijkt het alsof ze naderen, maar ze naderen met de mond, ze eren God met hun lippen. Het lijkt alsof ze een verzoende betrekking hebben, maar hun hart is verre van God. En dat geldt nu van nature voor het hele menselijke geslacht: we zijn ver van de Heere geweken en ons hart moet niets van Hem hebben.

 

Zulke mensen waren de discipelen ook. Wat waren ze dwaas! Wat hebben ze in die hof geslapen! Eén van hen heeft Hem zelfs verloochend. Nee, de Heere Jezus heeft totaal geen steun van hen gehad. Maar toch zegt Hij ondanks dat alles: Ik ben met ulieden.

U voelt het, gemeente, er is wedergeboorte nodig! Als wij de wedergeboorte nog missen, missen wij God en zijn wij nameloos arm.

Dat geldt ook in de ambtelijke bediening. Wat moet je dán op de preekstoel doen? Hoe kun je zonder God als ouderling op huisbezoek gaan? Hoe kun je zonder God je diaconale arbeid doen? Zonder God verschillende taken in het leven verrichten? Als Christus toch niet tegen de discipelen had gezegd: Ik ben met ulieden, wat was het dan nameloos arm geweest! Dan zou alles van hén verwacht worden. Dan zou het erop aankomen dat zij het zélf moesten doen. Dan zou alles in duigen vallen, als zij ook maar één steek zouden laten vallen. Het is een nameloze armoede als Christus gemist wordt in het ambtelijke leven.

Wat is het een nameloze armoede als de kerk dat zou missen. Er kunnen zorgen zijn over de ontkerstening in ons vaderland en over de verwereldlijking. Er kunnen zorgen zijn over de kerk en ook over onze gemeenten. Er kunnen zorgen zijn over zovele dingen bij de jeugd en bij ouderen. De schrik kan ons om het hart slaan als we bedenken dat de Heere de kandelaar van het Woord kan wegnemen. Wat zouden we ons troosteloos en moedeloos voelen als dit er niet stond: En zie, Ik ben met ulieden ál de dagen tot de voleinding der wereld. We zouden het niet redden, ons hopeloos voelen! Er zou van de kerk níets overblijven. Maar hier staat het toch: Ik ben met ulieden.

 

Dit geldt ook voor het persoonlijke leven. Als we zonder wedergeboorte, zonder God in deze wereld staan, zijn we écht arm, want een onbekeerd mens heeft niets van waarde, al heeft hij alles op deze aarde. Hij moet dat ook allemaal weer loslaten. Wat baat het een mens, al zou hij de hele wereld gewinnen, als hij schade lijdt aan zijn ziel? Als wij voor Gods gericht staan, telt niets mee dan alleen de gerechtigheid van Christus, die redt van de dood.

Wat is het leven koud, kaal en leeg buiten God! Wat is het leven kleurloos, als je alleen je werk hebt, misschien een gezin, een huis, misschien alleen maar je vriendinnen en vrienden, alleen maar je kinderen, alleen maar je man of je vrouw. U zult zeggen: ‘Dat is al heel veel.’ Ja, dat is waar, maar toch: wij hebben pas leven, eeuwig leven, als wij God kennen, de enige en de waarachtige God en Jezus Christus, Die God gezonden heeft.

Als je dat mist, kun je denken en praten wat je wilt, zogenaamd gelukkig zijn met wat je hebt, maar het meest fundamentele en kernachtige wordt dan toch gemist. Dan is het broze leven uiteindelijk inhoudsloos en feitelijk ook doelloos, want hét doel, de eer en de verheerlijking van God en het Koninkrijk van God, wordt dan gemist.

