Ds. P. van Ruitenburg - Psalmen 81 : 11b

De zin van het gebed

Psalmen 81
De noodzaak van het gebed
De nodiging tot het gebed
De belofte bij dat gebed

Psalmen 81 : 11b

11b Doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 25: 2
Lezen : Psalm 81
Zingen : Psalm 119: 66, 73, 74
Zingen : Psalm 34: 3
Zingen : Psalm 81: 12

Gemeente, zal het gebed wel helpen? Er kan zo lang gevraagd worden, ook om waarachtige bekering, terwijl er maar niets gebeurt. Sommigen klagen er over, en zeggen: ‘Ik ben oud geworden en ik heb er mijn hele leven om gevraagd, en ik ben nog  dezelfde. Heeft het dan nog wel zin om door te gaan met bidden om bekering?’ Ik denk aan die jongen die onder tranen zei: ‘Ik vraag er nu al verschillende jaren om, en er gebeurt maar niets!’ Misschien is het ook wel uw vraag. Wat kan het een moedeloosheid geven! Wat kan die moedeloosheid het gebed en de bekering ook in de weg staan.

Gemeente, heeft het gebed zin? Wat is uw antwoord? Zullen we het antwoord samen zoeken in de Schrift?

U kunt het tekstgedeelte daartoe vinden in Psalm 81 vers 11b:


Doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen.

 

We zouden willen spreken over: De zin van het gebed.

 

We willen letten op een drietal gedachten:

1. De noodzaak van het gebed

2. De nodiging tot het gebed

3. De belofte bij dat gebed

 

1. De noodzaak van het gebed

 

Gemeente, als wij met elkaar stilstaan bij het gebed en bij de zin van het gebed, moeten wij allereerst bedenken dat wij de enige en waarachtige God moeten aanbidden zoals Hij Zich in Zijn Woord heeft geopenbaard. Het heeft geen enkele zin om een andere god, een afgod te aanbidden. God de Heere eist van mensen dat ze naar Hém hun mond wijd open doen, terwijl mensen zo geneigd zijn om naar Baäl-Zebub te gaan. De Heere heeft gezegd in Zijn Woord: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde; want Ik ben God en niemand meer (Jes. 45:22).

Het heeft geen zin om een god te aanbidden die wij zelf maken. We komen het ook in het Woord tegen, dat er mensen zijn die andere goden aanbidden. Ik denk aan 1 Koningen 18. Elia spot met de Baälpriesters: ‘U roept niet hard genoeg! Baäl is zo diep aan het nadenken, u moet een beetje harder roepen!’ En de Baälspriesters hebben met luider stem geroepen, de dwaze mensen! En we begrijpen het: Er was geen stem en geen antwoorder en geen opmerking (1 Kon. 18:29).

Wat is het dan noodzakelijk dat in het gebed de God van het Woord aangebeden wordt! En in dat Woord staat het: Roep Mij aan in de dag der benauwdheid; Ik zal er U uithelpen, en gij zult Mij eren (Ps. 50:15).

 

Maar waarom is het dan nodig om die God aan te roepen?

Misschien denkt u dan allereerst aan de gevolgen van de zonde. Misschien zijn er dingen in uw leven waarvan u zegt: ‘Daar zit ik zo mee! Ik ben niet gezond! Ik mis dít of ik mis dát, en dáár zou ik zo graag van verlost worden…’ Hoeveel noden zijn er niet! Zijn we niet allen als hulpeloze vogeltjes in een nest? Als ze uit het nest vallen, dan zijn ze hopeloos verloren. Zo zijn wij mensen ook. Broos en vergankelijk; ons leven is een handbreed gesteld, ook al verbeelden we ons misschien heel wat. Het is het beeld ook van onze tekst. Doe uw mond wijd open (zoals die vogeltjes) en Ik zal hem vervullen.

Wat een broze mensen zijn wij. De wetenschap kan ons daarbij niet helpen. We blijven vergankelijke mensen, en we zijn er geloof ik niet gelukkiger op geworden sinds de Middeleeuwen. We blijven onderhevig aan de gevolgen van de zonde.

Is dat het belangrijkste, waarom het voor u nodig is om te bidden?

 

Anderen zeggen: ‘Ik heb nog iets anders: ik voel me zo leeg, ik voel me zo alleen, ik voel me zo onveilig. Ik ben niet geborgen in God. Ik mis rust in mijn ziel.’

Weet u dat bijna alle mensen dat hebben? Weet u dat bijna alle mensen iets hebben van dat ‘Onrustig is ons hart, totdat het rust vindt in God’? Een mens is er niet voor geschapen om zijn geluk in dit leven te zoeken, en niemand vindt het geluk hier beneden. Iedereen heeft dat onvoldane gevoel: ‘Is dit het nou? Is er nou niks méér?’ Dat gevoel van onvoldaanheid hebben we allemaal, als we een beetje nadenken.

