Ds. P. van Ruitenburg - Romeinen 8 : 2 - 6

Vrede en de wet

Twee wetten vanbinnen geven oorlog
Gods wet geeft geen vrede
Gods Zoon kwam om vrede te geven
Gods wet in het hart brengt leven en vrede
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie 'Een zaaier ging uit...' (deel 29)

Romeinen 8 : 2 - 6

Romeinen 8
2
Want de wet des Geestes des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods.
3
Want hetgeen der wet onmogelijk was, dewijl zij door het vlees krachteloos was, heeft God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleses, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees.
4
Opdat het recht der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest.
5
Want die naar het vlees zijn, bedenken, dat des vleses is; maar die naar den Geest zijn, bedenken, dat des Geestes is.
6
Want het bedenken des vleses is de dood; maar het bedenken des Geestes is het leven en vrede;

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 122: 2
Lezen : Romeinen 8
Zingen : Psalm 38: 1, 2, 3, 22
Zingen : Psalm 4: 4
Zingen : Psalm 119: 83

De Heere Jezus is gekomen om vrede op aarde te geven. Maar laten we niet vergeten dat er ook oorlog van komt, als Hij het in ons hart voor het zeggen krijgt! Er wordt gevochten in het hart van Gods kinderen. Er is een verliezer en een winner. We weten wel wie die twee vechters zijn. Ze hebben verschillende namen. De een heet vlees en de ander geest. De eerste heet ook wel oude mens en de tweede nieuwe mens. Wat onbekendere namen zijn: de wet der zonde en des doods en de wet des Geestes des levens. Deze twee zijn voortdurend bezig in het hart van Gods kinderen. Soms lijkt de oude mens te slapen, maar dan ineens wordt hij weer wakker en moet de nieuwe mens snel in het geweer komen tegen de oude. Vaak is het dan al te laat. Daarom moeten Gods kinderen goed op blijven letten, waken en bidden!

Vechten dus. Dat klinkt niet zo aantrekkelijk. Maar het is altijd beter de goede strijd te strijden, dan dat er een goddeloze vrede is. Als er geen gevecht is, heeft de oude mens het allemaal voor het zeggen. En waarom dat zo erg is? Als er geen strijd is, loopt het altijd verkeerd met ons af. Zonder heilige oorlog komen we eeuwig om en rust straks voor altijd Gods vloek op ons. Maar zonder strijd zullen we ook tijdens dit leven nooit vrede in ons hart hebben. Het klinkt vreemd, maar het is echt waar: juist als er strijd is, komt er vrede. Het bedenken des vleses is de dood, terwijl het bedenken des Geestes leven en vrede is.

 

Zo staat het ook in de tekst voor vandaag. Laten we lezen wat er staat in Romeinen 8 vers 2 tot en met 6:

 

Want de wet des Geestes des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods. Want hetgeen der wet onmogelijk was, dewijl zij door het vlees krachteloos was, heeft God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleses, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees; opdat het recht der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest. Want die naar het vlees zijn, bedenken wat des vleses is; maar die naar de Geest zijn, bedenken wat des Geestes is. Want het bedenken des vleses is de dood; maar het bedenken des Geestes is het leven en vrede.

 

In dit Bijbelgedeelte zien we het thema: Vrede en de wet.

 

Achtereenvolgens letten we op de volgende gedachten:

1. Twee wetten vanbinnen geven oorlog

2. Gods wet geeft geen vrede

3. Gods Zoon kwam om vrede te geven

4. Gods wet in het hart brengt leven en vrede

 

1. Twee wetten vanbinnen geven oorlog

 

We weten allemaal wat een wet is. We denken bij het woord ‘wet’ meestal gelijk aan Gods wet, aan de tien geboden. We weten dat er in Israel ook burgerlijke wetten en godsdienstige wetten waren. Wetten zijn voorschriften en vertellen ons wat we moeten doen. Doen we het niet, dan zijn de gevolgen voor ons.

In Romeinen 8 wordt met wet soms Gods voorschrift bedoeld, maar niet altijd. In de Bijbel en hier in Romeinen 8 wordt het woord wet ook op een andere manier gebruikt. Met wet wordt soms een drijvende kracht bedoeld. Paulus voelt dat er een soort wet in hem regeert. Hij noemt het de wet der zonde. Dat is niet zo’n mooie wet, niet zo’n mooie drijvende kracht. Het is vreselijk als deze wet het voor het zeggen heeft.

Daarnaast is er echter ook Goddelijke drijvende kracht. Die kracht heet in dit hoofdstuk de wet des Geestes. Hebben we wel eens van de wet des Geestes gehoord? De wet des Geestes is een drijvende kracht die we alleen in Gods kinderen tegenkomen. Hoewel de wet des Geestes sterker is dan de wet der zonde, geeft deze veel strijd vanbinnen. Deze machten werken elkaar namelijk altijd tegen. Het zijn tegenovergestelde krachten. 

