Ds. P. van Ruitenburg - 2 Samuël 7 : 25

Het adventsgebed van David

Het woord wordt gesproken
Het woord wordt afgebeden
Het woord wordt vervuld

2 Samuël 7 : 25

2 Samuël 7
25
Nu dan, HEERE God, doe dit woord, dat Gij over Uw knecht en over zijn huis gesproken hebt, bestaan tot in eeuwigheid, en doe, gelijk als Gij gesproken hebt.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 89: 13, 15
Lezen : 2 Samuël 7
Zingen : Psalm 40: 1, 3
Zingen : Psalm 119: 25
Zingen : Lofz. v. Zacharias: 1

Het Schriftgedeelte waarbij wij u willen bepalen, kunt u vinden in het u voorgelezen Schriftgedeelte, 2 Samuël 7 en daarvan vers 25:

 

Nu dan, Heere God, doe dit woord dat Gij over Uw knecht en over zijn huis gesproken hebt, bestaan tot in eeuwigheid; en doe gelijk als Gij gesproken hebt.

 

Wij zien in dit tekstgedeelte: Het adventsgebed van David.

 

Wij letten op een drietal gedachten:

1. Het woord wordt gesproken (vers 25 noemt dat tweemaal: Dat Gij over Uw knecht en over zijn huis gesproken hebt, en: Doe gelijk als Gij gesproken hebt)

2. Het woord wordt afgebeden (wij lezen: Nu dan, Heere God, doe dit woord bestaan tot in eeuwigheid; en doe gelijk als Gij gesproken hebt)

3. Het woord wordt vervuld

 

1. Het woord wordt gesproken

 

De Heere heeft gesproken tot David, door middel van de profeet Nathan. Het was precies raak. Als de Heere met kracht spreekt in uw leven, dan zult u het nooit meer vergeten. Dat is bij David ook gebeurd. Hij is er diep van onder de indruk.

Het gebed waar we onze tekst uit genomen hebben, begint bij het achttiende vers. In dat gebed noemt hij het wel vijfmaal: Dat Gij gesproken hebt. De Heere heeft gesproken. In vers 25, dat kleine vers, noemt hij het al tweemaal: Dat Gij gesproken hebt. David is er vol van. De Heere heeft wat tegen hem gezegd en daarop gaat hij dat gebed tot de Heere zenden.

 

Wat is er dan gebeurd?

Koning David was koning geworden, eerst over het zuidelijke rijk en later ook over het noordelijke rijk, dus uiteindelijk over geheel Israël. Koning David had alle vijanden die Israël altijd dwars zaten, verslagen. Koning David had Jeruzalem op de Jebusieten veroverd en had van die prachtige stad zijn hoofdstad gemaakt, zijn residentie. Koning David had de ark, die nog in Silo stond, opgevoerd naar Jeruzalem. Eerst stond de ark enige tijd in het huis van Obed-Edom. We zien in één van de vorige hoofdstukken dat David, huppelend voor de ark, die ark in de Godsstad Jeruzalem inbrengt. Hij heeft voor zichzelf een prachtig paleis in Jeruzalem laten bouwen. Daar woont David dan.

En als David zo rust heeft van al zijn vijanden rondom, dan is David aan het nadenken gegaan. Hij heeft beseft dat er iets moet gebeuren. Híj woont in een cederen huis, en de ark Gods woont onder gordijnen, onder wat tentdoeken. Uit de liefde van zijn hart komt er in David een gedachte op om voor de Heere een tempel te bouwen. Wat zal dat een schitterend paleis worden voor de Heere der heerscharen! Vanuit de liefde van zijn hart wil David wat voor de Heere gaan doen.

Maar David gaat niet gelijk aan de slag. Hij haalt er eerst een profeet bij, Nathan. Hij legt hem zijn zaken voor. We hebben met elkaar gelezen dat de profeet Nathan zegt: Ga heen, doe al wat in Uw hart is, want de Heere is met u. We kunnen het de profeet Nathan ook niet kwalijk nemen dat hij gelijk de toestemming geeft, want in Deuteronomium staat reeds beschreven dat er één plaats zou komen waar de Heere gediend zou worden, in Jeruzalem, in die Godsstad. Daarop terugvallend heeft de profeet Nathan direct vanuit zijn hart gezegd: ‘Ga heen, doe al wat in Uw hart is, want de Heere is met u. Dat is naar het Woord!’ En wat lag er nog meer voor de hand dan dit, dat David voor de Heere een tempel ging bouwen, een vast onderkomen voor de ark Gods?

 

David is er blij mee geweest dat Nathan zijn instemming heeft betoond. Een tevreden gevoel is over hem gekomen. Met enige zelfingenomenheid zal hij zich nu ter ruste begeven. Nu gaat hij wat voor de Heere doen.

De volgende dag staat plotseling Nathan weer voor hem, omdat in de nacht een gezicht tot Nathan is gekomen. Dan gaat die profeet het woord spreken: Zo zegt de Heere. Wat de profeet Nathan dán gaat zeggen, daar wordt David zo vervuld van, dat hij er een gebed op doet volgen. Daar gaat de Heere spreken bij monde van Zijn knecht en daar wordt het woord zo persoonlijk in Davids leven toegepast.