 

Die armoede geldt niet alleen in het leven, maar ook in het sterven. Heb je weleens nagedacht over het sterven? We moeten allemaal een keer sterven. En als je dit dan niet hebt: Ik ben met ulieden al de dagen? Als je er dan helemaal alléén voor staat, als je dan alléén op je ziekbed ligt, alléén de dood in de vensters ziet klimmen en troosteloos bent…? Je man of je vrouw kan je dan niet helpen. Je kinderen kunnen dan niet helpen, je vader en moeder kunnen dan niet helpen. Dan ben je helemaal alleen; zonder God en zonder mensen. Dan staan we er hopeloos voor, want dan moeten we God als een vertoornd Rechter ontmoeten. Dat is het verschrikkelijkste wat er is. Durft u zo verder, of zegt u: ‘Dat ‘Ik ben met ulieden’ moet ik ook hebben! Ik rust niet vóórdat dit waar is in mijn leven!’

Durven jullie zo verder, jongens en meisjes, zonder wedergeboorte? Mis je God in je leven of is er geen herstelde betrekking tussen God en je ziel? Ken je in je leven de vergeving van zonden niet? Als je dat mist, ben je nameloos arm. Dan denk je wel wat van jezelf en je leven, maar is het als een zeepbel: kleurrijk van buiten, maar binnen de kortste keren uit elkaar spattend.

Ik raad u, zegt Gods Woord, dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden, en witte klederen, opdat gij moogt bekleed worden, en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde; en zalf uw ogen met ogenzalf, opdat gij zien moogt. Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Indien iemand Mijn stem zal horen en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen en Ik zal met hem avondmaal houden en hij met Mij (Openb. 3:18,20).

Jongeren, zullen jullie dat zoeken? In de wereld moet je vooruitkomen, moet je je schoolopleiding afmaken en daarna werk zoeken. Dat is allemaal best, want we hoeven niet bovenaards te leven. Met de beide benen op de grond asjeblieft! Maar: zoek eerst het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen je worden toegeworpen! De begeerlijkheid der ogen en de grootsheid des levens en de grootsheid van deze wereld, gaan voorbij. Het is maar voor een poosje. We krijgen zeventig jaar, als we sterk zijn; tachtig jaar, als we zeer sterk zijn, maar het uitnemendste is moeite en verdriet.

 

Ouderen onder ons, ouden van dagen, het duurt niet zo heel lang meer, dan gaat u sterven en God ontmoeten. Jonge mensen kunnen sterven, maar voor ouderen is de dood zeker heel dichtbij. En dan? Wordt het niet de hoogste tijd? Slaat de klok als het ware niet al bijna twaalf uur? Nu kan het nog! Zou u er geen haast mee maken? O, bid! Zoek! Werk uw zaligheid met vreze en beven! De Heere roept nog en Hij lokt nog en Hij vraagt nog: ‘Mijn zoon, Mijn dochter, geef Mij uw hart!’

 

Ik ben met ulieden. Deze belofte staat er en deze belofte mogen wij prediken. Aan wie? Aan mensen die er geen zin in hebben. Aan mensen die de Heere verlaten hebben. Aan mensen zoals deze discipelen zegt Christus: Ik ben met ulieden. Het wordt tegen de discipelen gezegd als een bemoediging, maar ook u wordt gepredikt dat dit nog mogelijk is. Ook tegen u kan gezegd gaan worden: Ik ben met ulieden.

 

We gaan nu letten op onze tweede gedachte:

 

2. De rijke inhoud van deze belofte

 

Ik ben met ulieden.

Niet: ‘Ik zend een engel’, al zou dat groot zijn. Niet: ‘Ik zend Mijn Geest naar u’, al doet de Heere dat op de pinksterdag, als Hij de Trooster zendt.

Maar Jézus, de Zoon van God, zegt tegen Zijn discipelen: ‘Discipelen, Ik blijf, Ik ben met ulieden al de dagen! Ik ben de Zaligmaker Die voor ú gekomen is! Ik blijf bij u. Ik heb u getrokken uit de duisternis en gebracht tot het wonderbare licht. Ik heb Mijn leven gesteld voor jullie, Mijn schapen. Ik ben het Brood des levens, de Goede Herder, de ware Wijnstok, het levende Water. Ik ben met ulieden!’ Christus zegt Zijn blijvende aanwezigheid toe aan Zijn Kerk en aan Zijn discipelen.

