Ds. P. van Ruitenburg - Jesaja 9 : 5a

Onderwerp

Jesaja 9
De voornaamste reden tot blijdschap voor een volk dat wandelt in duisternis
Wandelen in de duisternis
Zich verheugen in het geboren Kind
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 24)

Jesaja 9 : 5a

Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 123: 1
Lezen : Jesaja 9
Zingen : Psalm 30: 2, 3, 4
Zingen : Psalm 36: 3
Zingen : Psalm 108: 6

Gemeente, alle mensen zijn gelukzoekers. Niet alleen sinds onze val in het paradijs, maar daarvóór al. De mens is geschapen om geluk te zoeken. Als een mens niet die neiging had om geluk te zoeken, had hij geen wil. Want alle wil van een mens is wil om geluk.

Op zichzelf is het daarom ook niet verkeerd om een gelukzoeker te zijn. Daar is helemaal niets op tegen. Als we ons geluk maar vooral zoeken in de Heere en nooit zónder de Heere en lós van de Heere. Dan mag een mens best een gelukzoeker zijn. Als de Heere er maar bij is; als de Heere het hoogste goed is, het hoogste vermaak is en onze verlustiging is. Dat is verkeerd gegaan in de zondeval. Niet dat Adam en Eva geluk begonnen te zoeken, maar dat ze het geluk op de verkeerde plaats begonnen te zoeken.

Geluk zoeken, blijdschap, hoort zelfs bij de dienst des Heeren. Want als iemand de Heere dient zonder blijdschap, is het niet goed. Dan is het dienen met tegenzin. Dan is het plicht en verder niet. De Heere is alleen gediend met een gewillig volk, dat Hem graag en met blijdschap dient. Anders hoeft het voor de Heere niet. Daarom, alle waar geloven en alle waar dienen van de Heere is een dienen met blijdschap er in, meer of minder. Zelfs de allerkleinste in de genade krijgt een lust, een liefde, een begeerte om de Heere te dienen. Hij krijgt er zin in om de Heere te zoeken in het gebed. Hij krijgt lust om de Bijbel te onderzoeken. 

 

Gemeente, onze tekst voor deze dienst staat ook in het verband van geluk, van waar geluk. Daarom begint onze tekst ook met ‘want’. Het gaat in het verband van de tekst over een volk dat zeer gelukkig is, wánt… Ik heb onze tekst nog niet genoemd, maar ik wil u er vast op voorbereiden, zodat u op een bepaalde wijze leest en luistert naar de tekst. Het gaat over de  allergrootste blijdschap. En die blijdschap mag er zijn, wánt…

Nu onze tekst, Jesaja 9 vers 5a:

 

Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven.

 

Het gaat in deze tekstwoorden over: De voornaamste reden tot blijdschap voor een volk dat wandelt in duisternis.

 

Twee gedachten:

1. Wandelen in de duisternis

2. Zich verheugen in het geboren Kind

 

1. Wandelen in de duisternis

 

Gemeente, heeft u zich wel eens ooit gerealiseerd hoe belangrijk het woordje ‘want’ is? Dat staat aan het begin van ons tekstwoord: Want… Er ging als het ware een nieuw licht voor me op, toen ik zag dat het woordje ‘want’ van onze tekst het hele teksthoofdstuk bepaalt en eigenlijk terugbrengt naar het tweede vers: Gij hebt dit volk vermenigvuldigd, maar Gij hebt de blijdschap niet groot gemaakt. Zo was het eerst. Een groot volk, vermenigvuldigd. Maar de blijdschap was niet groot. Dat is trouwens hetzelfde beeld als het volk dat in duisternis wandelt en in de schaduw van de dood. De blijdschap is bepaald niet groot. Eigenlijk géén blijdschap. En nu staat er in het tweede gedeelte van dat tweede vers: ‘Zij zullen nochtans blijde wezen voor Mijn aangezicht. Zo blij als men verblijd is in de oogst. Gelijk men verheugd is wanneer men de buit uitdeelt.’ Dat is de kerntekst van ons hoofdstuk. Daar moet ik iets over zeggen, voordat we verder gaan met de eerste gedachte.

 

Het gaat hier over de belofte van blijdschap, die zó groot is dat het genoemd wordt ‘een blijdschap voor het aangezicht Gods.’ Verblijd in de Heere en met de Heere. Die blijdschap is zó groot, het is een blijdschap als in de dagen van de oogst.

Denk aan het boerenleven in Israël. Dat was heel hard werken. En wat een beloning was het voor de boeren als ze de oogst binnenhaalden. Dat waren feestweken! Vooral als de oogst binnen was, wat een heerlijk gevoel dat je klaar was, dat het land leeg was, dat je schuur weer vol was en dat je eten had voor de toekomst, dat je je gezin kon voeden. Dan werd er feest gehouden. Dat is een beeld.

Zo zal er nochtans blijdschap wezen voor het aangezicht Gods, als ten dage van de oogst, als ten dage dat men de buit uitdeelt. Dat is dus na de oorlog, de vijand had aangevallen, de vijand was verslagen en de buit werd verdeeld. Men was natuurlijk zeer verblijd dat de vijand verslagen was, dat hij zijn kans niet had gekregen, dat zij niet ten roof waren gevallen aan de vijand, maar dat hij de strijd had verloren. De buit wordt uitgedeeld. Overwinning!

 

Dat is als het ware het fundament van ons teksthoofdstuk. En dan wordt er gezegd waarom dat volk blijdschap zal hebben. Er worden eigenlijk drie redenen genoemd, in drie keer ‘want’. In onze Statenvertaling is één keer ‘want’ vertaald met ‘toen’. Maar eigenlijk staat er drie keer ‘want’. De verzen 3, 4 en 5 beginnen eigenlijk allemaal met ‘want’.

Grote blijdschap, want het juk van hun last en de stok hunner schouders en de staf desgenen die hen dreef, hebt Gij verbroken, gelijk ten dage van de Midianieten. Grote blijdschap, want de Heere heeft die last verbroken, dat juk op hun schouders in stukken gebroken. Nu zijn ze vrij en ze hebben geen last meer te dragen. Blijdschap is er, want er is vrijheid! Dat is het eerste ‘want’.