Wat heeft Nathan dan gezegd? Waar is David zo van onder de indruk? De profeet Nathan heeft drie dingen gezegd, die we achtereenvolgens kort met u willen bezien.

 

Allereerst kunnen we lezen: Zo zegt de Heere: Zoudt gíj Mij een huis bouwen tot Mijn woning? Dan wordt David aangewezen, David met zijn zelfingenomenheid. Daar gáát hij! Hij bedoelde het zo goed. Hij wilde wat voor de Heere gaan doen. En nu gaat de Heere zeggen: ‘David, zoudt gíj Mij een huis bouwen? Denk je nu werkelijk, David, dat Ik van jou wat nodig heb? Weet je wel dat je een mensenkind bent en dat Ik de Heere der heerscharen ben, Die in geen huis op deze aarde wonen kan?’

Zoudt gíj Mij een huis bouwen? Het woordje ‘gij’ staat in het oorspronkelijke vooraan in de zin. ‘Gij? Zoudt gíj Mij een huis bouwen tot Mijn woning?’ De Heere weet wel wat voor Zijn kinderen nodig is. Ze hebben telkens weer nodig dat ze op hun plek worden gezet.

Wat is het nuttig als we daar voor het eerst wat van leren, als de Heere een streep door onze godsdienst zet, door alles wat we hebben geleerd, door alles wat we hebben gevoeld, door alles waar we misschien Gods vinger in hebben gezien. Als er iets in ons hart was waardoor we dachten dat we toch wel wat voor de Heere aan het doen waren en dat de Heere zegt: ‘Een streep erdoor! Zoudt gíj Mij een huis bouwen tot Mijn woning?’

Wat is dat nuttig, als we dat bij herhaling leren, ook als ambtsdrager, dat de Heere je niet nodig heeft, maar best zonder je kan. Wat is dat nuttig, als Gods kinderen leren dat de Heere hen niet nodig heeft, maar dat de Heere ook best zonder hen kan.

De Heere weet wel hoe hij een mensenkind aan de grond moet krijgen en hoe Hij Zelf de eer moet krijgen in het leven, ook van Zijn kinderen. Nu gaat de Heere er voor zorgen dat Hij in het leven van David de eer zal ontvangen. En wil de Heere de eer ontvangen in het leven van Zijn kinderen, dan moet eerst de naam van Zijn kinderen in het stof. Zoudt gíj Mij een huis bouwen?

 

Dat is het eerste wat de profeet Nathan te zeggen had. En dan vervolgt de profeet. We kunnen het lezen in het achtste vers en volgende: Zo zegt de Heere der heerscharen: Ik heb u genomen van de schaapskooi, van achter de schapen, dat gij een voorganger zoudt zijn over Mijn volk, over Israël.

In het eerste wat de profeet Nathan zei, stond dat woordje ‘gij’ voorop. ‘Gij? Zoudt gíj Mij een huis bouwen?’ Nu staat het woordje ‘Ik’ voorop. ‘Zo zegt de Heere: Ik!’ Ja, het staat met nadruk: Ik, Ik heb u genomen van de schaapskooi, van achter de schapen, dat gij een voorganger zoudt zijn over Mijn volk, over Israël. ‘David, herinner je je het nog? Toen er een koning gekozen moest worden en de profeet in je vaders huis kwam, toen lieten ze jou daar gewoon op het veld, want ze dachten: Die hoeft in ieder geval geen koning te worden. Besef je nog wel dat je jezelf geen koning hebt gemaakt, maar dat Ik je van achter de schapen heb gehaald en dat Ik je een voorganger heb gemaakt over Mijn volk, over Israël?’

Eerst heeft de Heere gezegd: ‘Gij, daar is uw plaats.’ En nu gaat de Heere zeggen: ‘Ik, Ik heb het gedaan, David, en u hebt niets gedaan.’

Als u verder leest, staat er nog talloze keren ‘Ik’. ‘Ik ben met u geweest. Ik heb u een grote naam gemaakt. Ik heb voor Mijn Israël een plaats besteld. Ik heb u rust gegeven. Ik, Ik heb het gedaan, en niet gij, David.’

 

Wat is ook dat nuttig geweest voor David. Eerst wordt hem bij vernieuwing getoond wie hij zelf is, en nu gaat hij bij vernieuwing zien dat God de Majesteitelijke is, Die zeer hoog woont, maar Die ook zeer laag ziet in hemel en op aarde. Ziet u dat de Heere voor Zijn eigen naam en eer opkomt?

Wat zal David anders gekeken hebben dan de vorige dag. De vorige dag lag er een tevreden glimlach over zijn gezicht. Hij ging wat voor de Heere doen, in zijn godsdienst, in zijn vroomheid. Goed bedoeld, maar hij zat er met zichzelf tussen. En nu komt die boodschap des Heeren: ‘Gij? Nee, Ik!’ Zie dat gezicht van David eens. Vernederd is hij, niets in zichzelf. De Heere de hoogste plaats. Hij, David, in het stof, op zijn plaats gezet.

Wat heeft de Heere er veel werk aan, ook in het leven van Zijn kinderen, om dat bij vernieuwing te doen. Want David was wel een man met ontvangen genade, maar hij bleef wel een vlesen hart in zichzelf omdragen. En dat vlees wil dat ik een grote naam heb. Dat vlees wil dat ik het doen zal. En ook na ontvangen genade is het bij herhaling nodig dat de Heere ons tegemoet komt en dat de Heere brengt in het stof, aan Zijn Goddelijke voeten.