 

Gemeente, deze ‘Ik’ is de Zoon van God. Hij wordt Immanuël genoemd: God met ons. Aan de discipelen wordt toegezegd dat God meegaat. Christus zegt: ‘Discipelen, Ik geef jullie niet alleen de kracht, maar Ik ga ook mee. Ik blijf, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld.’ Christus is de Gezondene van de Vader en Hij blijft bij Zijn Kerk met Zijn genade, Zijn Geest en Zijn goedertierenheid. Ja, met Zijn Godheid wijkt Hij nimmermeer van Zijn Kerk. Hij zegt het hier Zijn Kerk toe, omdat de Vader dat wilde.

 

Gemeente, wat een gewilligheid van God komt hier openbaar! Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft voor zulke discipelen! Opdat een íegelijk die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh. 3:16)! Ja, dit is de gewilligheid van Christus: ‘Ziet, hier ben Ik, om Uw wil te doen, o God!’ Wat is het rijk dat Hij aan zulke alles bedervende discipelen, van wie niets goeds te verwachten is, deze belofte geeft: Ik ben met úlieden al de dagen.

Het grootste voorrecht dat iemand ten deel kan vallen, is als God tot een mens spreekt: ‘Ziet, hier ben Ik! Ziet, hier ben Ik! Ik ben met ulieden!’ Wat is het groot als een mens mag weten in dat ‘u’ begrepen te zijn.

Gemeente, kunt u een rijkere inhoud verzinnen dan dat God meegaat, dat Hij onze voorhoede en onze achtertocht is? Als deze God mee optrekt, wat zal een nietig mens ons dan doen? Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Als God vóór ons is, wie zal dan tegen ons zijn? Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken?

 

Christus gaat met de discipelen mee. Dat betekent dat Hij met hen verzoend is. Hij gaat met hen mee, omdat Hij weet wat van Zijn maaksel is te wachten. Christus heeft voor Zijn discipelen geleden. Hij heeft voor hen de vloek gedragen.

Wat betekenen die woorden veel! Hij heeft voor deze discipelen geleden onder Pontius Pilatus; Hij is voor hen onder het oordeel gekomen; Hij is gekruisigd en heeft de volle vloek van God gedragen, opdat zij in het oordeel Gods zouden vrijgesproken worden.

Ik ben met ulieden. Dat betekent dat het goed is tussen de Heere en hun ziel. Een rijkere inhoud is niet te bedenken.

 

Christus had eerst gezegd: Mij is gegeven alle macht. Het is niet zómaar iemand die meegaat, maar het is Iemand Die gezegd heeft: Mij is gegeven alle macht. Dat betekent dat het te allen tijde effectief is als Hij mee optrekt. Er zijn geen situaties denkbaar waarin Zijn aanwezigheid nutteloos en overbodig is.

Gemeente, wat een rijke inhoud! Want nu is het niet meer van mensen afhankelijk!

 

Ook in de ambtelijke bediening zendt de Heere Zijn knechten en ambtsdragers niet heen met de woorden: ‘Nu moet je het zelf maar uitzoeken.’ Christus zegt: En zie, Ik ben met ulieden. Dat betekent dat het in de handen van God blíjft. De Heere geeft het niet úit handen. Ambtsdragers mogen wat werk doen, maar de Heere blijft erbij. Ondanks de dwaasheid van de prediking gaat de Heere Zelf door met Zijn werk, omdat Híj erbij blijft. De Heere zégent het niet alleen, maar Hij blijft ook Zélf de Bedienaar in het heiligdom; Hij geeft het werk niet uit handen. Daarom is ambtelijk werk ook niet het werk van mensen, maar blijft het Zijn werk. Hij blijft de hoogste Profeet, de enige Hogepriester en de eeuwige Koning. Hij staat voor Zijn Kerk in; niet alleen voor deze discipelen, maar straks ook voor degenen die hen opvolgen.