Is dat de reden? O ja, dat is ook een reden!

 

Mag ik u nog iets noemen, waar u misschien niet aan gedacht hebt; of misschien zijn er onder ons die daar juist wel aan gedacht hebben. We hebben tegen God gezondigd, wij derven de heerlijkheid Gods, en wij liggen onder de vloek van de zonde. Wij hebben de wraak Gods opgeroepen, en we zijn daarom van nature kinderen des toorns. De Heere is vertoornd op de mens, vanwege de zonde. En Hij moet naar Zijn rechtvaardig oordeel de zonde straffen, met tijdelijke en eeuwige straffen.

Lijdt u onder dat ongenoegen van God? Wat kunnen mensen lijden onder het ongenoegen van geliefden! Wat kunnen kleine kinderen het moeilijk vinden als hun vader een hele dag boos op hen is. Dan zie je ze de hele dag zo stiekempjes kijken: Is hij nog boos op me? Hoe staat zijn gezicht? Wat kan het moeilijk zijn, ook tussen geliefden in een gezin, en in huwelijken, als er wat is. Daar kan onder geleden worden. Maar raakt dit u ook: Gods ongenoegen vanwege de zonde? Heeft dat ons op de knieën gebracht? We kunnen wel een plaats hebben gekregen onder Gods geduld, maar Zijn gunst missen, en dat door eigen schuld… O, wat een noodzaak!

Misschien voelt u die noodzaak niet! Dan moet ik u vandaag zeggen dat u naar het rechtvaardige oordeel Gods toch tijdelijke en eeuwige straffen verdiend hebt, en dat u een kind des toorns bent! Is dat dan leven? En moeten we dan zó sterven? We kunnen het zelf niet maken, maar dat we vandaag dan de ongunst Gods eens zouden gevoelen. Een buitenstaander te zijn. Te voelen dat de Heere zou moeten straffen en dat rechtvaardig!

Is dat geen noodzaak om te bidden? God kwijt, vanwege de zonde? Staat het er voor niets: Doe uw mond wijd open? Is daar niet alle reden toe? Is het geen noodzaak, omdat we een ziel hebben voor de eeuwigheid? Sterven is God ontmoeten; dat is staan voor de rechterstoel Gods. Dat is op de vragen van God antwoord te moeten geven. ‘Ik heb u geroepen, maar gij hebt niet gewild. Ik heb u bijeen willen vergaderen. Ik heb u gewaarschuwd. U hebt de weg geweten, en niet bewandeld.’ O, hoe zullen we dan ontvlieden, als we op zo’n grote zaligheid geen acht hebben geslagen!

En als de Heere het zou moeten zeggen (probeer het u eens in te denken): ‘Ga weg van Mij, gij die de ongerechtigheid werkt!’ en als de mond van de hel ons opslokt en we voor eeuwig verloren zijn… Een eigenschap waar nooit meer verandering in zal komen, omdat er een kloof is gevestigd… O, wat zal dat zijn, gemeente!

Hier zeggen mensen wel eens: ‘Het leven is voor mij een hel.’ Dat is niet waar hoor, maar dán zal de volle werkelijkheid van de wraak en de toorn van God worden gevoeld. Maar dan is het te laat!

 

Zou het nodig zijn om te bidden, denkt u? Bidt u wel? Bent u overtuigd van de noodzaak van het gebed? Doe uw mond wijd open. Daar is alle reden toe. Het leven is zo kostbaar, en we kunnen het leven niet over doen. Wat is het gebed noodzakelijk omdat de mens wederom geboren moet worden. Het is niet genoeg mee te leven, ernstig te zijn. Het is niet genoeg gevoelig te wezen, al is dat op zichzelf een voorrecht, maar we moeten wederom geboren worden. Het moet komen tot waarachtige bekering; tot berouw over de zonden en het toevlucht nemen tot God in Christus.

Zou er noodzaak zijn om te bidden: ‘Heere, bekeer mij’? Immers, wij kunnen onszelf niet opnieuw geboren laten worden. Dat is een werk van God vandaan, van boven naar beneden. Is het niet noodzakelijk om te bidden, omdat we zo blind zijn voor de wet? Zo blind zijn voor het evangelie? Zo blind zijn voor Christus? Zo onbekwaam zijn? Zo doods zijn?

 

Ach, gemeente, we zouden een hele poos kunnen doorgaan. Wat is het nodig om te bidden, en wat wordt er dan weinig gebeden! Ons hele leven zou bidden en zuchten moeten zijn, vanwege de nood der zielen. Vanwege de gevolgen van de zonde, dat is goed, maar vooral vanwege de zonde zelf. Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden (Klaagl. 3:39). Anders trekt de Heere de gevoelige werkingen van Zijn Geest in; anders is er verachtering in de genade. Anders is er zoveel gelijkvormigheid aan de wereld.