 

Luister eerst maar naar Romeinen 7 vers 21: Zo vind ik dan deze wet in mij: Als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bijligt. In vers 23 van dat hoofdstuk lezen we: Maar ik zie een andere wet in mijn leden, welke strijdt tegen de wet mijns gemoeds, en mij gevangenneemt onder de wet der zonde, die in mijn leden is. Wat een nare wet is die wet der zonde! Deze wet der zonde houdt Gods kinderen als het ware gevangen. Het lijken wel handboeien. Wat een verschrikkelijke wet der zonde en des doods! Deze drijvende kracht leidt alleen maar tot ellende en verdoemenis. Er kan nooit een zegen op deze wet rusten. Deze wet is in één woord vreselijk.

Nee, we hebben het niet over de tien geboden. Gods wet is goed en volmaakt. Daar mogen en willen we geen kwaad woord over zeggen. Maar we moeten van Gods heilige wet wel zeggen dat die ons niets verder brengt. Gods wet geeft geen zaligheid en geen bevrijding. Integendeel: Gods wet verdoemt ons en Gods wet is krachteloos.

Krachteloos? Mogen we dat zomaar van de tien geboden zeggen? Paulus schrijft het zo. Weet u waarom die wet krachteloos is? Omdat wij vlees zijn. Door het vlees is de wet krachteloos. We zijn zulke fanatieke zondaren, zo diep gevallen, zo tegendraads, dat we met de wet niets verder komen. Het probleem is dat we de wet niet kunnen gehoorzamen, omdat we vlees zijn. Wat een vreselijke toestand dus! Gods wet is krachteloos omdat er een wet der zonde in ons woont.

 

Net zoals alles op aarde door de zwaartekracht naar beneden valt, zo is er ook een wet in ons die alles naar beneden trekt. De wet der zonde. En uiteraard is dat een wet des doods. Er zit geen draadje leven aan; de wet der zonde zaait dood en verderf. Vrede krijg je er nimmer bij. Die drijvende kracht onderwerpt zich niet aan Gods wet. Het kan ook niet (Rom.8:7).

Als deze wet de enige drijvende kracht is, zijn we nog in het vlees en kunnen we God niet behagen. We staan dan buiten Gods bijzondere gunst en de vloek ligt nog op ons. Geen wonder, God haat de zonde!

 

Heeft deze wet der zonde en des doods het nog steeds voor het zeggen? Staan we onder de macht van ons eigen boze ‘ik’? Begrijpen we niet dat we er bedrogen mee uitkomen? Je kunt je wel door de stroom mee laten leiden, maar straks gaat de stroom het ravijn in en vallen we ons voor eeuwig te pletter. Het is moeilijk om tegen deze stroom in te zwemmen. Maar juist daarom hebben we een andere wet nodig, een tegenkracht, een reddende hand Gods die ons stroomopwaarts leidt in plaats van dichter bij de afgrond.

 

Een andere drijvende kracht? Ja, er is ook een wet des Geestes des levens, lezen we in vers 2. Maar laat ik er eerst bij zeggen dat niet iedereen die wet in zijn leden heeft. Deze wet des Geestes des levens is precies het tegenovergestelde van de wet der zonde en des doods. Zien we die tegenstelling? Er is een wet der zonde en er is een wet des Geestes. De eerste heet voluit wet der zonde en des doods. De tweede heet wet des Geestes des levens.

Zoals we zagen heeft iedereen die eerste wet onder de leden, terwijl Gods kinderen ook de tweede wet in zich hebben. Iedereen weet dat er een soort wet der zonde in hem of haar heerst. Een wet die je zomaar niet tegenhoudt en die je van zijn leven niet stopt; een wet die nooit leven en vrede brengt. Door Gods genade is er in Paulus’ hart echter ook een wet des Geestes gekomen, een wet die tot het leven leidt. Feitelijk is de Heilige Geest deze drijvende kracht. Hij heeft intrek in het hart genomen en werkt de zonde machtig tegen. De wet des Geestes des levens geeft tegenwicht aan de wet der zonde en des doods. En die geesteskracht is zo sterk, dat hij vrij maakt! De wet der zonde houdt gevangen, maar de wet des Geestes des levens maakt los en geeft vrijheid.

 

Misschien is het voor de kinderen een beetje moeilijk vandaag. Voor jullie zal ik het nog wat eenvoudiger zeggen. Hebben jullie ook die drang in je om te zondigen? Je voelt dat iets niet goed is, maar je luistert niet naar die stem. Je wílt soms gewoon niet luisteren. Paulus noemt dat een wet. Je wordt door die wet nooit gelukkig. Maar als iemand een nieuw hart krijgt, komt er een andere kracht in je hart, een kracht die de andere kant op wil. Dat komt door de Heilige Geest. De Heere geeft die andere wet, een wet die het goede wil en bang is voor de zonde.