Christus, Die wandelt te midden van de gouden kandelaren, houdt Zelf Zijn Kerk in stand. Ja, Christus zegt Zijn aanwezigheid toe aan Zijn gehele Kerk! Hij is met hen en blijft ook met hen. Een rijkere gedachte is er in de Bijbel niet.

 

Daarom heb ik een vraag aan u: wat is nu uw grootste wens? Kinderen onder ons, jonge mensen, wat zou je nou het liefst willen hebben of krijgen? In Gods Woord staat: Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Zou je dát niet willen hebben? Want dat is niet voor even, maar voor altijd! Dat is niet alleen voor het lichaam, maar ook voor de ziel! Dat is niet alleen voor het tijdelijke leven, maar voor de eeuwigheid!

Wat is dat vol inhoud! Wat is het groot als de Heere u opzoekt, als de Heere jou een nieuw hart geeft, als de Heere vergeving van zonden schenkt! Want dan zegt de Heere tegen u, tegen jou: ‘Ik zie geen overtreding in Mijn Jakob en geen zonde in Mijn Israël. Ik heb u in beide handpalmen gegraveerd en uw muren zijn steeds voor Mij. Ik zal u niet begeven en Ik zal u nooit verlaten!’

 

Er staat nog bij: Al de dagen. ‘Altijd’ klinkt vlak. Maar hier staat heel bewust: Al de dagen. Dag in, dag uit. Elke, élke dag! Van de vroege morgen tot de late avond en ook in de nacht. Nooit zal Ik u begeven, maar dagelijks zal Ik bij u zijn, zal Ik u helpen, zal Ik u ondersteunen. Hij is er Zelf alle dagen bij; tijdens de dagen van ons leven, maar ook over de doodsjordaan heen zal die God Zijn Kerk nabij zijn.

 

Gemeente, zet dat eens tegenover elkaar: de nameloze armoede zonder God en de rijke inhoud van deze tekst. Weet u wat ik hoop? Dat u uw armoede voelt, dat u beseft dat u alles mist buiten God en Christus en dat deze tekst dan gaat flonkeren als een schitterende parel!

Mag ik het eens heel gewoon zeggen? Zet alles op alles! Zo zeggen we het toch weleens in het natuurlijke leven, tegen onze jonge mensen? ‘Alles op alles zetten, jongen, proberen, proberen, alles op alles zetten!’ Zo mogen wij het ook zeggen vanuit het Woord van God: zet alles op alles! Haast u en spoed u om uws levens wil! Er is niet íets, maar álles mee gemoeid! Het is zónder God of mét God, zónder Borg of mét Borg. Een tussenweg is er niet!

 

U zult zeggen: ‘Ja, alles goed en wel, ik weet het. Maar vertel er eens wat meer over. Hoe krijg je dat? Hoe past de Heere dat in iemands leven toe? Ik wil graag weten hoe ik me eraan kan toetsen of dat nu ook voor mij geldt.’

Het is goed om ons te toetsen, gemeente, want het moet wel gebeuren in ons leven, die wedergeboorte. Wij kunnen niet klakkeloos zeggen: ‘O, da’s een mooie tekst, da’s mijn tekst.’ We moeten op goede gronden weten of die tekst ook voor ons geldt.

 

Daarom gaan we in onze derde gedachte nader bezien wat de zalige troost hieruit is.

Voordat we deze derde gedachte behandelen, zingen we eerst over die troost met Psalm 23 vers 2:

 

               Ik vrees niet, neen, schoon ik door duist’re dalen

               In doodsgevaar bekommerd om moest dwalen.

               Gij blijft mij bij in alle tegenspoeden;

               Uw stok en staf zal mij altoos behoeden.

               Gij troost mijn ziel en richt in mededogen

               De tafel aan voor mijner haat’ren ogen.

