Ds. D. Hakkenberg - Johannes 18 : 4 - 8

Jezus Zich overgevend in de handen der zondaren

De gewilligheid waarmee Hij uitgaat
De heerlijkheid waarmee Hij Zich bekendmaakt
De vrijheid die Hij voor de Zijnen opeist
Dit is tevens een voorbereidingspreek op het Heilig Avondmaal.

Johannes 18 : 4 - 8

Johannes 18
4
Jezus dan, wetende alles, wat over Hem komen zou, ging uit, en zeide tot hen: Wien zoekt gij?
5
Zij antwoordden Hem: Jezus den Nazarener. Jezus zeide tot hen: Ik ben het. En Judas, die Hem verried, stond ook bij hen.
6
Als Hij dan tot hen zeide: Ik ben het; gingen zij achterwaarts, en vielen ter aarde.
7
Hij vraagde hun dan wederom: Wien zoekt gij? En zij zeiden: Jezus den Nazarener.
8
Jezus antwoordde: Ik heb u gezegd, dat Ik het ben. Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 103: 6, 7
Lezen : Johannes 18: 1-11
Zingen : Psalm 22: 10, 11
Zingen : Psalm 56: 4
Zingen : Psalm 20: 4, 5

Gemeente, de tekst voor deze dienst vindt u in het u voorgelezen Schriftgedeelte Johannes 18, de verzen 4 tot en met 8, waarvan wij de verzen 7 en 8 lezen:

 

Hij vraagde hun dan wederom: Wie zoekt gij? En zij zeiden: Jezus de Nazaréner.

Jezus antwoordde: Ik heb u gezegd dat Ik het ben. Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan.

 

Jezus, Zich overgevend in de handen der zondaren.

 

Wij letten op:

1. De gewilligheid waarmee Hij uitgaat

2. De heerlijkheid waarmee Hij Zich bekendmaakt

3. De vrijheid die Hij voor de Zijnen opeist

 

1. De gewilligheid waarmee Hij uitgaat

 

Geliefden, Jezus is op de lijdensweg, opgaande naar Jeruzalem. Hij heeft in Jeruzalem de Paasmaaltijd gebruikt; het lam werd geslacht. Het uur was echter aangebroken dat Hij, als het Lam Gods, zou geslacht worden in de plaats van schuldige zondaren. Hij heeft daarom ook het Heilig Avondmaal ingesteld. Want nu zou het ware Paaslam geslacht worden. Het bloed van het Lam Gods zou vloeien; en Hij zal voor altijd Zijn gebroken lichaam ten spijze geven aan Zijn volk, en Zijn bloed te drinken geven.

Vandaar ook dat wij het Heilig Avondmaal des Heeren weer hopen te houden als een gedurige gedachtenis aan het bittere lijden en sterven van de getrouwe, enige en volkomen Zaligmaker Jezus.

Doe dat tot Mijn gedachtenis (Luk. 22:19). Want dit Pascha is voor ons geslacht, namelijk de Heere Jezus. Welgelukzalig wiens ziel oprecht hongerig en dorstig mag gemaakt worden naar Zijn vlees en bloed. Want Mijn vlees is waarlijk spijs en Mijn bloed is waarlijk drank (Joh. 6:55).

 

Zo heeft de Zaligmaker Jezus Zich uit- en overgeleverd in de handen van zondaren. Ten diepste geeft Hij Zich over aan het eisende recht van God, want aan God moet betaald worden; Hij moet aan Zijn eer komen. De geschonden deugden van God moeten voldaan worden, en u moet dat ook persoonlijk weten. Uw schuld moet voldaan worden bij de hoge God en wij moeten door onszelf, of door een ander betalen. En daarom: Welgelukzalig wanneer u, naar recht, in de nood voor God mag komen met uw kostbare ziel en met het oog op uw hemelhoge schuld. Dat de uitroep van uw ziel mag worden: Wees Gij mijn Borg (Jes. 38:14). Want hier is Hij, en Hij wordt nu in dit Schriftgedeelte weer verklaard: Jezus dan wetende alles wat over Hem komen zou, ging uit (Joh. 18:4).