 

Wat blijft het nodig om te bidden. Alleen al voor Gods volk is dat zo nodig. Wat is er een noodzaak voor onszelf en voor elkaar, en voor de jeugd, voor de ouderen! Wat is er een noodzaak om te bidden voor ons vaderland, voor vorstenhuis en onderdanen, voor het werk der zending, voor de ambten.

‘O,’ zult u zeggen, ‘ik bid wel vaak.’ Weet u wat de apostel ervan zegt? Ik bid u, broeders, door onze Heere Jezus Christus en door de liefde des Geestes, dat gij met mij strijdt in de gebeden tot God voor mij (Rom. 15:30). Strijd in de gebeden! Dat is iets anders dan: ‘We moeten nog even bidden.’ Dat is iets anders dan wat we zijn gewend, om voordat we naar bed gaan nog even onze knieën te buigen. Strijd in de gebeden!

Zo’n leven moesten we hebben, gemeente. Volk des Heeren, u weet er wat van. Zulke gebeden moesten we hebben: Strijd in de gebeden!

Voor mij, zegt de apostel. Voor de dienaren des Woords, voor de ouderlingen en voor de diakenen, voor uzelf, voor uw geliefden, voor de vreemden. Strijd in de gebeden, ook in het kerkelijke leven, want als er meer gezucht werd, en als er meer gebeden werd, dan zou de Heere meer dienaren van het Woord geven. Daar ben ik vast van overtuigd. Dat hebben onze vaderen ook gezegd. Bidt de Heere des oogstes, dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitstote (Luk. 10:2).

O, wat moeten we dan samen het hoofd buigen! Of u niet? Hebben wij gezucht en gesmeekt en geworsteld, of de Heere meerdere dienaren van het Woord wil geven, ook in onze gemeenten?

 

Wat is er een noodzaak om te bidden! Dit wil ik er nog van zeggen, voordat we naar de tweede gedachte gaan: wat is het ook onmogelijk om te bidden. Wij hebben het verleerd in het paradijs. Er zijn honderd en één dingen die ons daarvan willen aftrekken; alsof er een onzichtbare hand is die zegt: ‘Morgen! Een andere keer!’ Alsof er een onzichtbare hand is die andere gedachten in ons hoofd strooit, zodat wij onze aandacht er niet bij hebben.

O, wat is er een vijand aan het werk, om bij ons dat bidden onmogelijk te maken. Maar wat is er hier van binnen ook (zal ik het maar eerlijk zeggen?) een tegenstand, een onwil, om te bidden. Om waarachtig te bidden. Wel kwalijk bidden, wel eisend bidden, dat wil wel. Maar bidden zoals het de Heere van ons eist, en zoals het mensen betaamt, waarachtig te bidden, dat wil een mens ten diepste niet!

 

Wat is het erg met ons geworden sinds onze val in Adam. Wat een ellendige toestand waarin een mens zich bevindt: dood in zonden en misdaden, niet te kunnen wederkeren. Het is zo nodig om te bidden, en het niet te kunnen en het ook niet te willen… Wat is een mens dan een ellendig en een tegenstrijdig wezen! Wel dingen naar ons toe willen halen, wel verlanglijstjes willen inleveren, maar niet in de schuld willen komen, niet God God willen laten.

Dat het eens tot verootmoediging mocht leiden, gemeente! Gods kinderen komen in zichzelf ook dat vlees tegen. Ze kennen ook die ogenblikken dat ze geen zin hebben om te bidden. Dat ze in slaap vallen in de hof van Gethsémané. Dat het vlees zo de overhand heeft. Als de Heere niet gebeden had dat hun geloof niet zou ophouden, dan zou er van het leven van Gods kinderen niets terechtkomen.

Wat loopt het laag af, en wat is het nodig om te bidden! Er staat niet: ‘Vraag er maar af en toe om.’ Nee: Strijdt om in te gaan (Luk. 13:24). En dat strijden is het worstelend strijden met het Woord, en dat is dat aanhoudende smeekgebed, als bij die weduwe die die onrechtvaardige rechter het hoofd moe zeurde! Strijdt om in te gaan. Dat is het Woord Gods! En: Wie volharden zal tot het einde (ook in het gebed) die zal zalig worden (Matth. 24:13). Dat is het leven van de kerk Gods. En de Heere zal zorgen dat ze volharden.
 

We gaan naar onze tweede gedachte:

 

2. De nodiging tot het gebed

 

Gemeente, zie in gedachten het hele menselijke geslacht met de rug naar God toe staan. Zie het hele menselijke geslacht staan: moed- en vrijwillig zich van God afgekeerd, en nooit meer tot Hem te willen wederkeren! Zie het menselijke geslacht met de rug naar God gekeerd staan; de één vroom en de ander goddeloos. De één zegt: ‘Ik kan me niet bekeren!’ De ander zegt: ‘Ik zal me niet bekeren!’