 

3. De zalige troost uit deze belofte

 

Gemeente, er zijn genoeg mensen die hierin niets zien. Laten we maar heel eerlijk zijn. Het Evangelie kan gepredikt en voorgesteld worden met bevel van bekering en geloof, maar zij halen als het ware de schouders op en weten niet wat ze met de belofte ‘Ik ben met ulieden’ aan moeten. Ze hebben liever dat iemand anders, bijvoorbeeld een geliefd mens ‘Ik ben met ulieden’ zegt. Ze laten de Heere aan Zijn plaats en bekommeren zich er niet om dat de Héére dat zegt.

Wat is een mens van nature toch dwaas! We hebben alles liever dan God en Christus en zijn vijanden van God geworden. Dat geldt ook als we af en toe best wat gevoelig zijn en een indruk hebben. We leven weer over die indrukken heen en het zaad verstikt door de zorgvuldigheden van het leven. Het houdt geen stand. Het zet niet door, omdat dit ‘Ik ben met ulieden’ ons uiteindelijk niet raakt. We hebben afscheid genomen van God en blijven voortdurend afscheid nemen.

Dat zal ons duur komen te staan, gemeente! Want dan zal de Heere zeggen: Ik heb u geroepen en gij hebt niet geantwoord (Jer. 7:13). Ik heb u op de fluit gespeeld en gij hebt niet gedanst (Luk. 7:32). Je hebt je omgekeerd, je bent doorgelopen. Dat is onbekeerd blijven! Laten we wél wezen: onbekeerd blijven is feitelijk zeggen: ‘Ik hoef het niet.’ Onbekeerd blijven is eigenlijk voortdurende vijandschap. Onbekeerd blijven is feitelijk de boot afhouden. Onbekeerd blijven is volharden in vijandschap tegen God. Dat kan hele vrome vijandschap zijn of meer goddeloze vijandschap, maar uiteindelijk hoeft het voor ons niet.

Beseffen we dat wel? We kunnen zo netjes meeleven en zo goed van onszelf denken en op huisbezoek zeggen: ‘Ik kan me tenslotte ook niet zelf bekeren.’

Dat is waar, maar hoe gemakkelijk wordt dat dikwijls gezegd, bijna als een verontschuldiging: ‘Ik kan er toch ook niets aan doen?’

Gemeente, zo spreekt Gods Woord er niet over! Gods Woord spreekt over onbekeerlijkheid als blakende vijandschap, onwil en ondeugd.

 

En nu gaan we een stap verder. Er zijn er ook bij wie dit wél wat gaat zeggen; ik hoop dat u dat bent. Het zou kunnen zijn dat u dit Woord hebt aangehoord, dat het zijn ingang vindt in uw hart en dat u ervan overtuigd begint te worden dat u afscheid van God hebt genomen. U gaat u schamen dat u zo’n mens bent tegenover zo’n goeddoende God. U gaat ervaren dat de Heere u nawandelt en roept: ‘Mijn zoon, Mijn dochter, geef Mij uw hart!’ Dan zou het kunnen zijn dat u in de tekst ‘Ik ben met ulieden’ wat gaat zien, maar dat u er bedroefd van wordt, omdat u ervaart dat die tekst niet voor u geldt. Het zou kunnen zijn dat er een jongen, een meisje of een oudere in de kerk is, die bedroefd wordt over deze tekst, omdat die belofte voor Gods volk is: ‘O, wat is Gods volk gelukkig, en dat mis ik!’

 

Is het zó in je leven? Dat je voelt dat je dat geluk mist, dat je je ongelukkig voelt? Voel je je nameloos ongelukkig, omdat je onbekeerd bent, zonder God en zonder Borg in de wereld? Dan heb je het niet breed. Als dat gebeurt, kan het zijn dat je vanavond je knieën buigt en dat je de levende God gaat aanroepen: Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God! Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God! (Ps. 42:2-3). Dan is er een gemis naar God geboren. Dan is deze tekst een prachtige tekst, maar die niet voor mij geldt. Dan staan we erbuiten: ‘Het is niet voor zo’n mens als ik! Ik weet dat dit voor mij niet geldt, want ik heb afscheid van U genomen!’ Dan kan het zijn dat het net zo wordt als bij de verloren zoon: Ik ben niet waardig Uw zoon genaamd te worden. (Luk. 15:21).

