Ds. G.J. Baan - Genesis 14 : 18

Melchizédek, een type van de komende Christus

Genesis 14
Als koning
Als priester

Genesis 14 : 18

Genesis 14
18
En Melchizedek, koning van Salem, bracht voort brood en wijn; en hij was een priester des allerhoogsten Gods.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 122: 2, 3
Lezen : Genesis 14: 18-24
Lezen : Psalm 110
Zingen : Lofz. v. Zacharias: 1, 4, 5
Zingen : Psalm 72: 1, 4
Zingen : Psalm 68: 14

Gemeente, in vers 46 van het eerste hoofdstuk van het evangelie naar Johannes lezen wij de volgende woorden: Wij hebben Dien gevonden van Welken Mozes in de wet geschreven heeft. Het zijn woorden die Filippus heeft gezegd tegen zijn broer Nathanaël, die ook één van de discipelen van de Heere Jezus was. Trouwens, ook Filippus mocht één van hen worden. Hij verwoordt als het ware wat hij ervaren heeft toen hij voor het eerst de Heere Jezus heeft ontmoet. We zouden zeggen: ‘Hij vat de Christusopenbaring samen; hij vertelt wat er gebeurd is toen de Heere Jezus Zich aan hem bekend maakte, Zich aan hem openbaarde.’ Filippus zegt het heel eenvoudig: ‘Wij hebben Hem gevonden.’

Dit veronderstelt dat hij Hem ook heeft gezócht, dat zijn hart ook naar Jezus is uitgegaan, dat hij Hem ook nodig gekregen heeft in zijn leven. Want anders zeg je niet: ‘Wij hebben Hem gevonden.’ Dan zeg je hooguit: ‘Wij hebben Hem ontmoet.’ Nee, er staat: ‘Wij hebben Hem gevónden.’ Het Griekse woordje ‘vinden’ wijst erop dat er een ‘zoeken’ aan vooraf gegaan is. Een vervulling van het zoeken. Je zou kunnen zeggen: ‘Advent werd Kerst.’

 

We leven in de weken van advent. Dat woordje komt van het Latijnse ‘Adventus’. Dat betekent: de naderende komst, iets wat komen zal, komen gaat, of wat aan het komen is. En het werkwoord advenire betekent: naderen of dichterbij komen. Wel, die Christus verlangde hij te ontmoeten.

Hoe de Heere daar plaats voor gemaakt heeft, en hoe lang dat in zijn leven heeft geduurd, weten wij niet. Dat staat er allemaal niet bij in het evangelie. Maar de woorden die hij hier gebruikt veronderstellen dat zoeken.

Advent, zei ik zojuist, werd Kerst. Toen werd de Zaligmaker geboren in zijn hart. Toen heeft hij de Heere Jezus gezien, niet alleen met zijn eigen ogen, maar ook met de ogen van zijn hart.

 

‘Wij hebben Hem gevonden.’ Wie dan? Er staat: Van Welken Mozes gesproken heeft.

Filippus wijst helemaal terug naar het Oude Testament, naar de wet van Mozes. Met andere woorden: ‘Wat er nu in mijn leven gebeurd is, komt op uit het Woord van God, en niet andersom. Wat ik ervaar, staat in de Bijbel. Wat in mijn leven ervaren wordt, is gegrond op het Woord van God.’ Later zou Petrus zeggen: En wij hebben het profetische Woord, dat zeer vast is, en gij doet wel dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de Morgenster (Christus) opga in uw harten (2 Petr. 1:19). Deze beknopte bekeringsgeschiedenis in Johannes 1 – Wij hebben Dien gevonden van Welken Mozes in de wet heeft geschreven – wordt gebaseerd op het Woord van God.

Het waren maar twee woorden die de Heere Jezus tegen hem sprak, maar ze waren genoeg: Volg Mij. En zo, gemeente, als u Jezus mag vinden, als advent in uw hart kerstfeest wordt, mag u Filippus nastamelen die tegen Nathanaël, zijn broeder, sprak: ‘Wij hebben Jezus gevonden.’

 

Talloze malen werd Hij al in het Oude Testament aangewezen. We hebben twee gedeelten gelezen die in nauwe betrekking tot elkaar staan: Genesis 14 en Psalm 110. Hij werd aangewezen door profeten, door offers, door de schaduwen van de wet, de ceremoniën, door allerlei dingen in de tempel en in de tabernakel, maar een enkele keer ook door een persoon. Zo’n persoon noemen we een type van de Heere Jezus. Je kunt denken aan Jozua, Mozes, Aäron en Jozef. Maar misschien is Melchizédek wel het duidelijkste type dat ook verschillende malen in het Nieuwe Testament terugkomt. Deze Melchizédek vraagt nu onze aandacht.

 

Hoor het Woord van onze God! Ik bedien u het Evangelie uit Genesis 14, daarvan het 18e vers:

 

En Melchizédek, koning van Salem, bracht voort brood en wijn; en hij was een priester des allerhoogsten Gods.