En dan horen we in het Woord Gods de stem Gods, tot dat menselijke geslacht dat Hem de rug en de nek heeft toegekeerd: Doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen. Tot dat menselijke geslacht dat de noodzaak van bidden niet wil zien; tot dat menselijke geslacht dat zich met andere dingen wil bezighouden, en wel wat anders te doen heeft dan bidden. Hoor naar de roepstem Gods, de nodiging Gods: ‘Doe uw mond wijd open, o mensenkind!’ Naar de roepstem Gods, tot zulken die zeggen: ‘Ik kan niet bidden!’ Naar de roepstem Gods tot zulken die er achter komen dat ze ook niet eens hartelijk wíllen bidden. De roepstem Gods klinkt: Doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen.

 

Gemeente, dat de Heere de moeite nemen wil om mensen te roepen door het Woord, dat de Heere de moeite nemen wil om ons dat genadig te doen horen: ‘Mijn zoon, Mijn dochter, geef Mij uw hart!’ Dat de Heere vandaag op de deur van ons hart kloppen wil: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden! (Jes. 45:22).

De mens heeft vele uitvluchten gezocht. Vandaag klinkt dit Woord tot ons, in de uitwendige roeping, in de roeping: Doe uw mond wijd open! Dat is geen woord van een prediker, want dan zou u uw schouders terecht kunnen ophalen, en kunnen zeggen: ‘Dat zegt híj!’ Maar het staat in het Woord Gods; en uit het verband van de tekst kunt u opmaken dat dit een woord is dat gesproken is tot het hele volk van Israël, dat naar Zijn stem niet wilde horen, dat weerspannig was en in de wegen Gods niet wilde wandelen.

Het is gesproken tot onbekeerden. Lees het thuis maar eens rustig na. Tot onbekeerden! En nu spreekt de Heere vandaag tot onbekeerden: ‘Doe uw mond maar wijd open, en Ik zal hem vervullen!’ Alsof de Heere waarschuwt: ‘O mensenkind, doe uw mond wijd open!’ Ons wijzend op het feit dat het allernoodzakelijkst is; maar ook nodigend, in die zin dat de Heere zegt: ‘Mensenkind, al bent u van Mij afgevallen, u kunt bij Mij nog steeds terecht! U mag nog wederkeren! Ik wil nog genadig zijn; Ik sta nog met uitgebreide armen. Zie, hier ben Ik, zie, hier ben Ik!’

 

Hij zegt dit tegen een wederstrevig volk, dat de Heere gedurig tergt in het aangezicht. Bent u dat? Of wilt u dat niet zijn? De Heere geve dat u er vandaag ‘amen’ op zegt. Tot een volk, Hem geduriglijk tergende in het aangezicht, zegt de Heere: ‘Zie, hier ben Ik, zie, hier ben Ik, in het Woord!’

Gemeente, dat de Heere dat nog doen wil, dat zal of tot uw voordeel zijn, of tot uw oordeel. Want het zal wat zijn, dit in de wind te slaan en op zo’n grote zaligheid geen acht te geven!

 

De Heere geve door de toepassing van Zijn Geest dat we dat nooit meer kwijt zouden raken, wat de Heere gezegd heeft: Doe uw mond wijd open! Dat is het Woord Gods! Wee degene die dat zomaar naast zich neerlegt, en zegt: ‘Ja, dat zal wel.’ O, wijs het met de vinger maar aan: Doe uw mond wijd open! Dat is een nodiging om aan te houden in het gebed, dat we altijd bidden moeten en niet vertragen!

 

Doe uw mond wijd open! Niet eens een keer, maar stríjd in de gebeden! Als u de behoefte voelt om te bidden, leef er dan niet overheen! Neem de gelegenheid waar om de Heere te zoeken en te smeken, om tijdelijke en om geestelijke nooddruft. Doe dat!

Maar als u alleen bidden zou als u behoefte had, zou het er wellicht niet zo best uitzien. Neem daar ook vaste tijden voor.

Denk eens aan Daniël: driemaal ‘s daags nam hij er ruim de gelegenheid voor om te bidden! Zou hij altijd behoefte hebben gehad? Is dat zo’n bijzondere man geweest? Leefde hij er zo dicht bij dat hij altijd die hartelijke begeerte had om de Heere te zoeken? Hij was een mens van gelijke bewegingen als wij zijn. Wel een bijzonder gewenste man, maar toch een mensenkind, en ook van Adam afkomstig.

En wat staat er van David? Des avonds, en des morgens, en des middags zal ik klagen en getier maken; en Hij zal mijn stem horen (Ps. 55:18).