 

Hier is een uitgaande Borg. Hij heeft eerst in de hof van Gethsémané geworsteld, benauwd, beangst, zielsbedroefd, tot de dood toe. Hij heeft bloed gezweet. Hij alleen, want de Kerk sliep. Zij sliepen, maar Hij waakte en worstelde tot driemaal toe: Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker van Mij voorbijgaan; doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt (Matt. 26: 39). Hij neemt de beker, die de Vader Hem op de hand gezet had, en gaat die ledigen. Hij gaat daarom Zijn vijanden tegemoet. Hij is de tweede en de laatste Adam, Die Zich niet verbergt voor het goddelijke recht, maar tevoorschijn treedt.

De eerste Adam verborg zich na zijn ongehoorzaamheid voor God. Toen God van de hemel riep: Waar zijt gij? (Gen. 3:9), was Adam verborgen. Wij verbergen ons allemaal voor God in het struikgewas van de zonde. Ook wij bedekken ons met vijgenboombladeren om onze naaktheid te bedekken. En de Heere zegt: Waar zijt gij? Wij zullen toch een keer voor de dag moeten komen. O, welgelukzalig als het hier gebeurt, als wij hier gedagvaard worden.

 

Waar zijt gij? Het is wat om voor Gods aangezicht gesteld te worden in onze zonde, ellende, armoede en schuld! Voor zulke zondaren is er echter bedekking. De enige bedekking is de gerechtigheid van de Heere Jezus.

Jezus ging uit. Nu kon het! Hij gaat naar voren, Hij komt tevoorschijn, Hij verbergt Zich niet. Hij hoeft niet gezocht te worden, maar stelt Zich beschikbaar. Hij presenteert Zich om te zeggen: Wie zoekt gij? Hier ben Ik. Hij komt tevoorschijn.

Zo zien we de Borg Jezus in gewilligheid uitgaan. Gewillig, voor het aangezicht van Zijn Vader, gedachtig aan wat van Hem geschreven staat in de rol des boeks: Toen zeide Ik: Zie, Ik kom; Ik heb lust, o Mijn God, om Uw welbehagen te doen. (Ps. 40:8-9).

 

Een gewillige Borg voor onwillige zondaren. Ga heden ook uit, om Hem te zien! Ga uit, uit de duisternis, uit uw ongeloof en dat uw banden losgemaakt mogen worden om de heerlijkheid van deze Christus te aanschouwen, Die gewillig tevoorschijn treedt. Gewillig voor het aangezicht van Zijn Vader, gewillig ook voor zondaren om Zich in hun plaats over te geven. Hij is immers met Zijn hart Borg geworden om tot God te genaken? En Hij is ook gewillig om voor u in te staan, arme, hopeloze en hulpeloze zondaar. Want zo hopeloos zijn wij in onszelf! We zouden ons toch in de eenzaamheid, in het duister willen terugtrekken. We zouden ons willen verbergen.

 

Maar nee, het wordt nu Heilig Avondmaal. Dan haalt de Heere Zijn Kerk tevoorschijn. Dan zullen zij ook uitkomen. Zij zullen uitgaan, al degenen die Zijn verschijning hebben lief gekregen en van wie het hart gewillig gemaakt wordt om zich door Hem te laten zaligen. O geliefden, hier is Jezus!

Jezus dan, wetende alles wat over Hem komen zou, ging uit. Hij ging verschrikkelijke vijanden tegemoet. Hij deinsde niet terug, toen de macht van de hel en het uur van de duisternis was aangebroken. Moedig ging Hij voorwaarts. Daar was de overste over duizend en de dienaren van de Joden en de Romeinse bende, maar hier is Jezus, Die de overste Leidsman is van Zijn Kerk. Hier is Hij, Die de banier draagt boven tienduizenden. Hij gaat uit, al Zijn vijanden tegemoet. Hij zal niet zwichten voor de overmacht, want Hij is Zelf de almachtige, de getrouwe en de gewillige Zaligmaker. Hij wist alles wat nu ging gebeuren.

Dat is een troost voor de Kerk van God. Jezus dan, wetende alles. Hij weet ook alles van Zijn Kerk, van Zijn arme, bevreesde discipelen. De elf die achter Hem stonden, waren verward, verbaasd en bevreesd in het duister van de nacht, en vreesden voor de overmacht van de vijanden. Hij kent ook de vrees als alles in de ziel zo donker is, als de boze machten van de hel zo oprukken en onze ziel aangevochten wordt, ook met het oog op het Heilig Avondmaal.