 

We letten op: Melchizédek, een type van de komende Christus.

 

1. Als koning. Dat leest u in het eerste gedeelte van de tekst. Zijn naam is Melchizédek en hij is koning van Salem.

2. Als priester. Want er staat dat hij brood en wijn voortbracht en dat hij een priester van de allerhoogste God was. 

 

1. Als koning

 

Gemeente, om de tekst goed te kunnen begrijpen is het natuurlijk altijd belangrijk om te kijken naar het verband waarin de tekst staat. Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat dat minder belangrijk lijkt in onze tekst. Want zomaar als uit het niets komt Melchizédek naar voren. Er is helemaal geen aanleiding toe, althans die wordt niet in de Bijbel vermeld. Je zou zeggen: geen inleiding, geen uitleiding, geen afronding. Het houdt ook zomaar weer op na hoofdstuk 14. Als uit het niets komt Melchizédek op de aarde. Vat dat natuurlijk niet letterlijk op, want hij was een mens die daar leefde. Maar zomaar ineens staat er: En Melchizédek...

 

Toch is het van belang – hoewel het niet direct in verband staat met onze tekst – om het voorafgaande even onder onze aandacht te brengen. Want er gebeurt natuurlijk niets buiten Gods voorzienigheid. Alle dingen die in ons leven gebeuren hebben een bedoeling. Daarmee heeft de Heere een plan. Daardoor vervult God Zijn raad. Ook de goddeloze, zegt Salomo, tot de dag van het kwaad (Spr. 16:4). Zelfs ook de zonde, hoewel de Heere die niet werkt.

Dus heeft ook onze tekst een geweldige betekenis. Juist doordat het lijkt alsof zij zomaar ineens onder onze aandacht wordt gebracht. Want het heeft de Heilige Geest goed gedacht om hier in de Bijbel te vermelden wat daar zomaar tussen alle bedrijvigheid door gebeurt.

Eigenlijk zou je zeggen dat, als je op je in laat werken wat hier allemaal staat, er nauwelijks plaats en nauwelijks tijd voor Melchizédek was. Het gaat nergens over hem in de voorafgaande hoofdstukken en ook niet in de navolgende hoofdstukken. Wat is het verband eigenlijk met wat er allemaal gebeurt?

 

Allereerst wil ik u wijzen op hoofdstuk 12. Daar staat in mijn Bijbel boven het eerste gedeelte: Abrams roeping. Daar roept de Heere Abraham uit de macht van de duisternis tot Zijn wonderbaar genadelicht. Abraham komt uit dat ver gelegen Ur van de Chaldeeën, een heidens land, heel ver bij Israël vandaan. Meer dan duizend kilometer afstand was er tussen Kanaän en Ur. Haran was een land waar Chaldeeën woonden. Heidenen, mensen die naar God niet vroegen, mensen die de Heere niet kenden, mensen die vijanden van God waren.

Of moet je zeggen: ‘Daar woon ik eigenlijk ook. Eigenlijk is mijn woonplaats daar in Ur of in het land van de Chaldeeën of in het land van Haran’? Haran, het land waar God niet wordt geëerd, maar waar de duivel wordt aanbeden. Een land van sterrenkunde als godsdienst. De Chaldeeën zijn daardoor in later tijd buitengewoon beroemd geworden.

Haran was een land van allerlei afgoderij. Een land van, zo leek het wel, toeval en lot. Het werpen van het lot en het voorkomen van toeval. Een land waar de raad van de Heere niet wordt aanbeden, maar doodgezwegen. Een land waarvan Paulus later zou zeggen: ‘Er is niemand die naar God zoekt, er is er niet één die rechtvaardig is, en die verstandig is, en er is niet één die goed doet.’

Jongens en meisjes, in zo’n land woonde Abraham! Hij was één van hen. Hij was niet anders dan die heidenen, dan die goddeloze mensen die de Heere niet kenden. En opeens klonk daar op Gods tijd en op Gods wijze de stem van de Heere: Abraham, ga gij – heel persoonlijk dus – uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land dat Ik u wijzen zal (Gen. 12:1). De Heere geeft hem dan allerlei beloften: Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen en uw naam groot maken (Gen. 12:2). Ik zal zegenen die u zegenen (Gen. 12:3). Ik zal met uw geslachten zijn. Ik zal voor u zorgen.

 

Dan gaat Abraham op weg. Vijfenzeventig jaar oud, een oude man, naar het land dat de Heere hem aanwijst. We zien hier Abrahams bekering, Abrahams roeping, met hoofdletters. Geroepen uit de macht der duisternis en gebracht in het Koninkrijk van Gods genadelicht. Daar heeft Abraham de God van het verbond leren kennen. En oudtestamentisch ook de Middelaar van dat verbond, de Heere Jezus Christus.