Gemeente, neem er de tijd voor! Wij zijn gewend om rondom de maaltijden godsdienstoefening thuis te houden: bidden, danken, lezen. In bijvoorbeeld de baptistengemeenten van Philpot is men dat niet gewend. Wij zijn het gewend om daarvoor de tijd te nemen. Neem er de tijd voor, dat het geen vorm wordt. Maar dat u de Heere smeken mocht, ook met elkaar, ook aan tafel, ook als families, ook als u alleen bent.

 

Het is geen woord van mij; het is het Woord Gods: Doe uw mond wijd open! Weet u waarom dat er staat? Omdat mensenkinderen zo moeilijk kunnen geloven dat de Heere hen zo hartelijk nodigt.

En misschien zijn er onder ons ook wel die zeggen: ‘Ach, mag ik komen? Mag ik tot de Heere vluchten? Mag ik mijn nood, mijn onbekeerde staat voor de Heere neerleggen? Wil de Heere naar mijn stem nog horen? Ik durf eigenlijk niet! Ik ben te goddeloos; ik ben zo hard; ik ben zo onbekeerlijk, en ik kan niet komen waar ik moet zijn!’

Doe uw mond wijd open! Vraag niet íets van de Heere, maar vraag álles van de Heere! Vraag ook om de toepassing van God de Heilige Geest. Verwacht niets van uzelf, maar alles van Hem! Want alle dingen zijn uit God, en er hoeft van ‘s mensen kant niets bij. Maar dat u uw mond wijd open mocht doen, om alles van de Heere te vragen!

 

Doe uw mond wijd open! Hoe vaak gaat, ook in het leven van Gods kinderen, de mond op een klein kiertje open. Omdat ze zelf ook nog wat willen doen, en zichzelf ook nog met wat anders willen voeden, en dan mag de Heere ook nog wat in de mond stoppen. Maar zo gaat het niet! En de Heere brengt Zijn kinderen daar, waar ze niets meer overhouden en alles van Hem verwachten.

 

Doe uw mond wijd open! O, gemeente, zijn er hier van die tobbers onder ons, die hun mond niet open doen? Zijn er hier van die tobbers die hun mond maar een klein stukje open doen? En die zelf ook nog wat willen betalen, en die niet van genade alleen willen leven? En niet alleen van die enige Zaligmaker begeren te leven? Nu zegt de Heere: Doe uw mond wijd open!

Dat is een nodiging om vrijmoedig te komen. Met uw zonden. Met uw harde hart. Met uw onbekeerlijke bestaan. U behoeft uzelf niet op te knappen; u hoeft niet eerst dit of eerst dat… Kom zoals u bent: als  een goddeloze, als een geheel onbekwame, zonder geld, zonder prijs. Doe uw mond wijd open!

 

Wat een vriendelijke nodiging Gods tot zondaren, om te komen zonder geld en zonder prijs! Het is een nodiging, niet om iets te doen, maar om te ontvangen! Het is een nodiging om te ontvangen wijn en melk, ja, ten diepste om Christus te ontvangen. Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen geen brood is, en uw arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan? Hoort aandachtiglijk naar Mij en eet het goede (Jes. 55:2).

Doe uw mond wijd open! Niet alleen maar om te spreken, maar ook om te eten. Doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen. De mond open doen voor de Heere om te piepen als een zwaluw en te kirren als een duif; en ook om te ontvangen. ‘Ik heb mijn mond begerig opgedaan.’

Want Mijn vlees is waarlijk spijs, en Mijn bloed is waarlijk drank (Joh. 6:55). O alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet (Jes. 55:1). Is dat de liefste Christus niet: het Brood Dat uit de hemel is neergedaald? Wie van dat Brood eet zal nooit meer hongeren; en wie van dat levende Water drinkt zal nooit meer dorsten.

 

En nu zegt de Heere hier in Zijn Woord: Doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen. Dat is ten diepste: met Christus, met Zijn nodigingen, met Zijn profetische, priesterlijke, koninklijke bediening, met Zijn genade, met Zijn verdiensten; met Wie Hij is, Wie Hij wil zijn.

Doe uw mond wijd open! Om van Christus alleen te leven! Zijn er hier die proberen van wat anders te leven? Zijn er hier die proberen in de weg van het verbroken werkverbond nog zalig te worden; om Christus heen? Dat is de mens. En die strijd kennen Gods kinderen ook. Maar nu zegt de Heere hier in Zijn Woord: ‘Doe uw mond wijd open, om dat enige Brood te ontvangen.’