U zou het nooit meer vergeten, gemeente, als de Heere eens zo tot u sprak, als dat woord Gods zo eens door u verstaan werd. Dan zou u het weten dat de Heere gesproken heeft, want dan zou u op het diepst vernederd zijn en dan zou de Heere de allerhoogste plaats in uw leven krijgen.

Dat hoeft niet in één keer te gaan. Dat kan ook geleidelijk in uw leven komen, dat het Woord gezegend wordt, allengskens meer en meer kracht gaat doen. Maar áls dat Woord zo zijn kracht doet, dan zult u beven. Dan gaat uw naam er áán en dan wordt de Naam des Heeren de hoogste in uw leven.

 

Twee dingen zijn gezegd. Nu gaat de profeet Nathan nóg wat zeggen. David ís al zo gebroken. Davids naam ís al zo vernederd. Nu gaat de Heere David nog verder vernederen. In het elfde vers, het laatste gedeelte, begint het: Ook geeft u de Heere te kennen dat de Heere ú een huis maken zal.

Nu gaat Hij het anders doen. Nu gaat de Heere door Zijn liefelijke verkondiging van het Evangelie David nog meer aan de grond brengen. ‘Ik zal voor ú een huis bouwen, David. Dat huis dat u aan Mij wilde geven, heb Ik niet nodig, maar Ik zal voor ú een huis maken!’ O, wat komt de Heere hier David tegemoet met Zijn Evangelie!

De Heere gaat een huis maken voor David. Geen paleis, geen tempel, maar een nageslacht. En van dat nageslacht geldt dat de Heere de stoel van zijn koninkrijk zal bevestigen tot in eeuwigheid, zo hebben we gelezen. Davids zonen zullen koning zijn tot in eeuwigheid. Het is een voorrecht als u weet dat uw kinderen een goede positie zullen bekleden. Maar David ziet daar veel méér achter. Op zijn sterfbed komt hij er op terug. Daar in de verte ziet hij het gebeuren, dat Eén van zijn kinderen op de troon van Zijn vader David zal zitten. Dat zal de Heerser zijn over de mensen, de Rechtvaardige, een Heerser in de vreze Gods. David ziet dat er een Messias zal komen, gezalfd tot Koning, Profeet en Priester. Die zal op de troon van Zijn vader David zitten. Die Messias zal Eén van Zijn nakomelingen zijn.

 

Wat is David daardoor gebroken. Hij stond daar met lege handen, want de Heere had zijn handen leeggemaakt. Daar stond hij als een arme zondaar voor God, omdat de Heere had gezegd: ‘Gij? Zoudt gíj Mij een huis bouwen?’ Omdat de Heere had gezegd: ‘Ik ben het en niemand meer.’ En als David dan zo met lege handen staat, gaat de Heere wat in zijn hand stoppen. Dan legt de Heere op die lege hand van David een belofte: ‘Ik zal voor ú een huis bouwen.’

O, hier weet David niet meer waar hij het zoeken moet. Gaat de Heere iets aan hém geven? Gaat de Heere nu tot zo iemand zeggen: ‘Ik zal voor u een huis bouwen’?

Zo doet de Heere dat altijd. Als de Heere gaat vertroosten in uw leven, dan zal de Heere er voor zorgen dat Hij aan de eer komt. Want de Heere weet wie Zijn kinderen zijn. De Heere weet dat als Hij Zijn kinderen zomaar gelijk vertroostingen geeft, dat ze er wat mee wórden. Maar als de Heere werkelijk vertroost, doet de Heere het altijd zó dat Hij Zijn kinderen er buiten zet. En dán zegt de Heere: ‘En nu zal Ik voor u een huis bouwen.’

In die bevinding die de Heere leert, wordt de mens op het diepst vernederd en wordt God op het hoogst verheerlijkt. O, wat is dat een zaligheid, die Gods kinderen wel eens mogen proeven en smaken, om niets te zijn in ons eigen oog voor God. Daar is de zaligheid in te vinden, als de Heere in mijn hart de hoogste plaats inneemt en als ik er diep verwonderd over ben dat de Heere Zich nog wil neerbuigen over zo één: ‘Ik zal u een huis bouwen.’

Let u daarom op de volgorde. Eerst ‘gij’, daarna ‘Ik’ en daarna: ‘Ik zal voor u een huis bouwen.’ Echt, zo werkt de Heere altijd, waar u de Schrift ook leest.

 

Het woord gesproken. Dat was ons eerste punt. Dat woord heeft David gehoord. Zijn beide oren klonken er van. Daar was hij vol van, zodat hij in het gebed zegt: ‘Gij hebt gesproken, Gij hebt gesproken!’ Heeft u dat woord ook al eens gehoord? Dat woord van ‘gij’, dat woord van ‘Ik’, dat woord van ‘voor u’? Daar staat het Woord vol van! Heeft dat Woord weleens zijn kracht gedaan in uw leven?