Dan staat er in vers 4 eigenlijk: ‘Want de ganse strijd dergenen die streden, geschiedde met gedruis, en de klederen, in het bloed gewenteld, werden verbrand tot een voedsel des vuurs.’ Dat is een moeilijke tekst, ook voor de vertalers. Maar wat waarschijnlijk bedoeld is, is dat na de oorlog alle herinneringen aan de oorlog werden verbrand, tot een voedsel des vuurs. Als je een vuurtje brandt, geef je voedsel aan dat vuur. En daar gingen al die kleren die met bloed besprengd waren, en die oude soldatenlaarzen in het vuur. Ook de wapens werden met vuur verbrand, alles tot een voedsel des vuurs. Dat is de tweede reden van de blijdschap. Dus: het juk werd verbroken en alle herinneringen aan de oorlog zijn weg.

En nu het derde, en dat is de voornaamste reden van de blijdschap: Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven.

Vat deze tekst op als een lied, als een jubelzang. Groot is de blijdschap: Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven! Die blijdschap is eigenlijk alleen maar te verklaren als we bemerken hoe duister, hoe donker, hoe zwart het geweest is van tevoren. Daarom moeten we daar nu iets over zeggen. Het staat in het eerste vers: Het volk dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien. Dat volk dat geen blijdschap had, zal blijdschap hebben. Dat volk dat in de schaduw van de dood leefde, daarover zal een licht schijnen. De blijdschap zal komen! En dan komen die drie redenen. 

 

Wat zou dat betekenen: Het volk dat in duisternis wandelt? Duisternis, betekent dat zwaarmoedigheid? Of is het dat je twijfelt aan alles? Of dat je lijdt? Of dat je het moeilijk hebt op de één of andere manier? Wat is duisternis hier eigenlijk?

We hebben de kern dacht ik niet geraakt als we zeggen: ‘Duisternis is donkerheid en ongeloof en moeilijkheden en geen hoop meer hebben en jezelf voortslepen en niet weten hoe het verder moet. Het is allemaal zo onmogelijk.’ Nee, dan heb je het niet begrepen wat het woordje ‘duisternis’ betekent.

Gemeente, het woord ‘duisternis’ wordt uitgelegd in het achttiende vers: Vanwege de verbolgenheid des Heeren der heirscharen zal het land verduisterd worden. Het woord ‘duisternis’ is hier dus het beeld van de toorn van God. Dat is geen kleine zaak hoor, de toorn van God! Gods Woord zegt ons dat wij van nature kinderen des toorns zijn. Alle mensen zijn dat van nature, kinderen des toorns. En dat is die duisternis. Godloos zijn en onder de vloek liggen van de toorn Gods, dat is de duisternis. Zo wordt het uitgelegd in het verband van de tekst. Duisternis is hier het beeld van onbekeerde mensen die, vroom of goddeloos, om God niet geven. De vloek des Heeren en de toorn Gods blijft op hen.

 

Als de Heere je stilzet, kom je er wel achter, dat je geen lief kind van God bent, maar dat je een kind des toorns bent. Het valt niet mee om dat te beseffen, dat je een kind des toorns bent, dat de Heere Zijn aangezicht tegen je gesteld heeft. Dat valt niet mee!

Hoe zou ik dat kunnen uitleggen, wat de toorn Gods is? Toorn heeft altijd te maken met liefde. Als er geen liefde is kan er eigenlijk ook geen toorn zijn. Als er een kind thuiskomt uit school en zegt tegen zijn moeder: ‘Mama, ze hebben me geslagen; kijk eens, helemaal blauw!’ Wat voelt zo’n moeder dan? Zal ze niet erg boos worden op de jongens die dat gedaan hebben? Ik denk het wel. Waarom? Omdat ze van haar kind houdt! Als ze dat bij de buurkinderen doen, wordt ze misschien niet zo boos, maar als ze het bij haar eigen kind doen wel. En hoe meer liefde er is, hoe bozer je wordt.

Wel, gemeente, zo is het ook met de dienst des Heeren. Alle mensen hebben God wat aangedaan. We hebben God beledigd, tegen God gerebelleerd. En er is Iemand Die erg veel van God houdt, Die daar uitermate vertoornd over is. En Wie denkt u dat dat is? Wie wordt er zó vertoornd dat God beledigd is? Wel, dat is God Zelf. God heeft God lief. En wie God aanraakt, raakt God aan. En wie God wat aandoet, moet door God gestraft worden. Want zoals een moeder er niet tegen kan dat ze haar kind iets aandoen, zo druist het tegen God in, dat men God wat aandoet.

 

En nu is het zo, gemeente, als een kind dat geplaagd wordt heel onschuldig is, of nog maar een klein kind is, of een gehandicapt kind, dan wordt die moeder nóg bozer. ‘Zo’n onschuldig kind, hoe durf je? Hoe durf je, zo’n klein, weerloos kind!’

God is heilig, goed en volmaakt. De Heere wordt zó vertoornd als wij zondigen tegen een goeddoend, heilig God. Wij kunnen ons niet voorstellen wat Gods toorn is. Dat is Zijn brandende verbolgenheid, omdat men Hem van de troon wil stoten. Daar ontvlamt de rechtvaardige toorn Gods tegen de zonde, omdat God Zichzelf oneindig bemint en daarom de zonde oneindig moet straffen, met tijdelijke en eeuwige straffen. Die toorn van God hebben wij als menselijk geslacht over ons gehaald. En dat is nu die duisternis, dat ‘in duisternis wandelen’, het leven onder de vloek des Heeren, zonder God in de wereld zijn.

En wat is het dan een wonder, gemeente, dat er staat: Het volk dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien. Want wat betekent dat? Een volk dat onder de toorn en de vloek van God ligt, zal Gods vriendelijk aangezicht zien in Christus! Een kind des toorns zal een kind worden van de levende God!

Het volk dat in zulk een duisternis wandelt, zal tóch een groot licht zien. Al vragen ze er niet om, al hebben ze er geen behoefte aan, al zijn ze in de schaduw van de dood, al zijn ze onbekeerd, al gaan ze door op een vrome farizeïstische of goddeloze weg, de Heere gaat door met Zijn werk. En het volk dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien. Zij die wonen in het land van de schaduw des doods, over dezelve zal een licht schijnen. Daarover gaat onze tekst.