Er gaat dus heel wat om in Gods kinderen. Er zijn twee wetten aan de gang. De een wil naar rechts en de ander naar links. De een werkt de dood en de ander het leven. De een wil naar God toe en de ander bij God vandaan. Aan de ene kant zijn Gods kinderen vleselijk, aan de andere kant zijn ze ook geestelijk. Het is een strijd op leven en dood. Hopelijk weten we waar het over gaat.

 

Welke wet zou het nu winnen in het hart van de levende Kerk? Als we Romeinen 8 vers 2 lezen is het antwoord niet moeilijk: Want de wet des Geestes des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods. De oude, drijvende zondekracht kon het niet winnen van Gods Geest. De Heilige Geest was in het hart van Paulus zo oppermachtig, zo sterk, dat de wet der zonde het moest verliezen. Niet dat die zondewet en die boze maalstroom dood is. Helaas niet. Maar die wet der zonde heeft het niet meer voor het zeggen. De wet des Geestes des levens heeft de handboeien losgemaakt. Daarom zijn deze mensen op weg naar het leven! Er is geen verdoemenis voor hen die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest. We hebben niet alleen berouw en geloof nodig, maar ook een haat tegen de zonde.

 

Wat moet er dus een grote verandering in ons plaatsvinden! Een beetje geloven en een paar keer ‘pardon’ zeggen, helpt niet. Al bidden we tot het bloed uit onze knieën komt, we hebben die andere drijvende kracht nodig, het werk van de Heilige Geest. De Heilige Geest laat een diep gemis aan God voelen. Er komt een honger naar God en een behoefte aan vergeving.

Maar er is meer. Onze wil moet worden vernieuwd en de kracht van de zonde gebroken. Daarom mag ik wel vragen: houden we nog van de zonden? Of zijn we er bang voor en hebben we er een grondige hekel aan? Haten we de zonde, omdat alle zonde zonde tegen God is? Of zijn we nog in slavendienst? Kunnen we ons nog wel vermaken in de zonde? Of hebben we een vermaak in de wet Gods? (Rom.7:22).

Ik weet wel, ook Gods kinderen blijven klagen dat als ze het goede willen doen, het kwade hen bijligt. Maar toch moeten ze ten diepste niets van de zonde hebben. Ze kunnen niet meer naar het vlees wandelen, staat er in Gods Woord. Ze leven naar de Geest! Ze zijn vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods. Herkennen we dat? We zijn gelukkige mensen, als die goede strijd aan de gang is. En we zullen straks zien dat dat leven juist vrede geeft.

Maar laten we eerst nog een keer lezen wat er in vers 3 staat: Want hetgeen der wet onmogelijk was, dewijl zij door het vlees krachteloos was… We lezen daar dat het onmogelijk is dat Gods wet vrede geeft. Nu gaat het niet over een drijvende kracht en wet in ons hart. Nu gaat het over Gods heilige wet. Een wet die wel verdoemt, maar geen vrede geeft. Een helaas krachteloze wet.

 

2. Gods wet geeft geen vrede

 

God heeft aan Israël en ons de tien geboden gegeven. Prachtig hoe die verwoord zijn! Alles staat erin. De wet begint ook zo mooi: Ik ben de Heere uw God! (Ex.20:2). Maar toch, hoewel de wet volmaakt is en er helemaal niets aan ontbreekt, geeft de wet ons nooit vrede. De wet veroordeelt ons en we voelen ons er hopelijk schuldig door, maar verder houdt de wet ons alleen maar gevangen. De wet is een harde leermeester. Nee, dat ligt niet aan de wet zelf, maar aan ons.

Laat ik een voorbeeld gebruiken. Als een meester voor de klas geen orde kan houden, komt dat ten diepste door de klas. Het zou natuurlijk fijn zijn als die meester tegen de leerlingen op kon. En als dat niet lukt, moet hij misschien naar een andere baan uitzien. Maar ten diepste is het niet zijn schuld. Als de kinderen gehoorzame kinderen waren, zou het prima gaan. De vergelijking gaat natuurlijk niet helemaal op, maar als wij niet zo vleselijk waren en er niet zo’n goddeloze drijvende kracht was, zou de wet ons goedgezind zijn en konden we door de wet zelfs zalig worden!

Helaas is dat echter niet het geval. We zijn een onmogelijke klas mensen geworden, waar de wet niets mee kan beginnen. Deze wet van God eist volkomen gehoorzaamheid en die kunnen en willen wij mensen niet meer opbrengen. We denken dat we vrede krijgen door tegen Gods wet in te gaan en onze eigen zin te doen. Dwaas natuurlijk, maar zo zijn wij mensen geworden. We vinden het prachtig om wanorde te scheppen.