Dat Woord staat vol van: ‘Gij, zondaar.’ Hebt u het ooit wel eens gehoord? Of hebt u altijd uzelf maar gepantserd en afgeschermd en gezegd: ‘Dat wil ik niet zijn, zondaar voor God’? Dat Woord staat vol van Zijn grote Naam: ‘Ik!’ Hebt u het ooit wel eens gehoord? Hebt u ooit wel eens gezien wat er in Gods Woord staat, dat Hij de Majesteitelijke is? Of hebt u altijd uw hoofd afgewend, om rustig weer door te leven? Dat Woord staat vol van: ‘Ik zal voor u een huis bouwen.’ Hebt u het ooit wel eens gehoord? Heeft het u ooit wel eens verwonderd? Bent u er ooit wel eens mee in het stof voor de Heere gekomen, dat u zegt: ‘Heere, voor zo één?’

Het Woord staat er vol van. En nu betuigt de Heere ernstig en waarachtig wat Hem aangenaam is, namelijk dat de geroepenen door middel van dat Woord, tot Hem zouden komen. De Heere betoont ernstig en waarachtig dat u dit Woord zou moeten geloven. Gods kinderen willen niet luisteren, maar de Heere zal zorgen dát ze luisteren. Omdat de Heere het door de kracht van de Heilige Geest doet doordringen in het hart, zodat ze het woord gaan verstaan.

Het woord gesproken. In de tweede plaats zullen we letten op:

 

2. Het woord wordt afgebeden

 

Nu dan, Heere God, doe dit woord dat Gij over Uw knecht en over zijn huis gesproken hebt, bestaan tot in eeuwigheid; en doe gelijk als Gij gesproken hebt.

David gaat bidden. In het achttiende vers kunt u lezen dat hij zich spoedt naar het aangezicht des Heeren, dat is naar de tabernakel of naar de tent waar de ark verbleef. En dan staat er in het achttiende vers: Hij bleef voor het aangezicht des Heeren. Als de Heere spreekt in ons leven, raken we er werkzaam mee aan Gods genadetroon.

 

En dan zegt David in ons vers: Dat Gij over Uw knecht gesproken hebt. Slaat David zichzelf daar toch weer niet op de borst? Nee, dat woord ‘knecht’ betekent hier wat anders. Dat betekent hier: dienaar, dienstknecht. Want David is op zijn plaats gebracht hoor, omdat de Heere ‘gij’ heeft gezegd. Hier heeft David echt niet meer zoveel met zichzelf op. In dit gebed is hij echt niet de grote man en de grote koning. Het is een ootmoedig gebed: Dat Gij over Uw knecht gesproken hebt. Hij is maar een knechtje van God. We lazen in het achttiende vers dat David vernederd is in dit gebed, dat hij werkelijk een knechtsgestalte in dit gebed heeft aangenomen. Want hij zegt: Wie ben ik, Heere Heere, en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe hebt gebracht? Hij kan het niet op.

Een waar gebed is altijd een ootmoedig gebed, dat ik zelf niets meer beteken: Wie ben ik en wat is mijn huis? Knecht voor God en meer niet. Als de Heere u genade geleerd heeft, dan heeft u ook zo gebeden. Dat gaat niet zonder tranen, dat moet u maar niet geloven. Dan bent u klein voor God, als de Heere nog naar zo iemand, zo’n vuile zondaar als u, wil omzien..

 

David gaat bidden. We komen het woordje ‘knecht’ verschillende keren tegen, wel acht keer in dit gebed: Uw knecht. David is er zo vol van, dat hij eigenlijk niet weet wat hij moet bidden. Daarom zegt hij ook: En wat zal David nog meer tot U spreken? Want Gij kent Uw knecht, Heere Heere. Dat hebben Gods kinderen ook weleens in hun gebeden, dat ze niet meer weten wat ze moeten bidden. Zo vervuld met de majesteit Gods, met hun eigen zonde en met de vertroostingen van de hemel, dat ze geen woorden kunnen vinden om de Heere de eer te geven en zichzelf te vernederen in het stof.

Dan gaat David bidden: Daarom zijt Gij groot, Heere God; want er is niemand gelijk als Gij (…), naar alles wat wij met onze oren gehoord hebben. Dan gaan we in ons gebed de Heere de eer geven, hoor! Gij groot, Heere God!

 

En dan gaat David ook bidden in het vijfentwintigste vers: Nu dan, Heere God! U voelt de aandrang. David gaat het twee keer zeggen: Doe dit woord dat Gij over Uw knecht en over zijn huis gesproken hebt, bestaan tot in eeuwigheid; en doe gelijk als Gij gesproken hebt. Hij zegt het twee keer. Later zegt hij het nog een keer: Nu dan, Heere Heere, (…) zo believe het U nu en zegen het huis van Uw knecht.

Begrijpt u dat? David heeft van de Heere een belofte gekregen dat de Messias zou komen. En nu gaat David zeggen in dit gebed: ‘Nu dan, doe dat woord dan bestaan, Heere! Doe dat dan, gelijk als Gij gesproken hebt.’