 

Gemeente, ons teksthoofdstuk spreekt in de eerste plaats over het volk van Israël, dat de Heere in ballingschap leidt. Want de Heere kan de zonde van het volk van Israël niet meer aanzien. Hij zendt ze in ballingschap onder Zijn rechtvaardige toorn. Daarom is het een volk dat in duisternis wandelt. Dat volk zal een keer terug mogen en licht mogen zien.

Deze tekst wordt ook aangehaald in Mattheüs 4, aangaande het volk van Israël in de tijd van het Nieuwe Testament. Die stammen van Zebulon en Nafthali wonen in het land van Galilea, het land van de duisternis en de schaduw des doods, daar zal een licht gaan schijnen. Het gaat eigenlijk over heel het volk van Israël; de noordelijke provincies van Israël vertegenwoordigen dan heel Israël. En Israël vertegenwoordigt eigenlijk ook de hele wereld. Het licht gaat schijnen in de duisternis.

 

Maar er is nog iets anders. En nu ga ik denken aan Johannes 1; daar lezen we: En de duisternis heeft Het niet begrepen (Joh.1:5). Het is zó ellendig geworden met ons mensen, na de val, dat we zelfs nog graag in de duisternis blijven. Ik moet nog wel eens denken aan wat mijn dominee zei toen ik jong was; het maakte diepe indruk op me. Hij zei: ‘We zitten allemaal in een donkere gevangenis; de deur staat open... en we willen er nog niet eens uit!’ Ik dacht: ‘Dat is raar, in een duister, donker hol van de gevangenis leven en de deur staat open, en je wilt niet eens naar huis!’ Dat is nu ook het beeld van onze tekst. Het volk dat in duisternis wandelt en het licht tegenstaat.

Ik denk aan die oude man die ik sprak, nog niet zo lang geleden. Hij was onbekeerd, zei hij. Dat kan ik niet beoordelen, maar ik neem aan dat hij gelijk had; ik ben eigenlijk báng dat hij gelijk had. Hij zei: ‘Dominee, ik snap het niet; ik heb m’n hele leven er om gevraagd, ik ben m’n hele leven naar de kerk geweest, ik heb m’n hele leven gebeden, m’n hele leven gelezen, nu ben ik nog onbekeerd. Wat moet ik nu nog verder doen? Ik kan verder niks doen, ik weet het echt niet meer.’

Je voelde zo tussen de regels door dat hij eigenlijk God de schuld gaf en zichzelf een schouderklopje gaf dat hij ook niet méér kon. Dus ik vroeg aan hem: ‘Zou je echt bekeerd willen worden?’ Hij zei: ‘Ja, natuurlijk, ik wil bekeerd worden! Wie wil er nu niet bekeerd worden?’ Ik zei: ‘Zou je bekeerd willen worden, alleen om God, omdat Hij het zo waardig is om gediend te worden?’ Hij keek me aan en zei: ‘Dat weet ik niet.’ Ik zei: ‘Dan weet ik het wel. Je wilt wel bekeerd worden, maar niet om God. Dus eigenlijk wil je helemaal niet bekeerd worden. Niet om God, alleen vanwege jezelf, uit zelfmedelijden. Voor jezelf, maar niet om God.’

Hij keek me aan, en nadat hij eventjes stil was geweest, zei hij: ‘Maar is een mens dan zó diep gevallen dat hij niet eens bekeerd wil worden?’ Ik zei: ‘Ja, ik denk dat je gelijk hebt.’

 

Dat is nu de duisternis. O, je wilt natuurlijk best gelukkig zijn en je wilt best vrede in je hart hebben en je wilt een stukje zekerheid hebben en een stukje heerlijke toekomst. Dat willen we allemaal. Maar gaat het dan echt om God? Als je trouwt, waar trouw je dan om? Om het geld? Om iemand te hebben die voor je kookt? Of om iemand die voor je zal zorgen? Of trouw je de ander uit liefde tot haar, of tot hem? Waarom wil je bekeerd worden? Om de Heere? Van nature wil een mens niet tot God bekeerd worden om Hem Zelf. Dat is de duisternis waar de mens in wandelt, met zijn rug naar God toe. Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet begrepen.

Als je nu eens heel eerlijk bent, moet u het dan ook niet belijden, moet u het dan ook niet eerlijk tegen de Heere zeggen: ‘Heere, ik geloof dat ik niet bekeerd wil worden om U. Ik wil alleen maar bekeerd worden voor mezelf.’ Belijd het eens voor de Heere en zeg: ‘Heere, wat een duisternis is er toch in mij, wat een donkerheid, wat een schaduw van de dood! Wat een monster ben ik, waar geen beweging in te krijgen is.’

Misschien is er hier wel iemand die moet zeggen: ‘Ik ben de meest onbekeerde man of vrouw in de hele kerk. Mijn hart is als een steen, zo’n goddeloos hart, zo onverschillig. Als je wist wie ik was, als je wist wat ik had gedaan, het is voor mij gewoon onmogelijk!’ Als er nu zo iemand is, wel, daar gaat onze tekst over. Het volk dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien. Zul je nooit de moed verliezen? Al heb je nóg zo’n steen vanbinnen, denk erom dat er voor de Heere niets te wonderlijk is!

 

Die duisternis is er. Een onmogelijke duisternis, die je zelf niet weg kunt krijgen. Maar nu staat er toch dat het licht zal schijnen in die duisternis! Er staat: Een groot licht. Dat licht is groot genoeg om alle duisternis weg te nemen.

Over hen die wonen in het land van de schaduw des doods,  zal een licht schijnen. Het volk is vermenigvuldigd, maar niet de blijdschap is groot gemaakt. Maar als dat licht gaat schijnen is dat hetzelfde als: Nochtans zullen zij blijde wezen voor Mijn aangezicht, als ten dage van de oogst, als ten dage wanneer men de buit uitdeelt. Want het juk wordt verbroken en alle herinneringen aan de oorlog worden verbrand. en: Een Kind is ons geboren.