Om een ander voorbeeld te gebruiken: we houden zogezegd niet van de parachute die onze val breekt en ons tegenhoudt. We willen liever een vrije val uit het vliegtuig en onbelemmerd door de lucht suizen, zonder er aan te denken dat we zo op de grond te pletter zullen vallen. We hebben de dood liever dan het leven. Dat blijkt uit alles. Tenzij er wat grondig en wezenlijk veranderd is.

 

Maar de farizeeërs dan? Krijgen die geen vrede door de wet? Ook de farizeeërs hadden nooit echte vrede. Zij maakten er nog een heel aantal regels en geboden bij. Dat voelde goed en beschermd. Het gaf hun een gevoel van trots en een klein beetje vrede. Een heel klein beetje maar. Maar ook al die wetten gaven geen echte vrede met God, geen geestelijke vrede, geen onuitsprekelijke vrede.

De farizeeërs hielden zich met de wet op de been en sloegen zich met de wet zo goed en zo kwaad als het ging door het leven, maar er lag geen zoetheid en blijdschap in. Ze probeerden met de wet het gat in hun ziel op te vullen. Ze kregen door de wet een gevoel van zelfwaarde. Het voelde goed om wat beter te zijn dan een ander. Met hun lange gewaden en ‘zwarte pakken’ konden ze op de hoek van de straat lang bidden en hoopten ze stiekem dat de mensen hen zouden zien en bewonderen.

Misschien zijn we wel iets van die farizeeër in ons eigen hart tegengekomen. Maar vrede geeft het absoluut niet. Als je zo aan het einde van je leven komt, hebben we geen grond onder onze voeten. Je weet immers maar nooit of je wel goed genoeg je best gedaan hebt.

Laten we ons hart maar goed onderzoeken of we onszelf niet een beetje in de lucht willen steken met onze vroomheid. Misschien houden we van heel ouderwetse wetten, of van heel evangelische opdrachten. Misschien hebben we nieuwe wetten uitgevonden of van geloven een nieuwe wet gemaakt. Sommige mensen zijn er trots op dat ze geloven en anderen zijn er trots op dat ze niet ‘zomaar’ willen geloven. Wij mensen zijn heel vindingrijk in het zoeken van manieren om ons hoofd boven water te houden.

 

Misschien herinneren we ons uit het beroemde boek van John Bunyan (1628-1688), ‘De Christenreis’, wat de hoofdpersoon Christen was aangeraden. Meneer Wereldwijs wees Christen op het dorp Zedelijkheid, waar meneer Wettisch woonde. Die zou hem wel van zijn zware pak afhelpen en hem vrede geven. Hij moest gindse heuvel maar oplopen en bij het huis aankloppen dat bovenop de heuvel stond. Toen Christen dichterbij kwam, bleek de heuvel echter heel steil en kreeg hij het gevoel dat de rotswand op hem zou vallen. Het zweet brak hem uit en zijn zondepak werd alleen maar zwaarder in plaats van lichter. Gelukkig kwam Christen toen Evangelist weer tegen, die hem bestrafte en naar het poortje wees. Er was immers alleen maar vrede door het geloof in Christus!

John Bunyan wilde geen kwaad woord van de wet horen, maar had ook goed begrepen dat de wet ons niet kon zaligen. Adam en Eva hadden door de wet zalig kunnen worden en hun vrede kunnen houden. Voor ons is die weg geblokkeerd. Maar gelukkig, omdat het voor de wet onmogelijk was, dewijl zij door het vlees krachteloos was, heeft God Zijn Zoon gezonden! Dat bedoelde ook Bunyan te zeggen.

 

Wat ons betreft, hopelijk proberen we niet nog steeds met de wet in de arm zalig te worden. Er zijn mensen die zogezegd wel van korps veranderen, maar niet van koning. Misschien hebben we die uitdrukking wel eens gehoord. Het gaat over soldaten die in hetzelfde leger blijven, maar naar een ander onderdeel zijn verhuisd. Eerst waren ze in de wereld, nu horen ze bij de godsdienst, maar nog steeds niet onder Koning Jezus. Nog steeds zijn ze in slavendienst bij de duivel. In liefde moeten we daarvoor waarschuwen.

We kunnen onmogelijk ware vrede vinden met de wet. Met zedelijkheid, wetticisme, rechtzinnigheid en zogenaamde vroomheid, lopen we nog steeds niet op de smalle weg. We moeten door de enge poort heen. Dan is er pas reden voor hoop. Alleen dan kan er vrede zijn.

De wet is krachteloos! Net zomin als iemand zichzelf bij zijn haren uit een put kan trekken, kunnen wij onszelf met de wet naar boven helpen. Het is onmogelijk! Dus laat me eenvoudig vragen: bent u al persoonlijk tot de heilige conclusie gekomen dat het met de wet niet gaat? Bent u met de wet omgevallen en bij de poort gekomen, bij de Heere Jezus Christus?