 

Die nodiging komt tot ons allen, maar de Heilige Geest leert om die nodiging echt te horen. Het is het werk van de Heilige Geest om een mens zó hongerig en dorstig te maken, dat hij buiten God, buiten genade en buiten Christus niet meer leven kan. Dat is geen werk van mensen, maar van God de Heilige Geest. Het is het werk van de Heilige Geest om een mens vast te laten lopen, om te laten vragen: ‘Is er nog een middel om die welverdiende straf te ontgaan, en wederom tot genade te komen? Is er nog een verzoende betrekking mogelijk, voor zo iemand?’

Het is het werk van de Heilige Geest om de mens te doen weten dat ze middenin de dood liggen. Maar ze gaan het leven buiten zichzelf in Jezus Christus zoeken. Als zulke mensen dan horen: Doe uw mond wijd open, wat is het hun dan wonderlijk te moede. ‘Heere, zegt U dat tegen mij: doe uw mond wijd open? Dat kan ik niet begrijpen!’ En dan moeten ze er toch wel eens aan geloven! Dan moeten ze het geloven, door de toepassing van Gods Geest, dat de Heere het tegen hén heeft: Doe uw mond wijd open!

 

En dan zal de Heere er voor zorgen dat die mond open gaat ook! Het is een nodiging die tot ons allen komt, maar het is ook het werk Gods om dat toe te passen en om dat te bewerken. Dan gaan die begerige monden open. Net als die vogeltjes in het nest; wat gaan die bekjes wijd open, wat hebben die beestjes een honger! ‘Ik heb mijn mond begerig opgedaan.’ Dat is het wat de Heere leert.

En wat is dat een zinvol bidden! Dat is een gebed dat de Heere werkt, dat Hij verhoort, en dat voortvloeit uit het gebed van Christus: Ik heb voor u gebeden (Luk. 22:32). Dat is een gebed dat de ademtocht is van de ziel. Dat is een gebed waarvan Gods kinderen zeggen: ‘Ik moet me wel schamen dat ik tijden heb van biddeloosheid, maar dáár weet ik toch van, van die nood der ziel, van die honger en dorst, en van het horen van die nodigingen: Doe uw mond wijd open!

 

O, wat een gelukkig volk, gemeente, dat dat woord hoort! En de Heere mocht het u ook doen horen. Ja, u mocht het ook willen horen, door Gods genade: Doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen.

U voelt toch wel dat de Heere geen karig God is? En u ziet toch wel in deze tekst dat de Heere geen harde heer is! Dat leeft in het hart van een mensenkind, dat Hij een harde heer is: ‘De Heere zal het wel niet willen geven.’ Maar hier maakt de Heere Zichzelf vrij van u, en zegt Hij: ‘U hebt het niet verdiend, en Ik ben het niet verplicht, maar Ik zeg het toch: Doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen.’

 

We gaan er van zingen uit Psalm 34 vers 3:

 

Zij sloegen ’t oog op God;

Zij liepen als een stroom Hem aan;

Hij liet hen nimmer schaamrood staan;

Hij wendde straks hun lot.

Hij die door smart op smart

Gedrukt werd, zond tot God zijn beê;

Terstond verdween ’t ondraagbaar wee

Uit zijn benepen hart.

 

Als mensen over zichzelf spreken en het telkens over ‘ik’ hebben, moeten we op onze hoede zijn. Het zijn mensen die over zichzelf spreken, en met mensen val je om. En zie eens wat er in onze tekst staat? En Ik zal hem vervullen! Daar spreekt de Heere over Zichzelf! Dan zegt de Heere: ‘O mensenkind, luister eens! Doe uw mond wijd open, dan zal Ik hem vervullen! Daar sta Ik voor in, dat zal Ik doen! Want Ik ben genadig en barmhartig en groot van goedertierenheid! Ik, de Heere, word niet veranderd!’ Alsof de Heere zegt: ‘En ik ben geen leugenaar!’

Johannes schrijft in zijn brief dat mensen de Heere tot een leugenaar maken. En dat doen we, gemeente: wij maken God tot een leugenaar. Want als de Heere in Zijn Woord zegt: ‘U zult de dood sterven’, dan zeggen wij: ‘Och, het valt wel mee.’ Als de Heere zegt: ‘U hebt de hel verdiend’, dan zeggen wij: ‘Zou het waar zijn?’ En als de Heere zegt: Doe uw mond wijd open, dan zeggen wij: ‘Ik weet nog niet of het wel waar is, of de Heere het wel meent!’

Dat is de mens. We weten altijd het Woord Gods te ontkrachten, de bedreigingen en de nodigingen, alles…

 

En nu zegt de Heere: Doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen. De onbedrieglijke Verbondsgod spreekt hier: En Ik zal hem vervullen. Niet: ‘Dat zal Ik misschien vervullen.’ Nee: Ik zal! Waarom? Omdat het Gods eigen werk is om zo te laten bidden! De Heere verhoort Zijn eigen werk! Want de Heere werkt zo’n gebed. En Hij beloont Zijn eigen werk. En daarom: Ik zal hem vervullen.