U aan die heilige tafel en uw handen uitstrekken naar dat brood en de beker? O, dat veroordelende gemoed! Dat geldt nog temeer waar de discipelen straks allen zullen vluchten en Hem zullen verlaten.

 

Wij zijn ook zulke vluchters en verlaters, maar Jezus weet alles en gaat niet terug, ondanks Zijn trouweloos volk. Hij gaat voort en zal straks alleen overblijven. Hij weet ook de strijd in het hart van de oprechte Sionieten. Hij weet uw zorgen, Hij kent uw zonden, uw schuld, uw ontrouw. Hij weet ook van uw aanvechtingen en bestrijdingen, maar zie dan hier op Hem, Die de banier draagt boven tienduizenden. En vraag dan maar: Twist met mijn twisters, Hemelheer; Ga mijn bestrijd’ren toch tekeer; En vertroost dan tenslotte mijn ziel in haar geween, en zeg haar: Ik ben uw Heil alleen. Want dat zal Hij zijn!

 

Jezus dan, wetende alles wat over Hem komen zou, ging uit en zei tot hen: Wie zoekt gij? Dat brengt ons tot onze tweede gedachte:

 

2. De heerlijkheid waarmee Hij Zich bekendmaakt

 

Wien zoekt gij? Hij wacht niet eerst tot de vijanden spreken, maar Hij opent Zelf het gesprek. Hij treedt Zelf naar voren. Wie zoekt gij? Hij laat hierbij merken dat niet de ijver en de overmacht van de vijanden als eerste geldt, maar dat het Zijn ijver is, Zijn almacht, Zijn liefde, die Hem naar voren doet treden. Hij spreekt als Eerste: Wie zoekt gij? Zij hoeven niet te zoeken naar Hem, want de Gezochte laat Zich vinden. En Hij zegt: Ik ben het, want: Zij antwoordden Hem: Jezus de Nazaréner. Zij zien niet de Messias in Hem, maar de verachte Nazaréner uit Nazareth in Galilea.

O geliefden, een verachte naam: Jezus de Nazaréner. Maar deze Naam wordt toch heerlijk en dierbaar voor een veracht volk, dat alle verachting en versmaadheid waardig is. Hij wordt dierbaar voor hen die smaadheid dragen om Christus’ wil. Dan wordt die Naam toch vol genade en vol van heerlijkheid.

 

Jezus de Nazaréner, zo roepen de vijanden. Maar die vraag naar Hem komt ook tot het hart van de oprechten: Wie zoekt gij? Dan wordt het Zíjn vraag, want het is voorbereiding voor het Heilig Avondmaal. Daar moeten wij antwoord op geven. Dit moet een hartelijk en oprecht antwoord worden voor de Heere.

Wij hebben belijdenis gedaan, beloofd en betuigd dat wij in een nieuw godzalig leven zouden wandelen en dus de Heere zouden zoeken.  Hoe is het met uw belijdenis in uw leven? Is het al beleving van het hart geworden: Wie zoekt gij?

Er wordt van nature een ander antwoord gegeven. Laten wij maar eerlijk zijn. Wat zoeken wij ons genot in de wereld, in dit aardse leven. Wat zoeken we, als we jong zijn, onze blijdschap toch in deze wereld. Wat gaan we op in het tijdelijke leven en wat verpanden we ons hart aan de aardse dingen, aan de wereld die voorbijgaat met al haar begeerlijkheid.

 

Wie zoekt gij? Het moet worden: Ú zoekt mijn hart, mijn oog blijft op U staren. Het gaat om het héle hart; dat is niet te vinden bij een dubbelhartig mens, een halfslachtig mens. Een dubbelhartig mens is iemand die God wat wil geven én de wereld wat. Maar zo’n levenshouding kan niet samengaan met het Avondmaal. Daarmee kunt u niet voor God bestaan. Nee, Hij moet uw Eén en uw Al zijn. De droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid (2 Kor. 7:10). Het gaat om de droefheid naar Gód alleen. ‘Mijn hart roept uit tot God Die leeft, en aan mijn ziel het leven geeft.’