Het zal heel hard tegenvallen als we bij onze dood te horen krijgen dat God ons niet kent. We zullen ons misschien verdedigen met onze vroomheid en goede werken of met onze degelijke of evangelische godsdienst, maar het zal tekort zijn. Het is onmogelijk om vrede te krijgen met de wet. Dat is onmogelijk tijdens ons leven, onmogelijk aan het einde van ons leven en onmogelijk na ons leven. Laten we het woord ‘onmogelijk’ voor onszelf maar een paar keer herhalen.

Alleen Gods Zoon kan vrede geven. Het staat er zo indrukwekkend in vers 3: … heeft God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleses, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees. Gods Zoon kon wat de wet niet kon! Laten we kijken wat daarmee bedoeld wordt.

 

3. Gods Zoon kwam om vrede te geven

 

Toen de Heere Jezus geboren werd, zongen de engelen: Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen (Luk.2:14). Ze zongen dus over vrede op aarde. Christus was de grote Vredestichter. Jesaja voorspelde al dat Hij de Vredevorst zou zijn en ook in Romeinen 8 gaat het over die vrede. De Zoon van God kwam om te doen wat de wet niet kon. Wat is dat dan? Wel, Gods Zoon heeft de zonde veroordeeld in het vlees! Daardoor kan er vrede komen. Er staat in vers 6 dat het bedenken des Geestes leven en vrede is en dat heeft Hij teweeggebracht. De wet kon de zondemacht niet overwinnen, maar Christus wel.

Paulus schrijft in vers 3 feitelijk over de geboorte van de Heere Jezus. Om vrede te kunnen geven moest Gods Zoon in de gelijkheid van het zondige vlees komen. Met andere woorden: de Heere Jezus moest net zo mens worden als wij zondaren. Niet dat Hij Zelf zondaar werd natuurlijk. Hij heeft geen zonde gekend of gedaan. Maar toch nam Hij de volledige menselijke natuur van ons mensen aan.

Christus kwam in hetzelfde lichaam als het onze, het ontluisterde en door de zonde geruïneerde lichaam. Er is met ons lichaam immers van alles mis. Het is een sterfelijk lichaam geworden, een heel ander lichaam als dat van Adam en Eva voor de val. We hebben nu een menselijke natuur die onderhevig is aan de gevolgen van de zonden. God heeft Zijn Zoon in de gelijkheid van dat zondige vlees laten komen, om van de zonden te verlossen.

 

Ja, Gód heeft Zijn Zoon gezonden! Dat is heus niet de gedachte van de Zoon alleen geweest. De drie-enige God stond hierachter. God wilde zondaren zalig maken en, ondanks alles wat er gebeurd was, ware vrede geven. Hij kwam vanwege de zonde, om die vreselijke, godonterende zonden. Het staat hier in Romeinen 8 vers 3 wel heel duidelijk waarom Gods Zoon moest komen en waarom het met niet minder kon. Wie anders dan Gods Zoon kon de zonde veroordelen? En hoe had Hij het anders kunnen doen?

Christus werd dus niet maar geboren. Hij nam niet alleen maar de menselijke natuur op Zich. Dat op zich is al een wonder. De Zoon vernederde Zich echter nog veel dieper. Hij nam de gelijkheid van het zondige vlees aan. Hij wilde Zijn broeders echt in alles gelijk zijn. Hij wilde niet hoger staan en anders zijn dan verloren mensen. Maar hoewel zonder zonde, wilde Hij net zo laag afdalen tot Hij op onze hoogte stond. Wat een vernedering! Wat een wonder dat Hij zo diep wilde bukken, terwijl het onze eigen schuld is dat we zo diep zijn weggezonken. Ere aan God de Vader! Ere aan de Zoon! Ere aan de Heilige Geest!

 

Doordat Christus de gelijkheid van het zondige vlees aannam, kan Hij ons ook aanvoelen. Hij is een Hogepriester Die uit ervaring weet wat het is om een sterfelijke natuur te hebben. Hij weet wat angst is, pijn, ziekten, eenzaamheid, honger, dorst en dood. Wat een zegen als Hij onze Zaligmaker is. Hij weet wat het is om in de gelijkenis van het zondige vlees te zijn. Christus nam dat menselijke vlees aan om Plaatsvervanger te zijn, om in Zijn lichaam de straf op de zonde te voelen. Hij moest lijden alsof Hij in zonde had geleefd, alsof Hij Adam was. Hij moest aan het kruis hangen in de gelijkenis van het zondige vlees.

In de kribbe van Bethlehem lag Gods geliefde Zoon, maar wel onder de vloek van de wet. Al kwam Hij zonder zonden ter wereld, de schuld rustte al op Hem. En de geboorte van Christus was nog maar het begin. Er zou nog een zwaard door de ziel van Zijn moeder gaan. Hij zou straks het hoofd buigen en de geest geven, alsof Hij een moordenaar was, een boosdoener. Hij had Zijn Vader nooit bedroefd. Hij had altijd tot eer van Zijn Vader geleefd, maar moest de dood door.