Maar toch, gemeente, gaan ze zoeken, proberen en vragen. In het maatschappelijke leven zou je zeggen: ze proberen door het kleinste gaatje heen te kruipen. Ze gaan alles op alles zetten. Ze gaan roepen tot de levende God: ‘Heere, zou het nog kunnen? Maak me als één van Uw huurlingen, want ik kan U niet missen! Ik voel dat dit het enige is dat houvast geeft, dat standhoudt tot in eeuwigheid, dat waarde heeft voor de tijd en ook voor de eeuwigheid!’

 

Zo begint de Heere dikwijls als Hij ons die nameloze armoede door eigen schuld laat voelen: ‘Het is mijn zonde die scheiding maakt tussen de Heere en mijn ziel.’ Maar het vreemde is dat zulke ongelukkige mensen juist gaan zóéken. Ze vluchten niet bij de Heere wég, maar krijgen een gebedsleven en gebedsgestalten, waarin ze de Heere bij dagen en bij nachten gaan aanroepen: ‘Als dat ‘Ik ben met ulieden’ toch eens voor mij zou zijn!’ Maar ze kunnen het niet grijpen. Ze kunnen het niet op zichzelf toepassen.

 

Maar, gemeente, denk toch niet dat de Heere hen alleen maar ondersteboven gooit en maar dóór laat tobben! Denkt u dat de Heere hen zomaar jarenlang alleen in de stikdonkere en missende nacht van hun leven laat ronddobberen? De Heere weet wat van Zijn maaksel is te wachten! Hij zal de lammeren in Zijn schoot vergaderen en de zogenden zachtjes leiden. De Heere gaat hen opzoeken door Zijn Woord en Geest.

Dan wordt een tekstwoord als dit, Ik ben met ulieden, door de Heere aan hun hart toegepast. Dan gaan we er ervaren dat dit ‘ulieden’ ook voor ons, voor mij kan zijn. Dat ‘ulieden’ kan dan door de toepassing van de Heilige Geest zóveel inhoud krijgen dat we daardoor ingesloten worden. Dan luisteren we niet alleen met instemming, maar ook met inslúiting!

Wat is een kleine in de genade verblijd, als hij daar even wat van ziet – als de Heilige Geest getuigenis geeft. Dan wordt het hart verklaard in de prediking, dan voelt en hoopt hij dat het waar is, óók voor hem! Dat wordt het: ‘Hoopt op de Heer’, gij vromen! Is Israël in nood? Er zál verlossing komen! Zijn goedheid is zeer groot! Hij maakt, op hun gebeden, gans Israël eens vrij van ongerechtigheden. Zo doe Hij ook aan mij!’ Dan begint er hoop te gloren: óók voor mij kan de deur van het Evangelie nog geopend worden!

 

Dat kan ook in deze dienst gebeuren. Misschien is hier iemand die daar zóveel in mag zien liggen, dat hij erdoor bemoedigd wordt. Zo’n verloren zondaar gaat naar huis en dan klinkt het in zijn hart: ‘Wacht op de Heere, gij vromen! Mijn ziel verwacht en ik hoop op Zijn woord, meer dan de wachters op de morgen.’

Maar wat kan die hoop weer gauw weg zijn! En daarom is het nodig dat het een gegronde hoop wordt. Anders heeft het nog zo weinig handen en voeten. Dan is het nog zo vaag. Het moet zijn beslag krijgen, concreet in het leven van de genade, door de bediening van de Geest.