 

Wie zoekt gij? De Heere Jezus zegt het tegen de vijanden, maar Zijn discipelen horen het ook. Ze staan immers achter Hem. Ook Judas hoort het. De verrader staat er ook bij, dicht bij Jezus. Hij heeft Jezus zelfs nog een kus gegeven, een kus van verraad. Het kan ook dat wij heel dicht bij Jezus zijn, en ons zelfs voegen aan de tafel des Heeren met een uitwendige kus, en toch… met het verraad in ons hart. Dan hebben we uiteindelijk toch de dertig zilveren penningen van de wereld, de schat van de wereld, onszelf, liever dan Jezus. Wat een onrust: Judas staat er ook bij, geliefden!

 

Wie zoekt gij? Die vraag geeft binnenkamerwerk en arbeid op de knieën, want het gaat erom dat het er tussen God en uw ziel oprecht en eerlijk aan toegaat. De Heere zorgt Zelf voor een oprecht volk. Hij zorgt ervoor dat Zijn kinderen ondanks de veroordeling van het hart, de aanklachten van binnen, de eis van Gods heilige wet en de vloek die op hen rust, tóch mogen betuigen: Heere, Gij weet alle dingen! Dan weet Gods kind: Daar zorgt de Heere voor, ondanks mijn trouweloosheid. Op de bodem van het hart ligt toch de liefde: Heere, Gij weet alle dingen, Gij weet dat ik U lief heb (Joh. 21:17). Openbaart U Zichzelf aan mijn ziel, want U bent toch de Liefste van mijn hart.

Dat moet openbaar worden. Niet alleen met een mondbelijdenis, maar ook met een hartgrondige beleving in de praktijk van uw leven. Er zijn ook mensen met opwellingen, ontroeringen en aandoeningen in het gemoed, die ten slotte toch alleen maar eigenbehoud en eigenliefde bedoelen. Maar het gaat om Gods eer, om de verheerlijking van Zijn Naam. Dan zult u Christus moeten hebben als uw Zaligmaker, als uw Borg, als uw Verlosser.

 

Wie zoekt gij? En Hij zei tot hen: Ik ben het, Jezus de Nazaréner.

Ik ben het; Hij maakt Zich vrijmoedig bekend, Hij verbergt Zich niet. Nee, geliefden, Ik ben het, dat machtswoord, dat majesteitelijke woord van Zijn lippen. Hij is Jezus, Hij is de ware en de enige Jezus.

Ik ben het; zo luidt de openbaring aan Zijn vijanden. En zij hebben het niet begrepen. Weet u nog wat er gebeurde? Als Hij dan tot hen zeide: Ik ben het, gingen zij achterwaarts en vielen ter aarde. Wat een majesteit gaat er van Jezus uit! Hij openbaart Zich als de Nazaréner Jezus, een Mensenkind. Maar Hij is de sterke God, Hij is Immanuël. Ziet u wel dat Hij de banier draagt boven tienduizend?

Daar vallen de vijanden achterover. Zij vielen ter aarde, staat er. Wat is Zijn macht groot! Nu is Hij nog in de staat van Zijn vernedering en daar gaan de vijanden. Laat staan als Hij wederkomt in Zijn verhoging. Dan zal Hij gezien worden in Zijn volle majesteit. Waar zullen dan Zijn vijanden blijven? Bedenk dat eens: Hij zal de aarde slaan met de roede Zijns monds en met de adem Zijner lippen zal Hij de goddeloze doden (Jes. 11:4). Zij vielen achterwaarts ter aarde. Wanneer Hij verschijnen zal in Zijn grote en geduchte majesteit, zal Hij spreken: Breng ze hier en sla ze voor Mijn voeten dood, die niet gewild hebben dat Ik Koning over hen zijn zou. Hier is het maar een kleine voorproef. Zij gingen achterwaarts en vielen ter aarde.

 

Het is maar beter vóórover te leren vallen, om aan Zijn voeten terecht te komen. U moet niet van Hem afvallen, maar Hem toevallen en aan Zijn voeten neerzinken. Dat is een weldaad die de Heere schenkt als Hij zondaren oprecht bekeert. Dan worden wij ook door de Majesteit Gods getroffen. O zeker, de hoogheid en grootheid van God valt dan op ons. Hij is een geduchte Majesteit, maar daarom moet u vóórover vallen. Saulus van Tarsen, voorover ter aarde gevallen zijnde, lag aan Zijn voeten en stamelde: Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal? (Hand. 9:6). O, die overgave van het hart, geliefden, dat hartelijk vóórover de Heere toevallen in Zijn heilig recht: Mijn Rechter zal ik om genade bidden (Job 9:15).