Is dat toch niet wat ongelovig van David? Want als de Heere gesproken heeft dat die Messias zal komen, dan hoeft David toch niet nog een keer te vragen: ‘Heere, doe dat woord dan bestaan tot in eeuwigheid’? Had hij niet moeten zeggen: ‘Heere, dat zúlt U doen. Ik twijfel er geen ogenblik aan en ik hoef ook niet te bidden om de vervulling daarvan, want u zúlt het doen’? Ja, er zijn wel mensen die dat kunnen, die denken gelovig te zijn en die denken christenen te zijn. Die zeggen: ‘Het woord is gesproken. In het Woord staat wat zonde is en in het Woord staat wat vergeving is. Wat je dan moet doen is ‘amen’ zeggen en geloven en jezelf daar maar op vastprikken en jezelf maar inpompen: ik geloof, ik geloof en het zal wel goed komen. En dan hoef je niet meer te vrágen om vergeving, want het ís vergeven. Dan hoef je niet meer te vrágen om bekering, want je bént bekeerd. Dan moet je geloven. Dan moet je die belofte Gods op jezelf toepassen.’ Maar dat kan David niet, want David is een kind van God.

Maar David twijfelt niet! In dit gebed is geen twijfel te bespeuren. En toch vraagt hij of de Heere nu wil doen wat Hij gezegd heeft. Waarom vraagt David dat dan?

In de eerste plaats wel hierom, dat David zo’n onwaardige is, omdat David zijn schuld en kleinheid voor God zo beleeft, dat hij bijna niet kan begrijpen dat de Heere met zo één nog te maken wil hebben. En daarom zegt hij in dit gebed: ‘Heere, nu hebt U het gesproken over Uw knecht. Wie ben ik toch, Heere, dat U dat tot mij kunt zeggen? Doe het maar, gelijk als Gij gesproken hebt. Onbegrijpelijk. Doe het maar komen, doe het dan!’

Maar het is ook omdat David aan de belofte niet genoeg heeft. Want het is wel gezegd, en dat is wel groot, en David gelooft ook dat de Heere het zal doen, maar het moet nog wel gebeuren! Die Messias zal straks moeten komen. Hij is nog niet geboren, maar in de verte ziet hij Hem geboren worden. Daar zal de Koning der Joden op de troon van Zijn vader David gaan zitten. Maar Hij is er nog niet!

Davids hart neigt er toe dat die beloften Gods vervuld zullen worden in de geboorte van de Heere Jezus. Daarom bidt hij een adventsgebed: Nu dan, Heere God, doe dit woord bestaan tot in eeuwigheid; en doe gelijk als Gij gesproken hebt. Hij vraagt om de werkelijke komst van Christus in het vlees. Want alleen daarin lag zijn zaligheid. Anders kon David niet zalig worden en kon er niemand zalig worden. En daarom moeten die beloften vervuld worden, omdat David aan het woord alleen niet genoeg heeft. Ja, voor zichzelf heeft hij er op dit moment wel genoeg aan, maar zijn zaligheid hangt niet af van de belofte, maar van de vervulling van de belofte.

 

Weet u waarom David hier vraagt om de vervulling van de belofte? Omdat hij die belofte zelf niet kan vervullen. Als David op zichzelf ziet, op wie hij is en wie hij blijft, ook na ontvangen genade, dan moet hij denken: ‘Heere, er komt van die belofte niets terecht, want ik zou U telkens voor de voeten lopen en bij mij zou er telkens weer een in zonden vallen zijn.’ En daarom gaat hij tegen de Heere zeggen: ‘Heere, nu heeft U tot mij gesproken dat uit mijn huis die Koning zal voortkomen. Maar als ik nu op mezelf zie en op mijn kinderen, is het helemaal verloren.’ Daarom gaat David zeggen: ‘Heere, wilt U nu Zelf voor de vervulling van Uw belofte instaan?’ David gaat hier de belofte in Gods hand terugleggen: ‘Heere, nu hebt U het gesproken, wilt U het ook maar Zelf doen, omdat ik voor die vervulling niet in kan staan.’ Wat een gebed!

 

Hebt u weleens gebeden: Wie ben ik en wat is mijn huis? Hebt u weleens gebeden of de Heere dat woord wilde vervullen? Hebt u werkelijk de genadetroon weleens zó bestormd dat u zei: ‘Nu dan, Heere God, doe dan wat U hebt gesproken. Doe het dan bestaan tot in eeuwigheid’?

 

We hebben u ook reeds gezegd dat in dit gebed van David geen twijfel is. Hij is zeker van die vervulling, maar dat kan alleen omdat hij die vervulling in de handen van God Zelf teruglegt.

Nu is het in het leven van David advent geworden; verwachten. Straks in de toekomst zal de Messias geboren worden. In zo’n gebed als dit kunnen Gods kinderen zich ook herkennen, omdat het in het leven van al Gods kinderen ook advent is geworden. Omdat in het leven van Gods kinderen de Heere heeft gesproken: ‘Gij!’ Omdat de Heere heeft gesproken: ‘Ik!’ En omdat de Heere gaat spreken: ‘Ik zal voor u een huis bouwen.’ Omdat de Heere arme mensenkinderen gaat maken, die het kwijt zijn, die het niet meer hebben, die God kwijt zijn, die God niet kunnen missen, die aan het Woord Gods zo innig worden verbonden. Op het Woord van God, gesproken tot Zijn knecht, hebben ze verwachting gekregen. En dan gaan ze de Heere aanlopen als een waterstroom of de Heere dat woord in hun leven ook wil toepassen, dat ze Hem mogen zien, dat Kind Dat daar geboren is in Bethlehem, dat Hij nu neergelegd is in een kribbe, of zij Hem mogen kennen.