 

Gemeente, samenvattend, aan het eind van deze eerste gedachte, zou ik willen zeggen: van nature leven we onder de toorn van God. Het aangezicht des Heeren is tegen ons gesteld. En een mens van nature wil die gevangenis nog niets eens uit ook. En toch wacht de Heere om genadig te zijn. Toch brengt de Heere u hier samen onder de prediking van het Woord. Het is iets wat wij niet kunnen vatten, dat aan de ene kant een natuurlijk mens een kind des toorns is en dat aan de andere kant de Heere nog wacht om genadig te zijn.

Als de Heere in het leven van een mens gaat werken, dan doet de Heere zijn ogen open en dan kijkt hij om zich heen en dan zegt hij: ‘Wat is het hier donker! Eigenlijk heb ik nooit gezien dat het zo donker was. Eigenlijk heb ik er nooit aan gedacht, heb ik me niet bekommerd om die donkerheid.’ Kijk, dan wordt die donkerheid een last, gemeente. Het wordt een last, dat je een kind des toorns bent. Dan is de hand des Heeren zwaar op je. Dan voel je de hand van God op je drukken. Dan voel je dat je onbekeerd bent en dat er iets is tussen de Heere en je ziel. Dat wordt ondraaglijk. Dan probeer je die duisternis weg te krijgen, maar dat is onmogelijk.

Er is een volk dat lijdt onder die duisternis. Die wandelen niet in duisternis zoals anderen, maar die beléven hun duisternis. Die wandelen in de duisternis en er is geen echte blijdschap. Dan kun je niet meer blij zijn, want diep op de bodem van je hart ben je ongelukkig. Je kunt niet echt blij wezen. Je weet dat er een volk is dat wel blij kan wezen, maar daar hoor je zelf niet bij. De blijdschap niet groot gemaakt. Wandelen in de duisternis.

 

Maar nu staat er in onze tekst: Zij zullen nochtans blijde wezen… want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven. Dat brengt ons tot onze tweede gedachte:

 

2. Zich verheugen in het geboren Kind

 

Jesaja, de evangelist van het Oude Testament, mag prediken over een Koning der Joden, Die geboren zal worden als een kind. Want een Kind is ons geboren. Als er een kind geboren wordt, gemeente, dat is mooi. Ik stel me zo voor dat zo’n jonge vader naar huis opbelt, vanuit het ziekenhuis of van thuis, naar zijn vader en moeder, en zegt: ‘Vader, moeder, er is een kindje geboren!’ Als je zo naar je ouders belt dat er een kindje geboren is, dan denk ik dat je een brok in je keel hebt en dat er emotie is in je stem. En je moeder of je vader hoort het. ‘Is er een kindje bij jullie geboren?’ Wat een emotie!

Zo lees ik dit vers ook: Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven. Maar dan heel anders. En als iemand op aarde al zo zielsblij kan zijn met de geboorte van een kindje, wat denkt u van dit Kind? Wat denkt u van de herders? Wat denkt u van Simeon? Want een Kind is ons geboren. Zo lang gewacht. Nu is dat Kind ons geboren.

 

De Heere Jezus Christus is geboren als een kind. Waarom? Laat ik er heel eenvoudig een paar dingen van zeggen, waarom de Heere Jezus als een kind geboren moest worden. In de eerste plaats: als je niet geboren wordt kun je ook niet sterven. Wie niet geboren is kan niet sterven. Maar Christus moest gaan sterven en daarom moest Hij geboren worden als een mens. Dus denk maar niet al te romantisch over het Kerstfeest, want het is een heel ernstig iets. Kerstfeest, Christus is geboren. Geboren om te gaan lijden. Geboren om de toorn Gods te ondervinden. Geboren om in de duisternis te zijn. Geboren om de toorn Gods te voelen branden op Zijn ziel. Daarom is Hij geboren. Hij is geboren om te sterven en Zijn bloed te geven tot een rantsoen voor velen. Dat is geen kleine zaak. Je mag daarom Kerstfeest nooit losmaken van Goede Vrijdag en van de andere feesten.

 

Waarom moest Christus geboren worden als een kind? Wel, in de tweede plaats hierom: de mens had gezondigd en daarom was er een mens nodig die het goed ging maken, die het ging herstellen, die plaatsvervanger kon zijn, die plaatsbekledend kon werken. Daarom was een engel daartoe niet in staat. En een beest ook niet; al die offers van beesten deden het niet. God wilde dat een mens plaatsbekledend werk deed voor mensenkinderen. Daarom is Christus gekomen als een kind, om mensen te kunnen zaligen. Om mensen te kunnen redden, die ook kind geweest zijn. Wij zijn allemaal kind geweest, u ook. Of ben jij nog een kind? Christus is geboren als een kind, om zulke mensen als u en ik, als jullie, jongens en meisjes, zalig te kunnen maken. Daarom is Hij kind geworden. Hij is de broederen in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde.

 

Nog iets. Waarom is Christus kind geworden? Wel, gemeente, als je terugdenkt aan de tijd dat je kind was, dat je jong was, - misschien ben je nog in je jeugd - dan zul je je wel herinneren dat er verschillende dingen geweest zijn die je verkeerd gedaan hebt. Dat je zondig bent, dat je zondáár of zondares bent. En die gedane zaken nemen geen keer; die kun je niet meer veranderen. Wat je fout gedaan hebt, dat je tegen de wet gezondigd hebt, dat je al de geboden van God overtreden hebt, dat is niet meer goed te maken. Dat is gebeurd. Dat kun je niet meer overdoen. Je hebt maar één leven.

En nu is er een Kind geboren, is er een Zoon gegeven, Die vanaf het allereerste begin van Zijn leven tot het allerlaatste moment van Zijn leven nooit één keertje zal gaan zondigen. Die zal het alles volmaakt gaan doen. Die zal aan het eind van Zijn leven kunnen zeggen: Het is volbracht (Joh.19:30). Dat wil zeggen: ‘Ik heb het alles goed gedaan.’ Dat was nodig, want de Heere wilde dat er aan Zijn gerechtigheid genoeg zou geschieden. Hij wilde niet alleen dat die straf werd gedragen, maar ook dat de wet werd vervuld. De Heere Jezus kon zeggen: ‘Ik draag Uw heilige wet, die Gij de sterveling zet, in ’t binnenst’ ingewand.’ Dus Christus is kind geworden, om zo een volledige zaligheid uit te kunnen werken voor mensen.