Hij is op dezelfde wijze gezaligd als de nieuwtestamentische gelovigen. Hij heeft niet minder kennis gehad van de drie-enige God. Hij heeft niet minder geloofsvertrouwen beoefend. We lezen dat in de hoofdstukken die volgen. Hij heeft niet minder bescherming genoten. God was zijn God. Abraham wordt een vriend van God genoemd.

Bent u dat ook? Of jij? Kunnen we het vandaag van u of van jou of van mij zeggen, een vriend of een vriendin van de Heere te zijn? Over Abraham lees je dat in de Bijbel.

Er lag een erg nauwe band tussen Abraham en de Heere. Dat blijkt wel uit alles wat er in Zijn leven gebeurt. Natuurlijk was het niet altijd makkelijk en het leek wel alsof hij met alle beloften in de dood zou eindigen. Alsof er nooit iets van terecht zou komen. Alsof de Heere geen waarachtige God was. En satan deed er alles aan om hem dat wijs te maken. Sara, zijn vrouw, twijfelde er ook zo vaak aan. Maar God was zijn God en de Heere Christus zijn Zaligmaker en de Heilige Geest zijn Vertrooster. Wat was Abraham gelukkig! Vader aller gelovigen, wordt hij genoemd in het doopformulier, in het Nieuwe Testament en in de belijdenis.


Dan lezen we in hoofdstuk 13 over Lot, ook een kind van God, ook een man die de Heere diende. Ook iemand die uiteindelijk gelukkig was, zeker na zijn sterven.

Maar Lot had een heel ander leven dan Abraham. Hij was een neef van Abraham. We weten wat er gebeurd is als Lot kiezen moet waar hij wonen wil. Zijn ogen vallen op de vruchtbare vlakte van Sodom. Zeg maar, op de zonde. Het zondige land van verleiding en wellust, van homoseksualiteit, van geweldige vloekende zondaren tegen God. Dáár kiest hij zijn woonplaats. En ja, gemeente, dan trekt de Heere Zich terug, dan lijkt het net of Lot aan zijn eigen lot wordt overgelaten.

In het Nieuwe Testament lezen we bijna alleen maar op een negatieve wijze over Lot. Over het kwellen van zijn ziel in Sodom. Over het ‘gedenkt aan de vrouw van Lot’, die een zoutpilaar werd. Over de dagen van Lot waarin met at en dronk en ten huwelijk gaf en nam en de Heere vergat. Lot was een kind van God, maar wat heeft hij een donker leven gehad!

Hoe het eindigt weten wij. Want je leest dat Sodom door de Heere wordt omgekeerd. En Lot vlucht weg; hij wordt eruit gehaald. Zijn vrouw blijft ergens halverwege staan, kijkt terug, verschrompelt, en vindt de dood. Zij stond na haar sterven overeind als een zoutpilaar.

Wat er verder gebeurt is nog erger, dat is het laatste wat we over hem lezen. Hij komt in Zoar. Maar de mannen in Zoar waren grote zondaars tegen de Heere en hij moet ook die stad weer verlaten. Ergens in de nacht in een spelonk vindt dan incest plaats, bloedschande, met zijn twee dochters. Later worden Ammon en Moab geboren.

Abraham en Lot… Wat een verschil tussen twee kinderen van God. We mogen onszelf wel onderzoeken hoe ons leven is. Zeker, ze juichen voor de troon van God. Maar wat heeft Lot moeten inleven dat de gevolgen van de zonde zo wrang waren.

 

Wat heeft dit nu met de tekst te maken? Nou, toen Lot in Sodom woonde, brak er oorlog uit tussen negen koningen; vijf tegen vier. Vijf onder leiding van de koning van Sodom en vier onder leiding van Kedor-Laómer. Die laatste had het gewonnen. Dus de koning van Sodom werd overwonnen, hoewel nog niet gedood. De steden Sodom en Gomorra werden geplunderd. De koningen van Sodom en Gomorra vluchtten en Lot werd gevangen genomen, ontvoerd.

Dat alles werd Abram aangezegd. Dan neemt hij 318 mensen uit degenen die bij hem waren en hij verslaat koning Kedor-Laómer. Hij neemt het op voor de koning van Sodom. Niet vanwege de zonde, maar vanwege Lot. De Heere heeft ook aan Lot willen denken. Abram brengt hem terug in Sodom. Helaas weer terug naar de stad van zonden.


Dan zijn we bij vers 18: En Melchizédek… Gemeente, wat tekent de tekst die voor ons ligt het verschil! Het verschil tussen het leven uit God op de hoogten van het geloof zoals Abraham en Sara, en het leven van Lot in de kolken in de zonden.

Wat maakt nu het verschil uit?

Die meerdere, die grotere, die komende Melchizédek!

 

En Melchizédek, koning van Salem.

Ieder woord, jongens en meisjes, is door de Heilige Geest geïnspireerd. Dus ook dit ene kleine woordje ‘en’. De vertaling is dan ook zeer correct: En Melchizédek.