 

Advent is verwachten, omdat we missen. Het kan wel eens zijn in het leven van Gods kinderen dat de Heere zó troost, zó bemoedigt, zó omhelst in Zijn genadige vertroosting, dat ze denken dat ze alles hebben, dat ze denken dat ze er zijn. O, wat zijn ze dan gelukkig! Dan hebben ze alles. Dan hebben ze een God in de hemel, een Borg voor hun hart. Dan geloven ze dat ze er komen zullen.

Maar de Heere gaat door in het leven van Zijn kinderen en de Heere gaat in het leven van Zijn kinderen al meer spreken: ‘Gij, gij, daar in het stof.’ En de Heere gaat al meer in het leven van Zijn kinderen leren: ‘Ik ben die enige God, Die in de hemel is.’ En de Heere gaat daarom die beloften al meer in hun leven toepassen: ‘En nu zal Ik voor u een huis bouwen.’

Dat volk komt nooit klaar. Het is echt niet zo’n best teken als mensen klaar zijn. Van Gods kinderen zegt Gods Woord: Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op de Naam des Heeren betrouwen (Zef. 3:12). Want de Heere wil aan Zijn eer komen. Hoe meer genade Hij verheerlijkt, hoe meer de Heere in het leven van Zijn kinderen die eer ook ontvangt. Omdat hun naam al dieper in het stof gaat, omdat ze moeten leren: Hij moet wassen, maar ik minder worden (Joh. 3:30). Gods kinderen komen daar nooit in uitgeleerd. Zelfs de meest doorgeleide, de meest geoefende van Gods kinderen komt nooit boven advent uit, omdat er altijd nog wat te wachten overblijft.

 

Straks zullen ze Hem pas zien in Zijn schoonheid, als ze zullen worden opgenomen in heerlijkheid. Als alle zonde weg is. Als ze Hem mogen zien van aangezicht tot aangezicht. Ja, het is pas volkomen vervuld als dat Rijk Gods komen zal, als er zal zijn een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid zal wonen. Dan zal advent pas geheel zijn vervuld, na de tweede komst van Christus in het vlees.

 

In de derde plaats zullen we letten op: het woord wordt vervuld. Maar we zullen eerst met elkaar zingen uit Psalm 119 vers 25:

 

               Gedenk aan ’t woord, gesproken tot Uw knecht,

               Waarop Gij mij verwachting hebt gegeven.

               Dit is mijn troost, in druk mij toegelegd,

               Dit leert mijn ziel U achteraan te kleven.

               Al ’t geen Uw mond aan mij had toegezegd

               Gaf aan mijn hart vertroosting, geest en leven.

 

3. Het woord wordt vervuld

 

Dit woord is vervuld in Salomo, want van hem is gezegd: Die zal Mijn Naam een huis bouwen. Dat is Salomo geweest. Dit woord is ook vervuld in al de koningen van Juda, want wij lezen in het veertiende vers: Dewelke als hij misdoet, zo zal Ik hem met een mensenroede en met plagen der mensenkinderen straffen.

Maar toch, deze belofte is pas geheel vervuld in de komst van de Zoon van David, de Christus, de Messias. Want van wie kan nu gelden dat zijn koninkrijk zal zijn tot in eeuwigheid? Dan is er toch maar Eén van Wie dat kan gelden? Bovendien, het hele Nieuwe Testament getuigt ervan. De eerste bladzijde, het eerste vers, Mattheüs 1 vers 1. Het gaat daar over het geslacht van Jezus Christus, de Zoon van David, de zoon van Abraham. En de laatste bladzijde van het Nieuwe Testament, Openbaring 22, gaat over het Geslacht en de Wortel Davids, over de blinkende Morgenster. En Lukas 1 vers 32 gaat over de Zoon des Allerhoogsten, Die op de troon van Zijn vader David zal zitten. In Hem is het vervuld.

Hoe heeft die Zoon van David in sommige opzichten geleken op die David van 2 Samuël 7. Hij was ook een Mensenkind. Hij is uit het lijf van David voortgekomen, zo hebben we kunnen lezen. Hij is een echte Davidszoon geweest, Die straks geboren zal worden en Die nu inmiddels geboren is. Hij was een Mensenkind, van gelijke bewegingen als wij, uitgenomen de zonde. Daarin lag de zaligheid van David, dat er een Mensenkind geboren moest worden. Dat Hij niet alleen God was, maar ook waarachtig Mens.

 

In sommige opzichten heeft de Zoon van David op deze David geleken. Maar wij zullen u nu een aantal verschillen voorhouden. Het zou kunnen zijn dat er onder ons zijn die er op zitten te wachten, die in de adventstijd leven en zeggen: ‘Ik moet zalig worden, maar ik weet niet hoe.’ Dan willen wij u voorhouden Wie die Zoon van David is. Die mogen wij u prediken, verkondigen. Het zou kunnen zijn dat de Heilige Geest het zó zegent, dat u Hem ziet in Zijn schoonheid, boven alle mensenkinderen.