 

Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven. Geboren en gegeven. Hoort u: het komt van een andere kant vandaan Waar de mens zichzelf niet geboren kan doen worden,  heeft de Heere dit Kind geboren doen worden, heeft de Heere deze Zoon gegeven, om zalig te kunnen maken dat verloren is.

Let u er ook op dat er in deze tekst staat: Is óns geboren. Er staat eigenlijk: vóór ons. In Jesaja 7 wordt gesproken over ‘mét ons’. U weet wel wat ‘Immanuël’ betekent: God mét ons. Wat heeft dat een rijke inhoud, God mét ons! In onze tekst staat het iets anders. Niet ‘God mét ons’ maar: ‘God vóór ons’. En dat is nu allebei zo waar voor de Kerk Gods: God met ons en God voor ons. ‘Want een Kind is voor ons geboren en een Zoon is voor ons gegeven.’

En de heerschappij is op Zijn schouder. Vele verantwoordelijkheden rusten er op onze schouders. Als ouders, als ambtsdragers, als jonge mensen ook. Je hebt heel wat verantwoordelijkheid te dragen. Maar hier gaat het over iets anders: En de heerschappij is op Zijn schouder. Het profetisch ambt is op Zijn schouders. Ook het priesterlijk ambt. Maar de heerschappij is ook op Zijn schouders: Zijn koninklijk ambt.

Het gaat hier over een Koning, over een Kind, Dat Koning wordt om te heersen, om te regeren, om te beschermen. Zijn koninkrijk omvat niet alleen Zijn kinderen, maar Zijn koninkrijk heeft betrekking op de hele wereld. Want alle dingen zijn in Zijn hand gegeven. Alle macht heeft Hij gekregen. En nog steeds, aan de rechterhand van de Vader, is dit Kind aan het heersen. De heerschappij is op Zijn schouders.

 

Maar u weet wel, niet alleen Zijn koningschap is belangrijk. Hij is ook Profeet geworden, om volkomen de weg der zaligheid te kunnen uitleggen, zodat niemand hoeft te gissen. Hij kan het vertellen. Hij kan leiden. Hij kan toepassen door Zijn Geest. Dan wordt het zó helder en zó duidelijk voor jezelf persoonlijk. Zulk een Middelaar hebben we nodig, Die ons wijs maakt tot zaligheid.

Hij is evenwel niet alleen Koning en Profeet, maar ook Priester, ja Hogepriester, Die niet het bloed neemt van stieren en van bokken, maar Zijn eigen bloed. Om zo met Zijn eigen bloed verzoening te doen. Niet verzoening te doen in die zin dat er morgen wéér verzoening gedaan moet worden, maar Die eenmaal verzoening heeft aangebracht, een volkómen verzoening voor al de Zijnen. Dat Kind is geboren om dat grote werk te gaan doen en die verantwoordelijkheden te gaan dragen.

 

Kunt u nu begrijpen wat de blijdschap is in deze tekst? Als je dat nu eens zien mag voor jezelf, als dat nu eens persoonlijk voor u waar mag worden: Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven. Als je dat nu eens horen mag, wanneer je in de duisternis zit en er geen uitweg meer is, dat er een Kind is geboren, dat er een Zoon is gegeven! En dat zondaren welkom zijn om zich tot Hem te wenden en onder Zijn vleugelen toevlucht te nemen. O, wat een blijdschap, wat een overvloeiende fontein van genade!

Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven! Deze blijdschap is een blijdschap die de wereld niet kent. Het is een blijdschap die alle verstand te boven gaat. Het is een blijdschap die méér is dan de blijdschap van alleen maar vrede te hebben en vrijheid te hebben. Het is de blijdschap in God. Want een Kind is ons geboren.

 

Gemeente, wat een voorrecht is het voor een jonge moeder als ze, vooral na een moeilijke periode, haar kindje mag hebben. Dan is ze alle verdriet vergeten. Zo ook hier: als dit geboren Kind in het geloof gezien en omhelsd mag worden, dan ben je alle duisternis vergeten. Dan is alle onmogelijkheid weg. Dan mag je je verlustigen in de Heere. Want dit Kind is geboren met een doel: om zondaren weer in een verzoende betrekking te brengen met God.

 

In het leven der genade gaat het om God en om niets anders. Daarom mag ik u ook vragen waar het u om gaat. Gaat het ons om de vrede? Gaat het ons om de hemel? Gaat het ons om de vergeving van zonden op zich? Of gaat het om God en is er een begeerte in ons hart naar dit Kind? Want zonder een betrekking op dit Kind mogen we onszelf niet onder Gods kinderen rekenen. Als dit Kind ons helemaal niets te zeggen heeft, als er geen plaats in ons hart gemaakt is voor dit Kind Jezus, hoe durf je dan te zeggen: ‘Er is wat in mijn leven gebeurd’? Hoe kun je dan zeggen: ‘Maar ik weet tóch dat er twintig jaar geleden wat gebeurd is in mijn leven; dat zal ik niet vergeten; daar rust ik nog steeds op’? Dat kan niet. Want het is nodig iets van dit Kind te kennen.

 

Misschien is het woord ‘kennen’ wel een erg zwaar geladen woord, misschien durft u niet te zeggen dat u dit Kind kent. Als ik aan u vraag: ‘Kent u de Heere Jezus?’, dan zegt u misschien: ‘Nee, dat durf ik niet te zeggen.’ Maar mag ik u dan een andere vraag stellen: Is Hij u dierbaar? Op z’n minst moet het Kind u dierbaar zijn. Gaat je hart wel eens sneller kloppen als je over Hem hoort spreken? Is het wel eens zo dat je de stem hoort van dat Kind, van die Profeet, en dat die stem een stem is die je herkent uit duizenden? Want de schapen kennen Zijn stem en zij volgen Hem.