Dat zijn ernstige dingen. Maar toch zit er een blijde boodschap in verborgen. Omdat Hij de verdoemenis tegen de zonde op Zich nam en de beker van Gods toorn helemaal leeg dronk, is er geen gram toorn meer over voor zondaren die in Christus Jezus zijn en niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest.

Wat heerlijk om erachter te komen dat de wet ons geen meter verder brengt. Wat een zegen als we alle pogingen om door de wet vrede te krijgen staken, en we de ruimte zien in Christus. Het was onmogelijk door de wet, maar God heeft Zijn Zoon gezonden in de gelijkheid van het menselijke vlees. Hebt u het nooit uitgeroepen: ‘Lieve Heere Jezus, almachtige Zaligmaker!’ Zijn we al door die poort heen en hebben we ons geheel en al aan de Zoon van God over leren geven? Wat een verlichting geeft dat! Dan kun je weer ademhalen en moed grijpen. Zo onmogelijk als het was door de wet en ons ploeteren, zo mogelijk is het in Christus Jezus!

 

Gods Zoon heeft dus de zonde veroordeeld in het vlees. Veroordeeld? Christus heeft niet alleen de straf gedragen. Paulus bedoelt dat Gods Zoon ook de dodelijke kracht van de zonde kwam wegnemen. Dat deed Hij door Zelf gehoorzaam te zijn en de straf op de zonde in Zijn menselijke natuur te dragen. Het heilig Kind werd in de kribbe van Bethlehem neergelegd, om te gaan doen wat de wet niet kon. De wet kon geen vergeving brengen, maar de wet kon ook de oude natuur niet temmen. Christus kwam om de zonde te vernielen en om een nieuwe mens te geven, een nieuwe drijfveer.

 

In vers 2 staat: Want de wet des Geestes des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods. Het is de wet des Geestes in Christus Jezus! Wat officiëler gezegd: Christus werd in Bethlehem geboren tot rechtvaardigmaking, maar ook tot de heiligmaking van Zijn Kerk. Nog anders: Gods Zoon kwam in het menselijke vlees, niet alleen om de straf te dragen, maar ook om de kracht van de zonde te breken. Dat laatste is niet minder belangrijk dan het eerste. Het recht der wet moest niet alleen vervuld worden in het sterven van Christus, maar ook in ons.

Zo staat het er toch in vers 4: Opdat het recht der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest. In ons dus! Dat geve God. Er moet ín ons iets rechtgezet worden, niet alleen buiten ons. We moeten niet alleen vergeving krijgen, niet alleen wat laten zien van het christelijke leven. Er moet aan ons en in ons een wonder gebeuren.

 

We zagen het al eerder: er is een tweestrijd aan de gang in het leven van Gods kinderen. Eerst was er alleen maar een oude natuur, die van mensen slaven maakt. Maar door Gods genade kwam er ook een wet des Geestes des levens, die het opnam tegen de oude natuur. Of sterker: die het gaat winnen en die vrij maakt van de zondedienst.

Vergeet niet, alleen voor zulke mensen is er geen verdoemenis. Er staat in het eerste vers heel nauwkeurig beschreven: Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest. Die in Christus Jezus zijn en waarachtig in Hem geloven, zijn dezelfde mensen als zij die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest. Er is in hen een strijd aan de gang.

Op het eerste gezicht lijkt de strijd die Gods kinderen strijden niet aantrekkelijk, maar Paulus heeft uiteraard gelijk. Het is een goede strijd. Het is niet alleen de juiste, maar ook een aantrekkelijke, een mooie strijd. Er worden overwinningen behaald, er wordt vrede geproefd, er zit waar leven in. Daarom mogen we iedereen aansporen om God te zoeken en de wapens in te leveren. We moeten ook opgeven door de wet zalig te willen worden. Christus is de enige Middelaar. Hij kan de grootste zondaar tot de Vader brengen. Alleen in Hem is verzoening. Er is geen verdoemenis voor hen die tot Hem de toevlucht nemen.

Daarom: kom, zondaren! Kom, vervloekten om de zonden! Kom, hopeloze gevallen! Al heeft u het gevoel midden in de dood te liggen, het leven ligt buiten u in Christus Jezus. Al Gods kinderen hebben zulke lage gedachten van zichzelf. Het feit dat u denkt een hopeloos geval te zijn, zegt niets. Voor Christus is niets te wonderlijk. Als God het werk overgelaten had aan mensen of engelen, was er geen hoop geweest. Als Christus in de hemel was gebleven, had het er slecht uitgezien. Maar de Zoon van God kwam Zelf en nam de gelijkenis van het zondige vlees aan. Hij kon niet dieper bukken en niet meer doen. Zoek uw zaligheid louter en alleen in Hem. In Hem is vrede!