 

Deze David, over wie wij gelezen hebben, was een knecht, maar hij moest wel knecht gemáákt worden. Er zat toch een prikkel van hoogmoed in zijn hart. Maar die Zoon van David is de ware lijdende Knecht des Heeren geworden. Hij heeft de wil van Zijn Vader altijd in volkomen knechtelijke afhankelijkheid willen doen. Hij heeft Zichzelf vernederd, nog dieper vernederd dan deze David. Deze David heeft gezegd: Wie ben ik en wat is mijn huis?, vanwege al zijn schuld en zonde.

Die Zoon van David is volkómen geboren, zonder erfzonde, zonder schuld, zonder smet, onbevlekt. En toch die vernederde gestalte. Als straks de discipelen ruzie met elkaar maken wie de voeten moet wassen, bukt Hij Zich neer om de voeten van Zijn discipelen te wassen. Zo’n Knecht is die Messias geworden. Hij heeft Zichzelf vernederd, ja, is vrijwillig als een lam ter slachting geleid en als een schaap dat stom was voor het aangezicht van zijn scheerders. Hij is Knecht geweest omdat Zijn kinderen geen knecht willen zijn, omdat David het van de Heere moest leren om knecht te worden en om knecht te blijven.

Als er onder ons zijn van Gods kinderen die bij zichzelf zo weinig van die knechtelijke gestalte tegenkomen, wij verkondigen u die volkomen Knecht des Vaders. Hij heeft het voor Zijn kinderen overgedaan.

 

Deze David heeft gebeden. De Heere heeft hem zo toegesproken, dat Hij wel móest bidden. Maar die Zoon van David heeft een gebedsléven gehad. Van de wieg tot het graf heeft Hij niet opgehouden te bidden en heeft Hij er veel tijd voor genomen om in het gebed tot de Heere te gaan. Toen de discipelen nog sliepen, toen het nog nacht was, verliet Hij Zijn slaapstede en ging Hij de eenzaamheid in om met Zijn Vader te bidden. Op de berg was Hij alleen. In de delen van Cesarea Filippi zocht Hij de eenzaamheid op. In het hogepriesterlijke gebed heeft Hij volmaakt gebeden tot Zijn Vader Die in de hemel is. In de hof van Gethsémané heeft Hij gebeden. Aan het kruis heeft Hij gebeden. Nu is Hij ter rechterhand Gods des Vaders om daar altijd voor Zijn Kerk te bidden.

Als Gods kinderen niet meer kunnen bidden, wij verkondigen u een Zoon van David Die volmaakt gebeden heeft, Die voor overtreders gebeden heeft. Johannes schrijft: Indien wij gezondigd hebben, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige (1 Joh. 2:1). En Zijn gebed vermag niet veel, maar Zijn gebed vermag álles!

 

David wilde een tempel bouwen, maar dat kon niet doorgaan. Maar bij het sterven van de Zoon van David scheurde het voorhangsel van boven naar beneden en de hele tempel is overbodig geworden, omdat Hij er voor gezorgd heeft dat er in de hemel een Vaderhuis was met zijn vele woningen. Daar heeft Hij een Vaderhuis gemaakt voor zondaren die Hij heeft liefgehad.

 

Van deze David gold wat we in het eerste vers lazen, dat hij rust had van al zijn vijanden rondom. En dat is groot geweest voor David, dat hij zoveel vijanden verslagen heeft. Maar die Zoon van David heeft álle vijanden verslagen. Hij heeft de zonde verslagen, omdat Gods kinderen niet tegen de zonde op kunnen en er altijd weer onder liggen. Hij heeft de dood overwonnen, opdat Gods kinderen straks een doorgang hebben naar het eeuwige leven. Hij heeft de hel overwonnen. Ja, Hij heeft de vorst der duisternis overwonnen, en daarom zal die ook geworpen worden in de poel die brandt van vuur en sulfer. Op de Paasmorgen heeft Hij als de triomferende Koning rust gekregen van al Zijn vijanden rondom.

 

Van deze David gold dat hij de tempel niet mocht bouwen. Wij lezen op een andere plaats dat dat was omdat hij bloed aan zijn handen had. Hij had vele vijanden verslagen. Die Zoon van David had ook bloed aan Zijn handen, maar niet van Zijn vijanden, maar van Zichzelf. Door Zijn handen zijn de nagelen geslagen, omdat Hij voor overtreders wilde lijden. Dat hadden Zijn kinderen verdiend. Dat had David verdiend. Maar de Borg wilde Zijn bloed storten om aan de gerechtigheid Gods genoeg te doen, omdat de Heere anders geen verzoening kon geven.

O, wat wordt die Christus, die Zoon van David, dierbaar als ik zie dat mijn bloed gestort had moeten worden, als ik zie dat ik gekruisigd had moeten worden, als ik zie dat ik vernederd had moeten worden tot in de angsten der hel, en dat Hij het heeft willen doen.

 

Van de zonen van David gold wat we lezen in het veertiende vers: ‘Als zij zullen misdoen, zo zal Ik hem met een mensenroede en met plagen der mensenkinderen straffen.’ Dat is gebeurd bij David. Hij heeft misgedaan. Hij heeft het geweten in zijn leven, en Salomo ook, en alle koningen van Juda. Wat hebben ze misgedaan. Wat zijn ze geplaagd met menselijke straffen.