Daarom laat de Heere op Zijn tijd en wijze ook zien hóe Hij nu nabij kan komen, namelijk door de dood van de Zoon van God. Dat heeft bloed gekost. God de Vader heeft Zijn Zoon moeten verlaten om zulke mensen nabij te komen. Om hen te behouden heeft de Vader Zijn liefde moeten inhouden en Zijn Zoon aan de smaad, de schimp en de spot moeten overgeven.

 

Gemeente, weet u wanneer die vastere grondslag gelegd wordt? Als Christus in beginsel wordt geopenbaard als dé Weg, dé Waarheid en hét Leven! In Hem alleen! En gij zult Zijn Naam heten Jezus; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden (Matth. 1:21). Dan komt er een grondslag, dan komt er vastheid voor de ziel en wordt ervaren: Ik ben met ulieden. Dat kan de Heere ook bevestigen in de zorgen van het leven. Al gaat uw pad dan door de zee, u zullen geen golven overstromen. Dat is een zalige troost.

 

Dat kan ook een troost zijn in het ambtelijke leven. Wat kan het een troost zijn als de Heere Zijn ambtsdragers ondersteunt en hen toeroept: En zie, Ik ben met ulieden al de dagen tot aan de voleinding der wereld. Daardoor bemoedigt de Heere hen. Hij zal het wél maken met Zijn eigen werk. Het is niet hun werk en hun zaak, maar Híj staat ervoor in. Híj bekeert mensen. Hij gebruikt de dwaasheid van de prediking. Hij kan met Zijn Woord doen wat Hem behaagt en het voorspoedig maken in hetgeen waartoe Hij het zendt. Dan moet de ambtsdrager er zelf tussenuit vallen.  

 

Wat kan dit ook een troost geven, als het gaat over de zorgen van Gods kerk, de zorgen over de jeugd, de zorgen over de ouderen, de zorgen over ontkerkelijking en verwereldlijking. Noemt u het maar op! Wat kan het een troost geven dat Christus zegt: ‘Ik ben met Mijn Kerk tot aan de voleinding der eeuwen, tot de voleinding der wereld.’

 

Maar die bemoediging is ook in het persoonlijke leven nodig. Want, gemeente, het leven is vol moeite en verdriet. Het uitnémendste van dit leven is moeite en verdriet, en het komt ook een keer bij mij en bij u. Misschien ís het er al. En dan komt het erop aan of we houvast hebben.

De Heere zal Zijn Kerk niet begeven en niet verlaten. Hij zal bij Zijn kinderen blijven. Omdat Hij hen Zelf gekocht heeft, zal Hij vasthouden aan Zijn eigen werk. Hij zal wáármaken wat Hij gezegd heeft: dat Hij bij hen blijft, bij de kleinen en de meer geoefenden. Hij zal hen nabij zijn in ziekte, in nood, in vragen, in alle zorgen van het leven, in armoede en in rijkdom, in voorspoed en in tegenspoed, in vruchtbare en in onvruchtbare jaren. Wat is het dan goed als ze achter Hem aan mogen komen, achter de grote Kruisdrager aan.

Hij zal hun nabij zijn. Gods vriendelijk aangezicht geeft vrolijkheid en licht voor al d’ oprechte harten. Hij zal die harten, die oprecht gemáákt zijn, vasthouden. Hij zal hen door dit leven dragen, zoals Hij met het volk van Israël gedaan heeft. Hij zal hen leiden door Zijn raad en daarna in heerlijkheid opnemen, op Zijn tijd en op Zijn wijze.

Deze belofte maakt Hij waar in het leven van Zijn Kerk: En zie, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld.

 

Voor wie geldt die belofte dus? Hebt u het inmiddels begrepen? Voor wie is die belofte? Deze belofte is feitelijk voor de uitverkorenen. Maar: deze belofte wordt wel aan állen gepredikt! Deze belofte wordt u állen welwillend voorgehouden! Alsof het een parel is: om uw aandacht te trekken, om uw hart jaloers te maken! In de nodiging heeft ook deze belofte een plaats: Ik ben met ulieden, namelijk met hen die in Mij geloven. Zij zullen niet verderven, maar het eeuwige leven hebben. Met deze belofte mogen wij dus tegelijkertijd de nodiging compleet maken. In de nodiging heeft deze belofte een plaats: Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen (Joh. 6:37).