 

Deze tweestrijd is fel, want de zondemacht is sterk. Toch is het een mooie strijd. Een strijd die voldoening geeft en echt leven en vrede schenkt. Leven en vrede, verdiend en bewerkt door de Vredevorst. Hij kwam om de overwinning te halen. Door Hem kunnen we zingen Psalm 4 vers 4:

 

Gij hebt m’ in ‘t hart meer vreugd gegeven,
Dan and’ren smaken, in een tijd
Als zij, door aards geluk verheven,
Bij koorn en most wellustig leven,
In hunnen overvloed verblijd.
Ik zal gerust in vrede slapen,
En liggen ongestoord terneer;
Want Gij alleen, mijn schild en wapen,
Schoon ‘t onheil schijnt voor mij geschapen,
Zult mij doen zeker wonen, Heer’.

 

4. Gods wet in het hart brengt leven en vrede

 

Kan gehoorzaamheid vrede en waar geluk opleveren? Nou en of! Zonder genade kun je je niet voorstellen dat gehoorzaamheid aan God vrijheid, leven en vrede kan brengen. Toch schrijft Paulus dat in vers 6: Het bedenken des vleses is de dood; maar het bedenken des Geestes is het leven en vrede. Kinderen krijgen buikpijn als ze alleen maar snoep eten. Het vullen van je maag met de rommel van de zonde geeft ook altijd buikpijn. Het zit gauw niet lekker. Alsof je dat zondevoedsel niet goed kunt verteren. Het komt met een bittere of lege nasmaak en de volgende morgen voel je je belabberd.

Ik heb het niet over grove zonden alleen, maar ook over de zonde van een lekker leventje zonder God. Je hebt de ‘wet’, de drang, in je om weer wat nieuws te beleven en op zoek te gaan naar meer vrijheid en blijheid. Deze jacht geeft geen rust in je ziel. Je wilt steeds weer iets opwindends, dat je uittilt boven het grijze leven. Je wilt kopen, verkopen, verdienen, werken, sporten, eten, spelen. Bevrediging geeft het niet. Het maakt je lichamelijk, of in ieder geval geestelijk, moe. Het takelt je in feite af. En hoe harder je wilt genieten, hoe eerder je opgebrand bent.

 

In Gods dienst is het anders. Ondanks alle gebrek en terugval is er ook vrede. Hoe vreemd het ook klinkt, juist de strijd tegen de zonde geeft bevrediging. Ik bedoel niet de wettische pogingen om wat te zijn, niet de namaakvroomheid. Maar de strijd van de nieuwe mens tegen de oude mens wordt met vrede beloond. Al ervaar je de zwakheid van je menselijke bestaan, er is ook een genoegen in het zoeken van God. In 1 Timotheüs 6 vers 6 lezen we: Doch de godzaligheid is een groot gewin met vergenoeging.

De Heere geeft op Hem te leunen. Telkens weer neemt de zondaar de toevlucht tot Christus, omdat God Hem openbaart. Er ligt blijdschap in het overwinnen van zonden. Het ten bloede toe strijden tegen een boezemzonde, is een goede strijd. Al moet je je vlees ervoor kruisigen, al moet je jezelf er aardse blijdschap voor ontzeggen, het blijkt meer dan de moeite waard te zijn. Dan is er soms de jubel: ‘God heeft Zijn Zoon gezonden in de gelijkenis van het zondige vlees, om de zonde te veroordelen in het vlees!’

 

Wat een kalmte in je ziel als je op een keer niet in satans kuil valt. Als je met Gods hulp staande blijft in de verzoekingen en van de zonde wegkoerst. Dat kan alleen met Gods hulp.

En daarbij is het zien op Christus niet onbelangrijk. Keken Gods kinderen maar meer naar Hem op! Hij kwam in Bethlehem, in de gelijkheid van het zondige vlees, en dat voor de zonde, de zonde veroordelende in het vlees. Eenvoudiger gezegd: wie de Heere Jezus in de kribbe ziet liggen, heeft helemaal geen zin in de zonde en hoeft niets extra’s om zijn hart te bevredigen. De godzaligheid geeft vergenoeging. Niet voor niets zijn de vruchten des Geestes liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid en matigheid (Gal.5:22).

Denk aan wat de Heere Jezus zei tegen de militairen. Ze moesten tevreden zijn met hun soldij. Paulus schreef aan Timotheüs dat voedsel en deksel voor hem genoeg was. Er is een bijzondere vrede als God door Zijn Geest het Evangelie op ons toepast. Het is alsof God rechtstreeks met ons spreekt. Maar er is ook een kalme vrede, niet zo hoog, maar wel echt, als we in Zijn wegen mogen lopen.

 

Denk bijvoorbeeld aan Paulus die zegt: Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods? (Rom.7:24). Hij bedoelt daar niet zijn lichaam mee. Hij noemt het vlees deze keer het lichaam dezes doods en geeft toe dat hij onder dat zondelichaam zucht. Maar hij vervolgt ook met: Ik dank God door Jezus Christus, onze Heere (Rom.7:25). Hij heeft dus toch moed en hij kan dus toch vrede hebben.