 

Dit staat er bij opgetekend, opdat mensenkinderen niet naar de vorst der duisternis zouden luisteren. Want die zegt: ‘Je kunt je mond nog zo wijd open doen, maar je moet altijd afwachten. Je kunt ploeteren en doen wat je wil, maar of de Heere het wil geven, is maar zeer de vraag.’ Maar het Woord Gods zegt: Die tot God komt, moet geloven dat Hij is, en een Beloner is dergenen die Hem zoeken (Hebr. 11:6).

En Ik zal hem vervullen. Die zondige mond, en dat goddeloze hart, en dat ellendige leven. En Ik zal hem vervullen.

 

Waarom de Heere dat doet? Omdat ze aardig zijn? Absoluut niet! Al is het een gebed dat de Heere gewerkt heeft en Hem daarom aangenaam is, om het gebed zal het nooit kunnen. Want het allerheiligste is met zonde bevlekt. Is het dan omdat ze zo zielig en meelijwekkend zijn? En ziet de Heere daarop neer, zo van: ‘Ach, dat arme mensenkind’? Nee, daarom niet!

Maar het is vanwege Christus, Die de grond is van de zaligheid. Dat besluit viel in de eeuwigheid, en Hij kwam in de tijd, om voor de ganse bruidskerk de prijs te betalen. En dáárom vervult God, vanwege de verdiensten van Christus, en vanwege Christus alleen. Er is geen enkele verdienste in de mens, en het is niet omdat Gods kinderen van die lieve mensen zijn, en ook niet omdat ze van die lieve mensen worden! Maar vanwege de verdiensten van Christus, gemeente! ‘Door U, door U alleen, om dat eeuwige welbehagen’, daarom!

 

En daarom gaat het werk van God voort. En daarom, vanwege Christus’ verdiensten, zullen er nog gaan bidden! Christus bad: Vader, Ik wil dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt (Joh. 17:24). De Heere maakt biddend, op grond van de verdiensten van Christus. De Heere zal er voor zorgen dat Hij een volk heeft op de dag van Zijn heirkracht, en dat zal Zijn lof verkondigen. Omdat Hij Zelf de volle prijs betaald heeft voor Zijn ganse Kerk en een volkomen verzoening heeft aangebracht. Daarom zal het zijn: ‘Ik wil en zij zullen.’ Ze zullen bidden, smeken en roepen. Ze zullen het leven uit eigen hand verliezen. Ze zullen hun mond wijd open doen! En Ik zal hem vervullen.

Opdat we alle waardigheid uit de werken eens zouden verliezen, opdat alle waardigheid uit ons gebed zou verdwijnen, en we eens met lege handen zouden staan. En dan roepende: ‘Om Christus’ wil! Om Jezus’ wil!’

Dat zeggen we vaak aan het eind van het gebed: ‘Om Jezus’ wil!’ Maar dat betekent wat! Dat betekent: ‘U kunt mij niet horen om mijzelf. Maar vanwege de gerechtigheid van Uw lieve Zoon dan! Want Hij heeft de wet vervuld. Hij heeft Zijn hele leven gehoorzaamheid betracht. Hij heeft de volle prijs betaald met Zijn lijden en sterven. En Hij is opgestaan uit de dood.’ ‘Om Jezus’ wil’ zeggen, dat is: ‘Ik heb niks! Maar uit genade alleen…’ En daarom zal de Heere vervullen!

 

En Ik zal hem vervullen. Vervullen! Nee, de Heere stopt daar niet maar een kruimeltje in, maar Hij laat het genoeg zijn. De Heere geeft genoeg aan Paulus, die dingen wilde in zijn leven die de Heere niet wilde geven. Want hij wilde er van af, van die scherpe doorn in zijn vlees. En hij maar bidden! Hij heeft de Heere gebeden of hij daarvan verlost mocht worden. En de Heere zei: ‘Nee!’ En toch geeft de Heere vervulling. Paulus moest zeggen dat hij dit en dat moest missen, en toch kreeg hij genoeg, want de Heere had gezegd: Mijn genade is u genoeg (2 Kor. 12:9). En toen had hij nog genoeg ook! En Ik zal hem vervullen.

En zo gebeurt het dat er mensen zijn die in dit leven dingen missen die ze graag hadden willen hebben, en ze hebben tóch genoeg. En er zijn ogenblikken dat ze die volheid mogen zien, en van die volheid wat mogen proeven. Dat ze mogen komen aan de voeten Gods en Zijn stem mogen horen. En dan is het genoeg. Dan is het genoeg als ze horen dat het voor hen nog kan. O, wat zijn ze dan verblijd! ‘Een Zaligmaker, Wiens Naam is Jezus! Want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonde!’ Dan huppelen ze wel eens van zielenvreugd! Dan hebben ze niet alles voor de wereld, en toch hebben ze álles. Want dan wordt alles hun toegeworpen!