Maar die Zoon van David heeft nooit één keer misgedaan. Als kind en tijdens de verzoekingen van de jeugd heeft Hij nooit één zonde gedaan. Nooit één brutaal woord, nooit één verkeerd ding, altijd de eer van Zijn Vader in de hemel bedoeld. Als er Eén is geweest Die het niet had verdiend dat Hij met een mensenroede en met plagen der mensenkinderen gestraft zou worden, dan was Hij het wel. En Hij, Die geen zonde heeft gekend noch gedaan, is nu gestraft geworden. Hij moest uit de hoge hemel neerkomen om daar niet alleen de menselijke gedaante aan te nemen, maar de ontluisterde menselijke gedaante, vol van gebreken, vol van ziekten, vol van pijn, vol van dorst, vol van medelijden. Dat heeft Hij nu willen doen voor die zondaren als David.

 

Wat is het dan een verschil. David werd achter de schapen vandaan gehaald. Zijn ster mocht rijzen. Hij werd koning over Israël. Het ging vooruit in zijn leven. De Zoon van David zat op de troon bij Zijn Vader in de hemel, maar Hij maakte de omgekeerde beweging. Hij wilde naar de lage aarde afdalen, om daar in die voerbak neergelegd te worden, waar de schapen uit gegeten en gedronken hadden.

 

O, die Knecht van David, de Heere Jezus Christus, in Hem is alleen de zaligheid te vinden. Kent u Hem? Want die Hem kent, die heeft het leven. Maar wie Hem niet kent, die heeft het leven niet.

Weet u hoe u Hem leert kennen? Als u gaat zien: Zoudt gíj Mij een huis bouwen? Als onze naam er áán gaat. Want dan komt er plaats voor die enige Naam die onder de hemel is gegeven, door Welke wij moeten zalig worden.

Weet u hoe daar plaats voor komt? Als wij niet meer kunnen bidden, dan wordt Hij dierbaar als die Voorbidder bij de Vader. Als wij niet meer kunnen vechten en strijden tegen de zonde en als we het telkens weer verliezen, dan wordt Hij de grote Rustaanbrenger. Als wij het niet meer kunnen, als wij het niet meer hebben, als wij niet meer deugen, als wij niet meer willen, dan heeft Hij de zaligheid.

 

Hij is u gepredikt. Waren er onder ons voor wie die Heere Jezus glans en heerlijkheid had? Of is het een beetje langs u heengegaan en is er in uw hart eigenlijk geen begeerlijkheid geweest naar die Messias? Dat is dan uw eigen schuld. Hij ís u gepredikt. Dan is er in uw hart geen plaats.

Dan zult u het wel eenmaal weten, want die Koning komt terug. Hij is eenmaal gekomen, maar Hij komt wéér. Dan zult u Hem zien, want alle knie zal zich voor Hem buigen. En wat dan? Want wij doen allemaal zonde. Wij zijn allemaal misdadigers. Hoeveel keren doen wij niet wat verkeerd is? Ons gehele leven is één misdaad. Want wat is zondigen? Dat is de eer van God niet bedoelen. Hebt u vandaag al één keer God liefgehad boven alles? Hebt u vandaag al één keer Gods eer bedoeld? Niet? Zonde! Dan is ons ganse leven zonde, omdat we altijd onze eigen eer op het oog hebben en nooit meer Gods eer. Maar dat zullen we dan weten. Wat zal dat zijn om de weg geweten te hebben en niet te hebben bewandeld, om duizenden keren te hebben horen zeggen: ‘Gij zijt die zondaar!’, om duizenden keren te hebben gehoord: ‘Ik ben die grote God van hemel en aarde’, om verschillende keren die adventstijd meegemaakt te hebben hier op aarde, terwijl het nooit advent in ons leven is geworden.

 

Wat zullen Gods kinderen straks gelukkig zijn. Ze hebben hier zo’n last van de zonde, zo’n last van zichzelf. In de allerheiligste verrichtingen zitten ze er met zichzelf tussen. Ze worden zichzelf wel eens moe. David zat er in zijn godsdienst toch nog met zichzelf tussen. Maar wat zal dat straks zijn, als ze die Koning zullen mogen zien in Zijn schoonheid. Dan zullen ze Hem mogen bewonderen, Die hen gekocht heeft. Hun Voorbidder, hun Rustaanbrenger, Die geboren wilde worden, Die voor hen alles heeft overgedaan. Dat is hun Zaligmaker, Die Zich voor hen wilde vernederen terwijl zij vernederd hadden moeten worden.

Wat zal dat een zaligheid zijn! Dan zullen alle tranen van de aangezichten worden afgewist. Alle rouw en droefheid zal verdwijnen. Dan zullen ze altijd bij de Heere zijn, tot in der eeuwigheid.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Lofzang van Zacharias: 1

 

Lof zij de God van Israël,

De Heer’, Die aan Zijn erfvolk dacht,

En, door Zijn liefderijk bestel,

Verlossing heeft teweeggebracht;

Een hoorn des heils heeft opgerecht;

’t Geen Davids huis was toegezegd,

Dat wil Hij ons nu schenken.

Gelijk Gods trouw, van ’s aardrijks ochtendstond,

Door der profeten wijzen mond,

Zich hiertoe aan de vaderen verbond.