Het ging eerst over de koningen van Sodom en Gomorra en Kedor-Laómer. Al die negen goddeloze koningen. Ook over een kind van God dat ver van zijn plaats en zijn Koning vandaan was: Lot. Tussen al die namen van Elam, Tídeal, Amrafel, Arioch, Ellasar, noem ze allemaal maar op. Allemaal goddeloze mensen.

En Melchizédek. Nu valt het licht op een kind van God. Ik hoef niet allerlei theorieën en theologische bespiegelingen te houden dat Melchizédek een mens was en niet de Heere Jezus. Er zijn verklaringen die in die richting wijzen. Maar dat is duidelijk te weerspreken, omdat er staat: koning van Salem.

De Heere Jezus verschijnt af en toe als een engel of in de gedaante van een mens in het Oude Testament en ook later in het Nieuwe Testament in visioenen. Maar dat was hier niet het geval. Melchizédek was een mens van vlees en bloed. En gezien het feit dat hij in de Bijbel zeven maal wordt aangehaald – in het Oude Testament één maal in de Psalmen, en in het Nieuwe Testament zes maal – en dan op een hele eerbiedige, positieve en godvrezende manier, mogen we met zekerheid aannemen dat hij een kind van God was. De Heere Jezus wordt zelfs met hem vergeleken.

 

De naam Melchizédek wordt zomaar genoemd. Mag je je eigen naam er ook invullen?

Vul die maar in gedachten even in. Waar zou jouw naam dan staan?

In het rijtje van al die koningen uit de eerste 17 verzen van Genesis 14? Of tussen de namen Melchizédek en Abram in de verzen 18 en 19?  

 

In het leven van Melchizédek was genade verheerlijkt. We weten niet hoe oud hij was toen hij de Heere leerde kennen en toen hij de zaligheid uit Christus heeft ontvangen, en toen hij een schuilplaats vond in de geopende wonden van het komende Lam van God Dat beloofd was.

Maar, gemeente, dat doet er uiteindelijk ook niet zoveel toe. Het belangrijkste is dat we weten dat we een kind van God mogen zijn. Of weet u dat niet? Dan zou ik maar heel veel haast maken met het werk van je bekering voordat het eeuwig te laat zal zijn. Want God weet het als je dat niet bent. Dan zal Hij zeggen: Doch deze Mijn vijanden, die niet hebben gewild dat Ik over hen Koning zou zijn, brengt ze hier en slaat ze hier voor Mij dood (Luk. 19:27).

 

Melchizédek is een kind van God. De eerste twee lettergrepen ‘Melchi’ betekenen vanuit het Hebreeuws: koning. ‘Zedek’ betekent: gerechtigheid, van ‘tzadiek’, recht. Koning van het recht. Dat zegt niet alleen veel over Melchizédek zelf – hij deed, hij handelde naar recht, hij had het recht lief, en hij had de leugen leren haten – maar het zegt nog veel meer over zijn verhouding tot God.

Die rechte verhouding met de Heere was in zijn leven gekomen. De Heere had zijn zonden van voor Zijn aangezicht weggedaan. Welgelukzalig de man – ook Melchizédek – wiens overtreding vergeven, wiens zonden bedekt zijn (Ps. 32:1).

 

U leest ook dat hij een koning van Salem is, Jeruzalem. Salem betekent ‘vrede’. Het komt van het woordje ‘sjaloom’. Melchizédek woonde daar. Daar was hij koning. Een burgemeester, zeggen wij vandaag de dag.

Mechizédek woonde en regeerde daar, waar de Heere woonde. De plaats waarvan de Heere zeggen zal in de Psalmen: En in Salem is Zijn hut, en Zijn woning is in Sion (Ps. 76:3). O, wat een gelukkig volk is het dat wonen mag in de voorhoven van de Heere, het volk dat in het huis van God mag wonen. Welgelukzalig is hij dien Gij verkiest en doet naderen, dat hij wone in Uw voorhoven (Ps. 65:5).

 

Jongens en meisjes, wie woonden daar nog meer? Denk maar aan Kerst in de tempel in Jeruzalem. Kijk, we zien ze in gedachten aan komen. Anna, een hele oude vrouw, misschien wel strompelend. Zij is 84 jaar oud, of zoals je het ook kunt vertalen, 84 jaar weduwe geweest. Zeg maar zo’n 100 jaar oud misschien. En die man, misschien ook wel oud, Simeon. Hij was in elk geval aan het einde van zijn leven.

Beiden woonden als het ware in de tempel. Zij hadden hun plaats nooit leeg gelaten. Ze verkeerden daar, waar de Heere woont. Ze waren verlangend, uitziend, verwachtend, vervuld met heilbespiegelingen, om het schoonste lied van hun Koning te gaan zingen.

Zeker, het waren zondaren uit Adams geslacht. En ook voor hen gold wat wij belijden: dat we ‘gans verdoemelijk voor God zijn en gevallen in zonden en misdaden’. Maar zij waren gezaligd door het bloed van het Lam.