Denk ook aan het eerste vers van hoofdstuk 8: Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest. Al voel je je vervloekt en moet je jezelf aanklagen, er is vrede als we in het geloof op Christus zien en Christus ook in ons is. In ons? Ja, lees maar in vers 10. Is Hij niet in ons? Is er ondanks alle tekort en zwakheid, geen haat tegen de zonden? Dat is een bewijs dat Christus niet in ons is.

 

Laat ik concreet zijn over de vrede. Zijn er dingen die we zo nodig moeten? We willen ze per se hebben en we willen ze per se doen? Waarom? Om tevreden te zijn zonder God? Denken we soms dat dat werkt en de dingen van deze wereld vrede geven? Dat kunnen we gerust vergeten. De duivel vertelt hoe we onszelf gelukkig kunnen maken, maar hij bedriegt ons altijd. Een vis kan een lekkere worm het water in zien zakken. Hij hapt ernaar, zonder de haak te zien die erin verborgen zit. Zo opereert de vorst der duisternis. Hij wil onvrede, vooral onvrede met God. Satan wil dat we onze buik vol eten met de wereld. Hij laat ons mokken en morren, als het tegenzit. Maar vergeet niet dat de Israëlieten zwaar moesten boeten, als ze weer commentaar hadden op het manna of omdat de reis te lang duurde.

 

Laat ik vragen: hoe staan we ervoor? Wat heeft het Kind van Bethlehem ons te zeggen en hoe heeft dat Evangelie ons leven veranderd? Ploeteren we nog steeds door om gelukkig te worden met wat ons nimmer vrede kan geven? Hoe lang hadden we gedacht daar nog mee door te gaan? Tot onze dood, om er dan achter te komen dat we een grote dwaas zijn geweest?

Ik weet wel, we kunnen onszelf niet maar even veranderen en een nieuwe richting inslaan. Het moet van harte gaan. Maar toch roept God ons vandaag nog. De Allerhoogste vraagt wat we willen. Willen we vrede of niet? Willen we verloren zijn, verloren blijven en verloren gaan, of zoeken we ons behoud? Ons eigen behoud zoeken? Ja, dat mag. We mogen uit zijn op eigen behoud. Waarom? Omdat God geen grotere eer krijgt dan als mensen tevreden met God zijn.

De vrede Gods is niet maar een gelukkig gevoel, maar een zalig genieten en overdenken van God en Christus. Het gat in onze ziel wordt maar niet leeg gelaten. Nee, God vult het met Zijn genade. Waarom zouden we dat zelfbehoud niet mogen zoeken? Amos zei al: Zoekt de Heere en leeft! (Amos 5:6). En zo is het nog.

 

U hebt de toevlucht leren nemen tot Christus? Wat een troost dat we bij Hem niet alleen terecht kunnen voor vergeving, maar ook voor reiniging. Niet alleen voor rechtvaardigmaking, maar ook voor heiligmaking. Stel voor dat Gods kinderen het wat de heiliging betreft zelf moesten uitzoeken. Gelukkig is de Heere Jezus Christus ook gekomen om ons in Zijn voetsporen te laten wandelen. Laten we dus niet alleen op Hem leunen voor de vergeving van onze zonden, maar ons er ook mee laten troosten dat Hij de zonden van zijn kracht ontdaan heeft en veroordeeld in het vlees.

Wat een leven om alles van Christus te verwachten! Gods kinderen hebben over God niets te klagen. Al is de strijd hevig, ze mogen met blije gezichten doorvechten tegen hun vlees. Al moeten ze hun oude natuur kruisigen, de overwinning is feitelijk al behaald. Het leven ligt voor ons, als we zo mogen strijden. Laten Gods kinderen maar afhankelijk blijven en alles van Christus verwachten. Niemand hoeft in eigen kracht te strijden.

 

En als we soms door zwakheid in zonden vallen, hoeven we aan Gods genade niet te twijfelen. Geen zonde of zwakheid, die tegen onze wil in ons is overgebleven, kan verhinderen dat God ons in genade aanneemt.

We lezen in vers 13: Want indien gij naar het vlees leeft, zo zult gij sterven; maar indien gij door de Geest de werkingen des lichaams doodt, zo zult gij leven.

En in vers 37 tot en met 39: Maar in dit alles zijn we meer dan overwinnaars, door Hem, Die ons liefgehad heeft. Want ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch engelen noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige noch toekomende dingen, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Heere.

 

Ja, het bedenken des Geestes is leven en vrede.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 119: 83

 

Wat vree heeft elk die Uwe wet bemint!

Zij zullen aan geen hinderpaal zich stoten.

Ik, Heer’, die al mijn blijdschap in U vind,

Hoop op Uw heil met al Uw gunstgenoten;

’k Doe Uw geboôn oprecht en welgezind;

Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 29)