Er zijn er van Gods kinderen die nog niet veel verder gekomen zijn dan het kennen van de Heere Jezus in Zijn stem. In dat: O alle gij dorstigen, kom tot de wateren! (Jes.55:1). Ze weten nauwelijks dat de Heere Jezus het zegt. Het is de stem van Christus, maar ze weten zielsbevindelijk nog zo weinig van Wie Hij is en wat Hij gedaan heeft om Zijn Kerk zalig te maken. Ze weten nog zo weinig van Zijn geboorte en van Zijn lijden en sterven en van Zijn opstanding. Toch hebben ze Hem lief.

 

U weet misschien wel dat Alexander Comrie vaak gesproken heeft over de kenmerken van genade. Dat deden onze vaderen vaak, spreken over de kenmerken. Comrie heeft ook een enkele zin geschreven over het voornaamste kenmerk van genade. En dat is wel zó duidelijk. Dat is ook belangrijk te weten voor de broeders van de kerkenraad, als ze op huisbezoek gaan.

Het duidelijkste kenmerk van genade, wat is dat? Dat je nachten hebt gehuild? Nee hoor. Mensen kunnen nachten huilen en ze kennen helemaal niets van genade. Dat je een keer naar een preek hebt geluisterd die zoveel indruk op je maakte, zodat je die preek nooit meer zult vergeten? Ach, er zijn zovéél preken die je nooit meer vergeet en die zo indrukwekkend zijn. Nee, gemeente, daar kun je ook niet mee zalig worden. Dat is het kenmerk van genade niet.

Wat is dan wel het duidelijkste kenmerk van genade? Comrie zegt: Dat is liefde en hoogachting voor de Heere Jezus. Hij zegt niet ‘voor God’. Dat vanzelf ook. Maar hij noemt: liefde en hoogachting voor de tweede Persoon, voor de Heere Jezus. Het is een kenmerk van genade als je liefde in je hart hebt voor de Heere Jezus, voor de tweede Persoon, voor de Borg, de Middelaar, de Zaligmaker. Maar als je niet eens liefde in je hart hebt voor Hem, dan zegt Gods Woord bij monde van Paulus: Indien iemand de Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking: Maranatha! (1 Kor.16:22).

 

Deze Zaligmaker wordt dierbaar, Die wordt noodzakelijk in het leven van Gods kinderen, vanwege die stikdonkere nacht en duisternis der zonde en vanwege de vloek die op hen rust. Als hun sap wordt veranderd in zomerdroogte. Als er geen uitweg is en ze geen lichtje kunnen maken. En als ze dan horen in Gods huis dat er een Zaligmaker ís, dat is al zo’n wonder. Maar als ze horen dat Hij gekomen is om zondaren zalig te maken, dan wordt het soms zo warm van binnen. Dan komen de tranen in de ogen: ‘Ook voor mij? Zou het ook voor mij zijn?’ En dan hoor je dat ze gaan bedelen: ‘Zone Davids, ontferm U mijner! Mag ik nou ook één van die schaapjes zijn van de goede Herder?’ Dan gaan ze de zoom van Zijn kleed proberen aan te raken. Dan gaan ze dringen, tussen al die mensen door, al zijn ze nog zo onrein, dan móeten ze bij Hem zijn. Want dan wordt het waar: ‘Als ik de zoom van Zijn kleed zal aanraken, zál ik gezond worden’.

 

Herkent u uzelf daarin? Of blijf je liever in de gevangenis zitten, onder de toorn Gods, zonder God in de wereld, zonder Christus, geen hoop hebbende? Dat is erg! Zonder God in de wereld, zonder Christus, geen hoop hebbende, vreemdelingen van de verbonden, van het burgerschap Israëls. Overal buiten te staan en een kind des toorns te zijn. Dat is de realiteit. Dat is wat Gods Woord ons leert.

Als je vannacht wordt weggenomen en je bent onbekeerd, dan is het eeuwig verloren. Dan zul je kloppen op de deur der genade, maar die deur blijft dicht. De Heere zal zeggen: ’Ik heb u niet gekend, gij die de ongerechtigheid werkt.’ In die duisternis heb je het naar je zin gehad. Nee, het zijn geen erge dingen, geen erge zonden die je uitgeleefd hebt,  je hebt voor je gezinnetje gezorgd, je bent naar je werk gegaan,  je hebt hard gewerkt. En zo kabbelt het leven door, maar... zonder God! Je gaat ‘s zondags naar de kerk en je leest uit de Bijbel, maar... het is zonder God! En je zou best bekeerd willen worden, maar... niet om God. Vijanden van God zijnde.

Hoe lang moet dat zo doorgaan, gemeente, zonder God in de wereld? Hoe lang kun je dat nog volhouden, jongens en meisjes? Want hoe ouder je wordt, hoe harder je wordt; het doet je steeds minder. En je weet niet hoe lang het zal zijn.

 

Toch is er hoop. Want er staat: Het volk dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien. Al is het nóg zo’n duisternis, dat je er moedeloos van wordt, er is een licht dat schijnt. Dat is zulk een groot licht, dat niemand hoeft te wanhopen! En dan mag je aan de Heere vragen om dat licht, ook voor jezelf, persoonlijk, zodat je kan zeggen: ‘Een Kind Is óns geboren en een Zoon is óns gegeven.’

Daar willen we graag nog wat langer bij stilstaan, bij die woordjes ‘ons’. Kunnen we dat nu zeggen van de hele gemeente: Een Kind is ons geboren? Geldt dat nu voor iedereen: Een Zoon is ons gegeven? Laten we het maar geloven; ‘t is allemaal goed! Geloof maar dat het goed is! Mag ik dat zo zeggen? Hoe moeten we dat woordje ‘ons’ uitleggen: Een Kind is óns geboren?

Daar wil ik graag nog wat over zeggen, maar eerst gaan we zingen uit Psalm 36 vers 3:

 

Bij U, Heer’, is de levensbron;

Uw licht doet klaarder dan de zon

Ons ‘t heuglijk licht aanschouwen.

Wees die U kennen mild en goed

en toon d’ oprechten van gemoed

Uw recht, waar z’ op vertrouwen.

Dat mij nooit trotse voet vertrapp’,

noch boze hand in ballingschap

ellendig om doe zwerven!

Daar zijn de werkers van het kwaad

gevallen in een jammerstaat,

waarin zij hulp’loos sterven.