 

Melchizédek, koning van het recht, in de rechte verhouding tot God. Koning van vrede; de Heere had vrede in zijn hart uitgestort.

Gemeente, nu een heel eerlijke vraag: Is die vrede van God ook in uw hart uitgestort? Ken je ook iets van die vrede, van die Vredevorst? Want we leven toch wel in een gruwelijke wereld, of niet? Een wereld van IS. Als je die letters intypt op internet, dan krijg je miljoenen hits. Als je er over nadenkt wat er gebeurt in de wereld om ons heen en waar het naartoe gaat, waar is dan je hoop en verwachting? Nee, ik ben geen pessimist, maar als we realistisch kijken naar de wereld om ons heen, waar is dan je hoop en verwachting?

Als je terugdenkt aan de dagen waarin Jezus geboren werd, toen was er in het rijk van Augustus sprake van een wrede overheersing. Het leek allemaal wel een vrederijk; het wás het oppervlakkig ook wel, maar het was een rijk van zonde, van afval, van goddeloosheid.

Maar vrede met God, kent u daar iets van? Als u nu denkt aan uw laatste ogenblik, wanneer u sterven gaat, is er dan geloof in uw hart en vertrouwen in uw ziel gewerkt door die God in Zijn genadige en eeuwige liefde? Geloof, verdiend door de Heere Christus aan het kruis en toegepast door de Heilige Geest?

Is het zo dat u zeggen mag: ‘Heere, daar ken ik nu iets van in mijn leven. Dat de gerechtigheid en de vrede elkaar hebben gekust, en de goedertierenheid, de vrede en de waarheid elkaar hebben ontmoet. Dat die Vredevorst Zich aan mijn hart heeft bekendgemaakt. Een leven midden in de oorlog waaraan ik ontdekt ben door het werk van Gods Heilige Geest’?


Melchizédek… Waarom deze tekst op deze adventszondag?

Wel, gemeente, elke maal van de zeven keren dat hij wordt aangehaald in de Psalmen en in het Nieuwe Testament wordt hij vergeleken met de Heere Jezus. Hij is een type van Christus. Er was niet alleen persoonlijke en ambtelijke genade, wat als het goed is elke ambtsdrager heeft, maar er was ook iets wat vooruitwees. Ik noem dat profetische genade.

Hij was een type van de Heere Jezus Christus. Waarin dan?

Allereerst als koning. Ik wil er drie dingen kort van zeggen. Eerst dit: Melchizédek, we hoorden het al, is koning van de gerechtigheid. Zo wijst hij vooruit op de Koning Die komen zou. Die Zich van eeuwigheid had aangeboden in de raad van vrede: ‘Vader, Ik kom om Uw welbehagen te doen, en Uw wet is in het binnenste van Mijn ingewand. Ik draag Uw heilige wet, en Ik zal die wet onderhouden en Ik zal in de weg van lijden en sterven die gerechtigheid, dat recht, verdienen. Ik zal aan dat recht van God voldoen. Ten dage als de mens daarvan eet moest hij immers de dood sterven? Ik zal het recht van God opluisteren en de geschonden eigenschappen van de Heere herstellen. Ik zal Mijn leven aan het kruis geven en het laten verbreken; Mijn bloed vergieten tot volkomen verzoening van rechtelozen.’

 

Wat betekent ‘gerechtigheid’? Het woordje ‘tzadik’ of ‘tzedek’ in het Oude Testament,  of zoals er hier staat: ‘zedek’, kan allerlei dingen betekenen. Maar de diepste betekenis, bezien in het licht van het kruislijden van Christus en de komst van Immanuël, is dat de verhouding tot God wordt hersteld. Die verhouding is niet recht, maar zij is geschonden, krom.

Eigenlijk moet ik zeggen dat die verhouding er niet meer is. De Koning van gerechtigheid zal moeten ondergaan in het rechtvaardig oordeel van God, in die straffende, wrekende en oordelende gerechtigheid. Hij zal om aan dat recht te voldoen, Zijn bloed vergieten en Zijn lichaam laten verbreken om die verhouding tussen Zijn Vader en Zijn volk te herstellen. Ziet u, Hij gaat ten onder, onder het oordelende recht, het straffende recht, dat we samen verdiend hebben vanuit het paradijs en door onze dagelijkse zonden. Door het ondergáán van dat straffende recht heeft Hij het vrijsprekende recht verdiend, en zal Hij de geschonden verhouding tussen God en Zijn volk herstellen.

Zo worden zondaren in eer hersteld. Net als Melchizédek Abram vereerde en zegende. Ligt u gebogen onder de last van uw zonden en de last van het onrecht? Ik wijs u op deze gezegende Rechtvaardige. Indien wij gezondigd hebben, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, zo zal later de apostel Johannes vol verwondering uitroepen. Een Voorspraak, Jezus Christus, de Rechtvaardige (1 Joh. 2:1). De Koning van gerechtigheid is de Koning van het recht zelf. En dat rechtvaardige Offerlam kan ons reinigen van al onze zonden. Daar moet het vanuit advent naartoe. Van de kribbe naar het kruis.