 

Kent u dat geheim? Er zijn er wel meer achterwaarts gegaan en achterover ter aarde gevallen vanwege een schrik des Heeren, vanwege de overtuiging in het geweten. Er zijn er wel die met benauwdheid bezet zijn geweest. En dan lijkt het soms alsof zij voor de Heere buigen. Maar het gaat er om hoe u overeind komt. Want deze vijanden komen zélf weer overeind en gaan toch weer door in hun goddeloze weg. Maar die neerstort aan Jezus’ voeten, die zijn Rechter om genade leert bidden, kan zelf niet overeind komen, maar moet opgetild worden. En dat doet de Heere ook. Hij tilt dat hulpeloze volk, dat aan Zijn voeten terecht komt en om genade bidt, weer op. Hij gaat hen bemoedigen. Hij wil hen ook vertroosten, Hij wil hun onderwijzen en Zichzelf aan hen bekendmaken: Ik ben het. Maar dat is een andere openbaring. Ik ben te midden van uw vrees, te midden van uw schuld, te midden van uw schudding en twijfeling.

Ik ben het. Dat is het Woord waar de Kerk naar uitziet, in welke stand van het leven ook. Ik ben het in de staat van Zijn vernedering, maar ook in de staat van Zijn verhoging om Zijn Kerk te bevestigen. Dan wil Hij Zichzelf nader en duidelijker aan Zijn Kerk openbaren. Ik ben het, Die voor u in de plaats ben getreden. Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven. Ik ben het in Mijn heerlijkheid, in Mijn trouw, in Mijn liefde, in Mijn genade. Ik ben het, Ik heb u in Mijn beide handpalmen gegraveerd. 

 

Het is een stapje verder om de lijdende Borg te mogen zien, de schuld betalende Jezus, Die uw schuld persoonlijk op Zich nam. Hij heeft de pers alléén getreden en er was niemand van de volkeren met Hem. Ik heb uw schuld betaald. Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg om Mijnentwil, en Ik gedenk uwer zonden niet (Jes. 43:25). Ik ben het, Die voor u instaat bij de Vader als de getrouwe Hogepriester en enige Voorbidder.

Als wij dit geloven, dan gaan we al dieper buigen, vóórover aan Zijn voeten. En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten; en Hij legde Zijn rechterhand op mij, zeggende tot mij: Vrees niet; Ik ben de Eerste en de Laatste; en Die leef, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. En Ik heb de sleutels der hel en des doods (Openb. 1: 17-18). Ik ben het! En dan niet achterwaarts, maar vóórover aan Zijn voeten.

 

Geliefden, dit is de heerlijkheid waarmee Hij Zich bekendmaakt! Mocht Hij heden nog vijanden tot vrienden maken. Wat zou dat groot zijn! Vijanden, die nog met vijandschap tegen de weg van vrije genade vervuld zijn; tegenstanders. Ach, mochten zij heden als vrienden van Hem aan Zijn zijde gebracht worden!

 

Dit brengt ons tot onze derde gedachte: de vrijheid die Hij voor de Zijnen opeist. Maar wij zingen eerst uit Psalm 56 het vierde vers:

 

Gij weet, o God, hoe ’k zwerven moet op aard’;

Mijn tranen hebt G’ in Uwe fles vergaard;

Is hun getal niet in Uw boek bewaard?

Niet op Uw rol geschreven?

Gewis, dan zal mijn wreev’le vijand beven,

En, als ik roep, straks rugwaarts zijn gedreven;

Dit weet ik vast, God zal mij nooit begeven;

Niets maakt mijn ziel vervaard.

 

3. De vrijheid die Hij voor de Zijnen opeist

 

Jezus, Zich overgevend in de handen der zondaren. Dat is de enige weg om zalig te worden. Hij leverde Zich over in de handen van de vijanden, opdat Hij dezen tot vrienden zou maken. Hij leverde Zich uit aan deze bende van heidenen en Joden, opdat Hij uit Jood en heiden Zijn schare zou hebben. Want uit hen wil Hij Zijn bruidsgemeente halen naar het welbehagen van de Vader.