 

Een belangrijke vraag, gemeente: Is dat Kind voor ons allen geboren? Ja en nee. In zeker opzicht zéker, in een ander opzicht zeker níet. Een Kind is ons geboren in die zin dat dit Kind aan ons allen gepredikt wordt; dat dit Kind zodanig aan ons gepreekt wordt dat er van onze kant niets verdiend hoeft te worden, niets meegebracht hoeft te worden. Het is zonder geld en zonder prijs.

Daarom mag ik in deze dienst Christus preken voor mensen die in het donker leven, die onbekeerd zijn, die geen behoefte hebben. Maar ik mag ook Christus preken aan verslagenen, gebrokenen van hart, die de duisternis hebben ingeleefd. Ik mag Hem u allen prediken en ik mag zeggen: Opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh.3:16).

U bent allemaal welkom! U bent allemaal welkom om tot de Heere Jezus te vluchten. Hij zegt niet: ‘Tien en meer niet.’ Hij zegt niet: ‘Eerst moet je weten of je uitverkoren bent, anders mag je niet komen.’ Dat zegt de Heere niet. De Heere zegt: ‘Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt.’ U zegt misschien: ‘Ja, vermoeid en belast, dat houdt al een beperking in.’ Maar Hij zegt ook: ‘Wendt u tot Mij, alle gij einden der aarde, want Ik ben God en niemand meer!’ En Christus heeft nog nooit iemand naar huis gestuurd en gezegd: ‘Nee.’ Want de deur is open voor allen. Onze vaderen hebben dit genoemd: het recht van toegang.

 

Maar dat betekent nog niet dat het bezit er is voor allen.

Voor Gods Kerk is dit werkelijkheid, in het geschonken geloof: Een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven. Gegeven, persoonlijk, als mijn Borg en Middelaar.

Als er een vader of een moeder opbelt, na de geboorte van een kindje, en zegt: ‘Er is bij ons een kindje geboren’ en er zou gevraagd worden: ‘Is dat nu jouw kind?’, dan zeg je: ‘Ja, natuurlijk, het is míjn kind.’ En je kijkt verwonderd naar dat kindje en je denkt: ‘Onbegrijpelijk, dat is nu míjn kind, mijn eigen kind, mijn eigen vlees en bloed.’

Zo moet dat Kind Jezus ook ons Kind worden, dat je Het niet alleen maar gezien hebt, dat Het niet alleen maar gepredikt is, maar dat Het óns Kind wordt! Kijk, dat is nu het geloof! In dat geloof (en dat is een gave Gods) wordt dat Kind míjn Kind. In het aanraken van de zoom van Zijn kleed ligt dat toe-eigenen van het geloof. In dat ware geloof wordt dat Kind míjn Kind. Want een Kind is ons geboren. Als dat geloof werkzaam is, dan ligt er grote blijdschap in de oefening van dat geloof. Dat kan niet anders. Hoe kan er in de oefening van het geloof géén blijdschap zijn? O, daarin ligt de blijdschap: Een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven. Voor de Kerk Gods.

 

Spurgeon zegt: Een Kind is ons geboren is alleen waar voor degenen die zelf opnieuw geboren zijn. Als je zelf niet opnieuw geboren bent, hoe kun je dan zeggen dat dit Kind je Kind is, dat die Zaligmaker je Zaligmaker is? En dan noemt hij de kenmerken op van wat de wedergeboorte is. Als een mens wedergeboren wordt, dan verandert een mens zó van richting dat hij niet meer voor zichzelf, maar voor God wil leven. En dat is een strijd! Zó’n verandering in je leven dat je voor God wil leven, tot Zijn eer wil leven, met Hem wil leven. Dan trekt de wijzer van het kompas die kant op.

 

Nee gemeente, het gaat echt niet zonder de wedergeboorte. Sommige mensen zeggen: ‘Je moet gewoon geloven dat je zonden vergeven zijn en dan zíjn ze vergeven.’ Maar dat is niet waar hoor! Dezelfde Spurgeon zegt: ‘Velen zijn er die geloven dat hun zonden vergeven zijn, maar ze zíjn niet vergeven.’ En het feit dat je gelóóft dat je zonden vergeven zijn, maakt echt niet dat je zonden vergeven zijn. Dat klinkt net zo raar als dat je zegt van te dénken dat je getrouwd bent, terwijl je niet getrouwd bent. Je kunt ook wel zeggen: ‘Je moet dénken dat je beter bent, dat maakt je beter.’ Maar dat is niet waar. En te geloven dat je zonden vergeven zijn maakt echt niet dat je zonden vergeven zijn. Dat is een grote vergissing. Dat staat nergens in Gods Woord.

Wat wel in Gods Woord staat is - en dat heeft ieder mens nodig - bekering en geloof in de Heere Jezus Christus. Niet geloven dát, maar geloven ín! Laten we het onze jonge mensen eens vragen: Wat is er eerst: denken dat je getrouwd bent en daarna hem of haar leren kennen, of: eerst leren kennen en daarna trouwen? Wat is er nu eerst? Eerst leer je toch die persoon kennen? Daarna ga je je met die persoon verloven en ga je met die persoon trouwen. En dán pas kun je zeggen: ‘Ik weet dat ik met die persoon getrouwd ben.’ Zo is het ook hier: eerst komt het geloven ín en dan komt het geloven dát. Dat moet je niet omdraaien. Je kunt wel geloven dát je zonden vergeven zijn, terwijl er helemaal niets van waar is. Eerst moet je geloven ín.

De Heere zegt in Zijn Woord dat het zo noodzakelijk is om ín Hem te geloven. Hoe kan ik nu ín Christus geloven als ik niet eens weet Wie Hij is? Dat is toch onmogelijk? En daarom moet je Christus zien te ontmoeten. Hoe? Hij openbaart Zich in Zijn Woord. Zoek Hem vaak te ontmoeten in Zijn Woord. Lees dat Woord met grote aandacht en probeer Hem te vinden. En vraag aan de Heere of je ín die Persoon mag geloven, dat je Hem mag leren kennen en vertrouwen en dat je jezelf mag leren overgeven aan Hem. Boston zegt: ‘De openbaring van Christus gaat vooraf aan het geloven in Christus.’ En hoe waar is dat!