O, wat is het vol als ze wat zien van Christus’ gerechtigheid! Dat Zijn gerechtigheid alleen maar redt van de dood! En als de Heere verder leidt en laat zien: ‘Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven!’ En ze mogen roemen in vrije gunst die eeuwig Hem bewoog. En ze mogen zien dat Christus betaald heeft, en met grote stem heeft uitgeroepen: Het is volbracht! (Joh. 19:30). Verzoend! Alles aangebracht! Vol! En dat voor zo één!

 

Het zijn voorsmaken van de zaligheid. Die hebben Gods kinderen niet elke dag, en ook niet elke week. Maar ze hebben er toch wel eens wat van; vaak naarmate er ook een aanhankelijk gebedsleven is. Want hoe meer er van dat gebedsleven mag zijn, hoe meer inkomsten de Heere doorgaans geeft. Ja, dan mag er wel een zoete herinnering zijn. En dan mogen ze wel smeken: ‘Och, wierd ik derwaarts weer geleid! Dan zou mijn mond U de ere geven!’

Maar het is hier het land van de rust niet. Het grote wacht nog! Dat zal hun ten deel vallen bij de dood, en nog meer, ten volle, bij de wederopstanding des vleses en het eeuwige leven, dat dan naar ziel en lichaam ontvangen zal mogen worden.

O, dan zullen ze vervuld worden! Waarmee? Met God Zelf en met Christus Zelf! Dan zullen ze altijd bij de Heere mogen zijn. Zullen ze nog méér moeten, als Zijn vriendelijk aangezicht bij hen is en als de Heere zegt: ‘Gij zijt Mijn volk’ en als zij zullen zeggen: ‘O, mijn God’?

Daar heeft Paulus van geschreven in de brief aan de Thessalonicenzen: En alzo zullen wij altijd met de Heere wezen. Zo dan, vertroost elkander met deze woorden (1 Thess. 4:17-18).

 

Wat is Gods volk gelukkig! U ziet dat misschien niet altijd. En misschien verbergen zij het wel eens te veel, en spreken zij er te weinig over. Misschien zijn er wel eens weinig inkomsten en zijn de zielen mager. En toch is het een gelukkig volk! Want al moeten ze dan hier op aarde veel missen, er staat genoeg tegenover. En de Heere laat voor hen toch de weg niet te veel zijn. Het geeft wel vaak gewicht aan de klok, maar het drijft hen uit naar de Heere. En dan moeten ze wel eens zeggen: ‘Heere, als ik die gewichten niet had gehad, waar was ik dan gebleven? Dan was ik de wereld ingegaan, dan had ik oppervlakkig geleefd.’ En nu mogen die dingen medewerken ten goede, om dat allergrootste te begeren en te ontvangen! Een gelukkig volk!

O, ze weten dat het waar is. Als het geloof werkzaam is, dan zeggen ze: ‘Ja! Doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen.’ Want dat betoont de Heere. En dat mogen Gods kinderen wel eens rustig beamen tegen hun geliefden, en tegen anderen met wie ze dat een ogenblik rustig mogen bespreken. Dan mogen ze gerust zeggen dat de Heere een Waarmaker is van Zijn Woord. Dan mogen ze gerust zeggen dat dat waar is, wat er staat in Psalm 81 vers 11: Doe uw mond wijd open, want Ik zal hem vervullen.

 

De Heere wil er om gevraagd worden. Gemeente, het is niet mijn woord. Het is Gods Woord! Overdenk het eens. Zoekt de Heere terwijl Hij te vinden is, roept Hem aan terwijl Hij nabij is. De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot de Heere, zo zal Hij Zich zijner ontfermen, en tot onze God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk (Jes. 55: 6-7).

 

Heeft het zin om te bidden? O, doe uw mond wijd open en Ik zal hem vervullen!

Zo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal gewisselijk komen (Hab. 2:3). De Kananese vrouw heeft mogen en moeten aanhouden, ook al zei Christus dat het niet betamelijk was het brood van de kinderen aan de honden te geven. Ook al hadden de discipelen gezegd: ‘Laat haar van U!’ Maar ze bleef aanhouden! Wat een geloof, en ze kreeg het!

En die God is nog Dezelfde. Laat u nu niet van de wijs brengen door de vorst der duisternis. Het Woord Gods is en blijft waar. Daar kunt u van op aan! U bent een bedrieger van uzelf (dat zijn we: bedriegers van onszelf), maar Gods Woord bedriegt ons niet! Doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 81: 12

 

Opent uwen mond,

Eist van Mij vrijmoedig,

Op Mijn trouwverbond;

Al wat u ontbreekt,

Schenk Ik, zo gij ’t smeekt,

Mild en overvloedig.