Hij geeft Zich over in de handen van zondaren, opdat die zich in Zijn handen zullen overgeven. Is dat niet een wonderlijke zaak? Hij levert Zich uit aan de vijanden. Dat doet Hij, opdat Hij de vijandschap teniet maakt en ons Zijn vriendschap biedt, en zal spreken: Ik, Ik ben het, Die u troost (Jes. 51:12). Ik, Ik ben het Die u leiden zal, Ik zal u bij de hand nemen, Ik zal voor u zorgen.

Hij geeft Zich over aan tegenstanders, opdat Hij onze tegenstand zou wegnemen. Geliefden, Hij geeft Zich over in de rechterlijke handen van Zijn Vader en zal de schuld bij de Vader betalen, zodat Gods kinderen in de Vaderlijke handen van God zullen teruggebracht worden. Ja, dat zij aan het vaderhart van God worden gedrukt.

 

Als Hij dan tot hen zeide: Ik ben het, gingen zij achterwaarts. Maar Hij vraagde hun dan wederom: Wie zoekt gij?

Voor de tweede keer: Wie zoekt gij? Want eenmaal sprak God tot mij een woord, tot tweemaal toe heb ik het gehoord. Wij moeten tweemaal de vraag en de boodschap hebben. Hij wordt hier ook tweemaal door de Heere Jezus gesteld: Wie zoekt gij? De vijanden moeten goed weten Wie zij zoeken en ook goed weten wie Hij is, Die gezocht wordt.

Dit moeten wij ook weten: Wie zoekt gij? Neem die dubbele vraag mee in uw hart. Heden moet er al een antwoord komen. Wie zoekt u? Gaat het om die of die? Hij die vader of moeder, man of vrouw of kind liever heeft dan Mij, is Mij niet waardig. Hij gaat boven alles. Het gaat erom: U al mijn liefde waardig schatten. Wie zoekt gij?

 

Het is een week van voorbereiding. Dat moet het voortdurend zijn, want wij moeten altijd bereid zijn. De dood wenkt ieder uur. Onverwacht worden wij opgeschrikt: deze en die is niet meer. Misschien nog ’s zondags in Gods huis en plotseling is het eeuwigheid. Enkele zuchten en wij zijn aan het einde van onze aardse reis. Dan is daar die vraag aan uw hart: Wie zoekt gij? De Heere legt in het hart van Zijn volk het antwoord: Jezus. Merkt u wel dat het vóór of tégen is? De vijanden zijn tegen. Jezus de Nazaréner, antwoorden zij. Het is vóór of tégen, een van beide. Je bent een vijand, tégen Hem, of je bent een vriend, vóór Hem, één van beide.

 

Wie zoekt gij? En Jezus antwoordde: Ik heb u gezegd dat Ik het ben. De Heere zegt het nogmaals: Ik heb u gezegd dat Ik het ben. Hij bevestigt het met grote nadruk aan Zijn vijanden. Zij zullen nooit kunnen zeggen: Wij hebben het niet geweten. En u ook niet. U zult om de waarheid Gods, om het Evangelie van vrije genade, nooit heen kunnen. Jezus is onder u gepredikt, Hij is u voorgesteld, Hij is u aangeboden in het Evangelie. U zult nooit kunnen zeggen: Ik weet niet waarover u gesproken hebt. Over Hem, Jezus de Nazaréner.

Hij zeide wederom: Ik ben het. Hij bevestigt het ook in het hart van Zijn volk, want Hij zegt het zelfs tweemaal. Want wij zijn zo vergeetachtig. Wij hebben het driemaal en nog vele malen meer nodig. Te midden van storm en strijd, te midden van verdrukking en beproeving hebben wij het weer nodig en ook bij het uur van het Avondmaal: Ik heb u gezegd dat Ik het ben.

 

Die grote Ik, is Die in uw hart en leven gekomen? Dan gaat onze kleine ‘ik’ ten onder, dan moet de hoogmoed van de troon af. Dan wordt u een vernederd, nederig en ootmoedig mens, en hebt u niets meer in te brengen. Dan komt het tot overgave aan Hem en gaat Hij ook uw banden los maken.

 

Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan – daar hebt u het: de vrijheid die Hij voor de Zijnen opeist.