 

Het tweede dat ik over Mechizédek als type van Christus wil zeggen: Hij stond bóven Abram. U leest het in vers 19: Hij zegent hem. En in vers 20 leest u verder over die zegen. De schrijver van de brief aan de Hebreeën schrijft erover in het zevende hoofdstuk: Hetgeen minder is – Abraham – werd gezegend van hetgeen meerder is – Melchizédek.

Dat wil niet zeggen dat een mens als ambtsdrager méér is omdat hij u aan het begin en aan het einde van de dienst mag zegenen, maar wel dat het ambtelijke van Melchizédek op dit ogenblik boven het persoonlijke van Abram staat.

Wat is dit een prachtig beeld om ons te verwijzen naar die meerdere Melchizédek. Later zal de schrijver van de Hebreeënbrief zeggen: ‘Hij die is naar de ordening van Melchizédek zal Zijn volk zegenen met vrede.’ Zo staat die Koning boven Zijn kinderen. Zo regeert Hij hen ‘rechtvaardig, wijs en zacht’. Dat is het juk van Koning Jezus.

Nee, Hij kwam niet om te heersen, maar om te dienen en om Zijn ziel te geven tot een rantsoen, een losprijs, een verlossingsprijs, voor velen. Kinderen van God, die Koning moge ons wel meer en meer Hem doen volgen. Hij is een Koning Die bóven Zijn kinderen staat.

Melchizédek, koning van vrede, koning van gerechtigheid en koning van Salem.

Laten we ons ook door Hem regeren? Als het nu gaat over dat koninklijke juk van Koning Jezus, jongelui, ouderen, ben je er nog vreemdeling van, een vijand? O, die Koning komt vandaag zo heel dicht naar ons toe. Hij zegt: ‘Jongen of meisje, geef Mij je hart! Ouderen, buig en verneder je voor Mij. Kom tot Mij en leef! Bekeert u, gelooft het Evangelie! Ik ben een goede Koning, Ik ben een barmhartige Koning, Ik ben een genadige Koning, Ik ben een almachtige Koning. Ik kan doen voor u en voor jou wat je zelf niet doen kunt.’

 

Het derde dat ik nog over Melchizédek wil zeggen dat hij een koning is van ‘sjaloom’; een koning van vrede.

Gemeente, zit u in de kerk als iemand die haakt naar de vrede? Die er naar verlangt, die ernaar hunkert, die er naar uitziet? En getuigt alles tegen u? Moet je zeggen: ‘Bij die kribbe zal ik wel nooit meer komen’?

Ik verkondig u deze Koning, ik proclameer u deze Zaligmaker Die vanuit het Woord van God ook vandaag naar ons toekomt met de klederen van het heil. Ik kan me nog  voorstellen dat u zegt: ‘Ja, zo’n Koning van recht, als ik naar mijzelf kijk verschrikt mij dat, dan durf ik niet tot Hem te gaan. Hij zal mij verstoten, want Hij is een Koning van recht.’

Maar gemeente, Hij is ook een Koning van vrede. Zo een Zaligmaker behoeft ons niet te verschrikken. Hij zegt zo liefdevol tegen ons allen: ‘Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen, want Ik heb die vrede verdiend die al het verstand te boven gaat.’ Vat u het nog?

Een vrede die onbevattelijk, onbegrijpelijk en ondoordringbaar is.

Een vrede die de hoogte en de diepte van bergen en zeeën te boven gaat.

Vrede die tot vrede leidt.

Kom dan en leef!

 

We gaan nu eerst de verzen 1 en 4 van Psalm 72 zingen:

 

Geef, Heer’, de Koning Uwe rechten,

En Uw gerechtigheid

Aan ’s Konings Zoon, om Uwe knechten

Te richten met beleid.

Dan zal Hij al Uw volk beheren,

Rechtvaardig, wijs en zacht;

En Uw ellendigen regeren;

Hun recht doen op hun klacht.
 

’t Rechtvaardig volk zal welig groeien;

Daar twist en wrok verdwijnt,

Zal alles door de vrede bloeien,

Totdat geen maan meer schijnt.

Van zee tot zee zal Hij regeren,

Zover men volken kent;

Men zal Hem van d’ Eufraat vereren,

Tot aan des aardrijks end.
        

Gemeente, het gaat over Melchizédek als een type van de Heere Jezus, van de komende Christus. Ten eerste hoorden we dat Hij dat als koning is, en nu ten tweede:

 

2. Als priester

 

Dit punt vraagt wat minder tijd omdat we nu het tekstverband er niet bij hebben, en omdat het ook uit het eerste opkomt.