Op grond van ons eigen weten, kunnen en kennen is dat niet mogelijk. Laten we daarom als een arme, berooide zondaar tot Hem komen. Het is alleen de gerechtigheid van Christus, die redt van de dood. Werp u dan maar neer aan Zijn genadetroon!

 

Kinderen, jonge mensen, zeg dan maar: ‘Heere, ik ben onbekeerd. Ik heb niets. Zo kan ik het leven niet door en zo kan ik het leven niet uit.’ Zeg dan maar tegen de Heere dat je zó dood, zó onbekeerd bent, dat er niets met je te beginnen is. Zeg het maar eerlijk tegen de Heere. Roep Hem maar aan in de dag der benauwdheid. Zet je voet maar tussen de deur en houd aan. Klopt en je zal worden opengedaan! Zoekt en je zult Hem vinden! Zet maar alles op alles, want het gaat op een eeuwigheid aan. Het is één van de twee: ‘Ik ben met ulieden’ of: ‘Ik ben tegen u, al de dagen.’ God is vóór ons of God is tégen ons.

 

Deze belofte wordt gegeven aan de strijdende Kerk op aarde. Daarom staat er: Tot aan de voleinding der wereld. Maar daarom geldt het ook eeuwig voor de triomferende Kerk: zij zullen altijd bij de Heere wezen! Daarin vindt Gods Kerk haar lust, haar vrede en aangenaamheid: altijd bij de Heere wezen!

 

Er staat nog één woordje: het woordje ‘amen’. Onze kinderen weten wat dat betekent: het zal waar en zeker zijn. Mattheüs zegt aan het eind van Zijn evangelie: Amen. Dat betekent: ‘Dit is waar: Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld.’

Het is zéker waar dat Hij met Zijn Kerk zal zijn en dat Hij ook nodigt. Wij maken God zo gemakkelijk tot een leugenaar, alsof Zijn bedreigingen en Zijn beloften níet waar zouden zijn. Maar de Heere zegt: ‘Dit Woord is de waarheid.’ En iedereen zal er ook achter komen dat dit Woord de waarheid is. Weet je wat te hopen is? Dat je er vroeg genoeg achter komt! Dat het niet te laat is als je erachter komt!

 

Wat is het een zalig verlies aan deze kant van het graf, als je mag belijden dat je zelf afscheid genomen hebt van de Heere, maar dat je er ook iets van mag beleven dat de Heere je nog terug wil hebben en dat je mag ervaren: Ik ben met ulieden. Wat is er een diepe verwondering, als je mag weten wie met ‘ulieden’ bedoeld wordt: zo’n ellendig mens als ik! Zo’n dode hond! En dat de Heere dan toch zegt: Ik ben met ulieden. Daar ligt álles in!

 

Gemeente, ik ben onbekwaam om te zeggen hoe nameloos arm een onbekeerde zondaar is. En ik ben onbekwaam om te zeggen wat een rijke toekomst Gods kinderen hebben. Ik weet ook niet hoe ik moet uitdrukken welke troost Gods Kerk daarin mag vinden. Misschien in deze woorden: ‘Al treft u ’t felst verdriet, die Wachter sluimert niet! Ik ben met ulieden!’

 

Zoek de Heere, terwijl Hij te vinden is!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 73:14

 

Wie, ver van U, de weelde zoekt,

Vergaat eerlang, en wordt vervloekt;

Gij roeit hen uit die afhoereren,

En U de trotse nek toekeren;

Maar ’t is mij goed, mijn zaligst lot,

Nabij te wezen bij mijn God;

’k Vertrouw op Hem, geheel en al,

De Heer’, Wiens werk ik roemen zal.