Indien gij dan Mij zoekt; is het dan zo, ben Ik de Gezochte? – zo laat dezen heengaan.   Dit wordt de vrijheid, het vrijgeleide voor Mijn elf discipelen. Zij kunnen dit lijden nog niet aan en deze beproeving is te zwaar. Trouwens, zij kunnen Mij ook niet helpen. Al trekt Petrus ook het zwaard, in de schede daarmee, want allen die het zwaard trekken zullen daardoor vergaan. De drinkbeker die Mij de Vader gegeven heeft, zal Ik die niet drinken? (Joh. 18:11).

Indien gij dan Mij zoekt. De Vader zoekt Hem, het goddelijk recht zoekt Hem. En daarom geeft Hij Zich over aan het gruwelijkste onrecht, straks voor de hogepriester, het Sanhedrin, en ook voor Pilatus. Dan zal het recht van God zegevieren en zal de Kerk des Heeren op rechtsgrond zalig worden.

 

Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan. Er zal vrijheid voor Mijn Kerk zijn. Dat houdt veel in. Wij zijn van nature zelf gebonden en zijn het waard om met eeuwige ketenen gebonden, geboeid en weggevoerd te worden naar de buitenste duisternis. Wij moeten voor eeuwig gebonden worden, want wij hebben ons in Adams val gebonden aan de vorst der duisternis. Wij zijn zondeslaven geworden en in satans macht geknecht door eigen schuld.

Maar hier is de Borg Jezus, Die zondaren vrij maakt en vrij laat en de banden zal verbreken. Indien gij dan Mij zoekt. Hij zal de handen uitsteken om Zich te laten binden, om Zich te laten wegvoeren. Hij laat Zich binden, Hij laat Zich boeien, Hij laat Zich nagelen op het vloekhout.

 

Indien gij dan Mij zoekt; laat Mij dan gebonden worden met de banden van het goddelijk recht. Maar het zijn ook de banden van liefde aan Mijn Bruidskerk, waarmee Ik Me laat binden. Ik in de plaats van schuldige zondaren, van Mijn Bruidskerk en van Mijn volk.

Laat dezen heengaan. En dan worden zondaren losgelaten. Zij zullen komen uit hun duisternis, uit hun gebondenheid van het ongeloof. Dan zullen zij uit hun twijfelingen en slingeringen komen, want: Laat dezen heengaan! Op dat machtswoord zullen zij komen, en heengaan tot des Heeren tafel. Zij zullen buigen aan Zijn voeten in ootmoed van het hart, want zij zoeken Hem omdat Hij hen zocht, voor hen instond en de Eerste werd in hun leven.

Zo laat dezen heengaan. Hij zal ze vrij maken. Waardoor? Door de kracht van Zijn bloed alleen. Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult gij waarlijk vrij zijn (Joh. 8:36). Hij maakt hen vrij van de banden van de wet, van de boeien van de zonde en van de ketenen van satan. Hij maakt hen ook vrij van slaafse vrees. Hij maakt hen vrij uit de handen van hun vijanden. Hij ontbindt hen en Hij laat hen heengaan in de vrijheid van de kinderen Gods. Want Hij maakt op hun gebeden gans Israël eens vrij van ongerechtigheden; zo doe Hij ook aan mij.

 

Straks zullen ze heengaan in vrede. Nu laat Gij, Heere, Uw dienstknecht (Uw dienstmaagd) gaan in vrede, naar Uw woord (Luk. 2:29). Want daar gaat het over. Mijn ogen hebben Uw Zaligheid gezien (Luk. 2:30). Het gaat erom Zijn goedertierenheid, Zijn trouw ondervonden, en de kracht van Zijn bloed gesmaakt te hebben. Dan zullen zij heengaan en eeuwig vrij zijn, om God in de vrijheid van hun ziel te mogen groot maken, te loven en te prijzen tot in eeuwigheid.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 20: 4 en 5

 

Op wagens, paarden, en op helden,

Zij onze vijand stout;

Wij zullen d’ eer en grootheid melden

Van God, Die ons behoudt.

Zij zijn gekromd, terneer gestoten,

Van moed beroofd en krachten;

Maar wij, wij hebben ’t heil genoten,

Waarop ons God deed wachten.

 

Behoud, o Heer’, wil bijstand zenden,

Verlos, bewaar, verschoon;

Die Koning hoor’, als w’ in ellenden

Aanbidden voor Zijn troon.