Melchizédek was een koning, maar ook een priester. Want hij bracht voort. Het betekent eigenlijk zoiets als: hij nam met zich mee, hij gaf. In dogmatische woorden gezegd: hij openbaarde zich, hij paste toe.

Het Evangelie is ruim, het wordt ons aangewezen en aangeprezen, en de Koning wordt ons aangeboden. Hij biedt Zichzelf aan. Hij biedt ons Zijn vriendschap aan. Maar, gemeente, het moet worden toegepast. Het moet mijn deel worden. Dat staat zo duidelijk in de woorden: Hij bracht voort.

 

Je zou het eigenlijk in drie dingen kunnen noemen.

Melchizédek heeft het zelf verdiend; brood en wijn waren zijn eigendom.

Hij neemt het met zich mee.

En hij geeft het aan Abram.

Die drie dingen behoren precies tot het priesterlijke werk van de Heere Jezus.

 

Hij heeft het Zelf verdiend aan het kruis, toen Hij stervend uitriep: Tetelestaï – Het is volbracht! (Joh.19:30). Eigenlijk staat er: het is volkomen af. Tetelestaï – volkomen af! Het is helemaal klaar. Er hoeft niets meer bij. Die verzoening van zonden, die zaligheid, die heb Ik verdiend, die heb Ik aangebracht, dat is Mijn werk.

Gemeente, die vernedering begon eigenlijk al in de kribbe, waarin Hij direct na Zijn geboorte gelegd werd. Je zou verwachten in een koninklijk paleis, in een paleis van Herodes, in het paleis van keizer Augustus in Rome. Maar nee, Hij werd in een eenvoudige kribbe gelegd. In dat benedenvertrek van die herberg, waar de dieren stonden. De bovenvertrekken waren allemaal vol. Daar was geen plaats. De enige plaats die er over was, daar onder in die herberg, was die beestenstal. Daar begon Hij het al te verdienen.

 

Toen is Hij gekomen en Hij bracht al die schatten met Zich mee. Hij openbaart Zich hun. Hij schenkt Zich aan hen weg. Hij zegt: ‘Nu ben Ik het Die gekomen is van Edom, in Mijn heerlijkheid van de opstanding, met besprenkelde klederen, met rood bespatte klederen van Bozra, waar het bloed van al Mijn vijanden op zit. Ik ben de Overwinnaar, de Opstanding en het Leven.’

De kribbe spreekt ook al van het zwaard. Het zal klinken tijdens die tempelontmoeting met Simeon: ‘Maria, een zwaard zal door uw ziel gaan.’ Gemeente, dat heeft Hij meegebracht; zo komt Hij naar hen toe. Als een priester, net als Melchizédek die brood en wijn met zich meenam en zich aan Abraham bekendmaakte.

 

Dat laatste doet Hij nu ook. Hij heeft het niet alleen verdiend en meegebracht; als Jezus komt heeft Hij, met eerbied gezegd, Zijn hele handen vol, Zijn hele hart gevuld en Zijn mond vol van vrede en van zaligheid: ‘Mijn zoon, uw zonden zijn u vergeven, sta op en wandel en zondig niet meer.’ Dan gaan Zijn handen open, dan vloeit er bloed uit dat drupt op uw ziel.

 

Brood en wijn… Dat was gewoon en gebruikelijk voedsel en drank in het Oosten. Wijn met veel water vermengd, een soort druivensap. Men gebruikte dat vooral tijdens een duurder maal, een feestmaal. Brood en wijn. Het is aan de ene kant het gebruikelijke dat met at en tegelijkertijd het dure dat men dronk. Het is gewoon en tegelijk zo ongewoon. Het is gewoon in de zin van dat er geen ander levend brood is dan dit. Het is niet het bijzondere van de wereld en het buitengewone van de godsdienst. Maar het gewone is verworven door het Lam en het is tegelijkertijd zo bijzonder. Zo vol van wonderen.

Wijst dit oudtestamentische niet al op het kruis van Golgotha? Het kruislicht valt over de kribbe, en ook over Abram en Melchizédek. Op Golgotha, waar Zijn lichaam verbroken en Zijn bloed vergoten zou worden. Hij bracht voort, Hij had het verdiend, Hij nam het mee en Hij past het toe. Hij geeft het hem. Brood en wijn.

 

En hij was een priester van de allerhoogste God. Waarom staat dat hier?

Wij zouden kunnen zeggen dat hij als een koning brood en wijn meeneemt. Zeker. Zo’n koning bezat een hoop goederen en veel geld. Hij was een soort burgemeester die  deelde in de rijkdom van die stad Salem.

Het is niet de minste stad waarover gesproken wordt. Maar nu valt er alle nadruk op dat hij dat als een priester meebrengt. Dus, gemeente, hij geeft dat brood en die wijn niet in de eerste plaats omdat hij dat kan doen als een almachtig koning, nee, maar hij geeft al die goederen omdat hij dat doen wil als een barmhartig, mededogend en ontfermend priester.