 

Een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven. Hierin leest u de vreugde van een kind van God. De vreugde van het begin, als Christus Zich voor het eerst openbaart aan de ziel. Dat u - misschien lang geweest in het land van de schaduw des doods - voor het eerst die weg ontsloten wordt in het dal van Achor. Een Kind is ons geboren. Ik denk dat dan uw mond ook wel opengaat. Hoewel ik ook moet zeggen dat er van Gods kinderen zijn, die lang hun mond dichthouden en te laat over die dingen gaan spreken. Maar de Heere is het toch zo waardig dat het dan ook gezegd wordt: Een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven.

 

Die blijdschap blijft niet altijd, vanwege het feit dat we op de aarde en niet in de hemel zijn. Maar de Heere vernieuwt dat, door Zijn Woord en door Zijn Geest. De Heere wíl dat ook vernieuwen; Hij wil dat Zijn Kerk stáát naar die vernieuwing. De Heere wil dat er telkens weer blijdschap is in Hem. Want als Zijn kinderen zich niet in Hem verblijden, is de Heere niet erg geëerd. De Heere wil dat Zijn Kerk zich in Hem verheugt en zich in Hem verlustigt.

Ik zal u een voorbeeld geven: als er ergens een fontein is met heerlijk, kostelijk water, en iemand zegt: ‘Van die fontein moet je eens drinken, dat is zulk kostelijk water’ en je gaat naar die fontein en je neemt één klein slokje en je zegt: ‘Ik heb genoeg.’ De ander zegt: ‘Moet je niet méér drinken?’, maar je zegt: ‘Nee, ik heb genoeg’, dan doe je die fontein niet veel eer aan. Of als iemand een heel lekkere maaltijd heeft klaargemaakt, je zit aan tafel en je neemt een klein stukje en zegt: ‘Ik heb genoeg’, is dat dan een eer voor de gastvrouw, die zoveel moeite heeft gedaan om zo’n heerlijke maaltijd op tafel te zetten?

Als de Heere het allerkostelijkste gegeven heeft aan Zijn kinderen, maar ze nemen er zo weinig van en zeggen: ‘Nu heb ik genoeg, nu heb ik voor maanden genoeg’, is dat tot de eer van God? Nee, het is tot eer van God als de Heere Zijn kinderen wat meer zou zien aan de troon van Zijn genade, als ze wat meer begeerte hadden, als ze wat meer zouden begeren te smaken van dat water des levens om niet. Want de Heere wordt het meest verheerlijkt als Zijn Kerk zich het meest verheugt.

Soms wordt er weleens een tegenstelling gemaakt; dan wordt er gezegd: ‘Het gaat niet om de blijdschap van Gods kinderen, maar het gaat om de ere Gods.’ Dat is een verkeerde tegenstelling. De Heere kán de eer niet ontvangen zonder de blijdschap van Zijn Kerk. Want als er geen blijdschap van de Kerk is, wordt de Heere alleen maar gediend uit plicht. Als de Kerk blijdschap heeft, heeft ze blijdschap in God. En het is tot eer van God, verzadigd te worden met God en met Christus, en genoeg te hebben aan Hem, aan dit Kind.

 

Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven. Als dit zielsbevindelijk ervaren wordt, en als je ‘ons’ mag zeggen, dan vallen er heel veel andere dingen weg; die zijn veel minder belangrijk. Dan is er misschien wel droefheid hierover en verdriet daarover, en dit zou je graag anders willen hebben en dat ook. En ik zeg niet dat je die droefheid niet voelen mag, maar dan wordt het toch wel eens overvleugeld door blijdschap, een blijdschap als ten dage van de oogst, als ten dage wanneer men de buit uitdeelt.

 

Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven. Als je nu een arme familie hebt, denk maar eens aan vroeger, straatarme mensen, die elke dag moesten zwoegen en ploeteren om wat geld binnen te krijgen om eten op de plank te hebben, en als daar dan een kindje wordt geboren, dan zijn ze even al die financiële zorgen kwijt. Een kindje is geboren en het is goed. In het geestelijke leven geldt dit nog veel meer. Want een Kind is ons geboren!

Wie voor rekening van dit Kind ligt, heeft alles, die heeft genoeg. Daarom heeft de Heere ook tegen de apostel Paulus gezegd, toen hij zo’n doorn in zijn vlees had: Mijn genade is u genoeg (2 Kor.12:9). En daarom, gemeente, dat deze Zaligmaker ons eens genoeg mag wezen; dat we niet zouden zeggen: ‘Ik moet dit en ik moet dat’, maar dat die genade ons genoeg ware. Want dit is het allerhoogste, het eeuwige goed, dat God Zelf onze Leidsman zal wezen, en leren hoe wij wandelen moeten.

 

Gemeente, één van tweeën: dit Kind is ook ons Kind, óf wij zijn een kind des toorns. Eén van onze oudvaders heeft eens gevraagd aan zijn hoorders om naar huis te gaan, papier en pen te nemen en één woord op te schrijven wat het beste bij hem of haar paste: ‘verloren’ of ‘behouden’. Zou u dat vanavond ook durven doen? Zouden jullie het op durven te schrijven, jongens en meisjes? ‘Verloren’ als het verloren is; ‘behouden’ als het behouden is. Dat moet u maar eens doen, dat maakt het zo concreet. Het staat dan zwart op wit: behouden, of verloren.

En de Heere geve dan dat het tot u door mag dringen, als u onbekeerd bent: onbekeerd, dat is verloren. Haast u dan en spoedt u om uws levens wil. Maar vergeet niet dat er een groot licht is dat schijnt in de duisternis. En de Heere is nog niet klaar met het zaligen van zondaren.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 108: 6

 

Wie heeft mij zoveel heil bereid?

Wie is ’t die mij in Edom leidt?

Wie voert mij in een vaste stad?

O God, Die ons verstoten hadt;

Gij, Die met onze legerschaar

Ten strijd niet uittoogt in ’t gevaar;

O God, Wiens gramschap ons deed vrezen,

Wiens gunst ons troost; zult Gij ’t niet wezen?

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 24)