Jezus’ priesterhart gaat daar open, drieduizend jaar geleden in het Oude Testament, als Melchizédek zijn handen opent en brood en wijn geeft. Daar wordt het duidelijk: hij was een priester van de allerhoogste God, Die de wereld alzo lief gehad heeft dat Hij met dat volkomen priesterschap Zijn geliefde Zoon geschonken heeft.

 

Gemeente, nog één ding wordt altijd benadrukt als het over Melchizédek gaat: Hij had geen begin en einde, zo staat er. Dat betekent dat we Hem niet kennen vanuit Zijn voorgeslacht. U leest niet over zijn vader of moeder of opa of oma of wie dan ook. En we lezen ook niets over zijn nageslacht. Het lijkt net alsof hij er altijd al was. Het lijkt alsof hij altijd al koning en priester was, en dat ook altijd blijven zou. Je leest niet over zijn dood en zijn begrafenis.

Hierop doelt de apostel Paulus – hij was zeer waarschijnlijk de schrijver van de Hebreeënbrief – in het Nieuwe Testament, wanneer hij zegt dat de Heere Jezus, net als Melchizédek, geen voorgeslacht had. Zo heeft Christus een onvergankelijk en altijd blijvend priesterschap; in de eeuwigheid van het verleden en in de eeuwigheid van de toekomst. Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen die door Hem tot God gaan (Hebr. 7:25).

Kinderen Gods, wat een troost als deze Melchizédek ons wijst op de onveranderlijke Priester, op onze Hogepriester, Die niet alleen in het uur van de Godsverlatenheid onze zaligheid op het oog had, maar dat ook nú nog heeft en ook altijd hebben zal. Wie u ook bent en waarvandaan u ook komt, ook al bent u nog onbekeerd, Hij stuurt u niet terug als u de toevlucht neemt tot die gezegende Hogepriester, de Zoon van God, zonder begin, zonder einde. Daarom kan Hij volkomen zalig maken.

O, Hij leeft nog. In de hemel gaat Zijn priesterlijk werk nog door als Hij leeft om voor ons te bidden, zegt de apostel. Altijd leeft! En daarom hoeft er niemand te wanhopen die het van deze Priester verwacht.

 

Ik wil u wat voorlezen uit ‘De Redelijke Godsdienst’ van Wilhelmus á Brakel, luistert u maar goed: ‘Deze algenoegzame God richt een verbond op met de mens aan wie alles ontbreekt. O, hoe gelukkig is hij die met deze God in een verbond staat. Wie zou het weigeren met Hem in een verbond te treden? Wie wordt niet gedrongen dit op staande voet te doen? Het smart ons dat velen altijd een verkeerde indruk van God hebben. Zij denken dat de goede God hard en onbarmhartig is. Zo bidden ze en hebben weinig hoop op verhoring. Zo doet men God oneer aan en men bederft zichzelf. De andere partij van dat verbond is de mens. Totaal ellendig, zondig, verdoemelijk, onmachtig. Laten engelen en mensen verbaasd staan dat de hoge, heilige, majesteitelijke God zulke vuile, zondige en onnutte schepselen in zulk een nauw vriendschapsverbond opneemt, en daardoor tot de zaligheid leidt. De Heere zal niemand verstoten die door Christus tot Hem komt. Al bent u al zoveel jaren deze vriendelijke aanbieding ongehoorzaam geweest. Al is uw hele leven tot nog toe niet anders dan zonde geweest. Al zijn er gruwelen bedreven. Al bent u tot op deze tijd toe een doodslager, een overspeler en hoereerder, een dief, een lasteraar, een leugenaar geweest. Als u maar uw zonde erkent, berouw hebt en lust hebt aan dit verbond in al zijn delen, en aan de Borg. Om alleen door Hem deze goederen deelachtig te worden. Wees dan niet moedeloos. Er is hoop! Kom maar, want de Heere zal u zeker niet verstoten maar aannemen.’ Tot zover á Brakel.  

 

Gemeente, die evangelienodiging komt vanuit die Hogepriester, de Priester van de allerhoogste God. Vanuit die Melchizédek, die Koning van recht en Koning van Salem, vanuit Zijn liefdeshart tot ons allen.

Bekeert u en gelooft dat Evangelie!

Het leven en de dood heb ik u voorgesteld. Kies dan het leven, gij en uw zaad, opdat gij leeft!

 

Amen.

 

 

Slotzang. Psalm 68: 14

 

Uw God, o Isrel, heeft de kracht
Door Zijn bevel u toegebracht.
O God, schraag dat vermogen.
Versterk, hetgeen Gij hebt gewrocht,
En laat Uw hulp, door ons verzocht,
Uw volk voortaan verhogen.
Dan passen, Uwen Naam ter eer,
Om Uwes tempels wil, o Heer’,
De vorsten op Uw wenken;
Zij zullen U van alle kant;
Zelfs uit het allerverste land,
Vereren met geschenken.