Ds. H. Paul - Mattheüs 13 : 3

De gelijkenis van de zaaier

Het beeld dat wordt gebruikt
Het onderscheid dat wordt gezien
De vrucht die wordt voortgebracht
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie 'Een zaaier ging uit...' (deel 27)

MattheĆ¼s 13 : 3

Mattheüs 13
3
En Hij sprak tot hen vele dingen door gelijkenissen, zeggende: Ziet, een zaaier ging uit om te zaaien.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 126: 3
Lezen : Mattheüs 13: 1-23
Zingen : Psalm 6: 1, 2, 9
Zingen : Psalm 139: 14
Zingen : Psalm 138: 3

Gemeente, de tekst voor deze dienst vindt u in het gedeelte van het Woord van God, u voorgelezen uit Mattheüs 13 en daarvan het derde vers, waar we Gods Woord en onze tekst lezen:

 

En Hij sprak tot hen vele dingen door gelijkenissen, zeggende: Ziet, een zaaier ging uit om te zaaien.

 

Onze tekst en het verband van onze tekst gaat over: De gelijkenis van de zaaier.

 

We staan stil bij:

1. Het beeld dat wordt gebruikt

2. Het onderscheid dat wordt gezien

3. De vrucht die wordt voortgebracht

 

1. Het beeld dat wordt gebruikt

 

Onze tekst is de bekende gelijkenis van de zaaier. Eén van de gelijkenissen die de Heere Jezus heeft uitgesproken tijdens Zijn omwandeling op aarde. Nu sprak Hij, gezeten in een schip, tot de schare die was bijeengekomen. Een zegen om zulk onderwijs te mogen ontvangen. Toch hebben we gehoord uit het Woord van God hoe er ook een oordeel in lag. Namelijk dat de schare wel de gelijkenis hoorde, maar hun niet werd bekendgemaakt wat de diepe betekenis ervan was. Dat was een verdiend oordeel. Men had zich dat waard gemaakt, omdat men de woorden van de Heere Jezus niet heeft geacht als het Woord van God. Het hart van het volk was dik geworden. Ze hadden zwaarlijk gehoord. Het waren mensen die geen acht hadden gegeven op hetgeen de Heere gesproken had. Zij waren wel hoorders, maar geen daders van het Woord. Wanneer het hun niet zint gaan ze weg. Vele scharen verlaten Hem.

Maar wat aan de ene kant verhuld blijft, alleen als een geschiedenis wordt gehoord, wordt aan de andere kant aan de discipelen bijzonder verklaard. De uitleg van deze gelijkenis wordt de discipelen gegeven. Het is u gegeven de verborgenheden van het Koninkrijk Gods te verstaan (vers 11).

Gemeente, wat een voorrecht dat wij nu de betekenis van de gelijkenis, die ons allen geldt, ook mogen beluisteren. Dat het beschreven is in het Woord van God, welke boodschap ook nu tot ons komt, in de Naam van de Heere. Want het is geen woord dat alleen op het zendingsveld thuishoort. Het is een woord dat in het midden van de gemeente moet worden neergelegd. Het is een spiegel, een toetssteen die ons persoonlijk geldt. Vandaag mogen we ons afvragen, ja dienen we ons af te vragen: wat voor iemand ben ik? Waarmee wordt mijn naam genoemd? Want u en ik, wij behoren tot die vier categorieën, die aangegeven worden met de gesteldheid van de bodem waarop of waarin het zaad valt.

Wij behoren tot één van die vier categorieën. Hetzij tot die waar het zaad valt op de harde weg of waar het geen diepte van aarde heeft of waar het verstikt wordt of waar het vrucht voortbrengt.

Wanneer het zaad door genade vrucht mag voortbrengen in ons leven, houden we dit onderwijs nodig. Dan blijft de waarschuwing van kracht, dat het Woord zo vaak weinig ter harte wordt genomen. Dan kennen we iets van de hardheid van ons hart. Dan weten we ervan, dat het Woord wel gehoord wordt, maar geen doorgang vindt. Dan kennen we ook de verleiding van de rijkdom of wat voor zaken ons ook bezighouden, waardoor het Woord geen vrucht draagt.

Er is zoveel dat ons aanklaagt, dat het Woord zo vaak gehoord en gelezen wordt zonder dat het wat uitwerkt. Hebt u de Heere ervoor nodig dat het Woord vrucht mag dragen tot eer en verheerlijking van Zijn grote Naam?

 

Deze gelijkenis is dus de gelijkenis van de zaaier en wordt ook wel genoemd de gelijkenis van het zaad of ook wel van de vierderlei akker. Maar wanneer we uitgaan van de akker, dan gaan we uit van de mens; van wie de mens is en blijft. Maar het gaat er om dat we verstaan dat het de Heere is, Die het Woord zaait en laat zaaien. Dan gaat het om de Heere Zelf. Hij is de Zaaier. Het gaat om de arbeid in het Koninkrijk Gods, waarvan Christus Zelf Koning is. Hij laat de arbeid verrichten in Zijn rijk. Hij is de Zaaier, Die het Woord laat zaaien.

 

De Heere gebruikt eenvoudige beelden, die aan het dagelijks leven ontleend zijn. In Israël zag men de landbouwer of zijn knecht op de akker lopen en het zaad zaaien, tarwe of een ander graan. Dat werd met de hand gezaaid. Een laken of een doek werd aan de ene zijde aan het lichaam gebonden. Het andere einde werd met de linkerhand vastgehouden, terwijl het gevuld werd met het zaad. Dan greep de zaaier een handvol zaad en strooide het in een halve cirkel ruim voor zich uit. Met een vaste tred liep hij over de akker en zaaide overal dat zaad, opdat geen stuk van de akker onbezaaid zou blijven.

We hebben gezongen: ‘Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien.’ Met tranen zaaien betekent dus: zaaien met zorg over de toekomst. Wat zal er van terechtkomen? Wat voor mogelijkheden zijn er niet, dat het zaad geen vrucht zal voortbrengen? Zal hij het dragen van de vrucht beleven? Komen er vijanden om het koren weg te halen? Dan is er de verzuchting dat de Heere Zijn zegen erover geven zal.

 

Het Woord zaaien, dat doet dus de Zaaier. Dat doet Christus en in Zijn Naam de dienaar van het Woord. De vraag is: wat werkt het uit? Op welk deel van de akker is dat zaad gevallen? Het zaad valt op de akker van het hart.

Het is in de eerste plaats een wonder dat de Heere met die arbeid door wil gaan, dat Hij die bemoeienissen wil maken. Hoe velen zijn van het Woord van God vervreemd of hebben nooit het Woord gehoord. Het is geen vrijblijvende zaak om het Woord van God te horen, want de Heere heeft een doel met het Woord. Als de Heere het Woord laat zaaien is dat met het doel dat er straks geoogst mag worden. We lezen bij Petrus dat hij zegt: Gij die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God (1 Petr.1:23). Het geloof is uit het gehoor en het gehoor door het Woord van God. Het is dus een bijzondere bemoeienis van de Heere met ons en met allen die het Woord van God mogen horen, dat Hij het Woord laat zaaien, de boodschap laat brengen.

 

Onder het Oude Testament was alleen Israël het volk aan wie de woorden Gods waren toebetrouwd. Zo wilde Hij met geen volken handelen. Die moesten Zijn getuigenissen en Zijn verbondsgeheimen missen. Het zaad van Abraham, door de Heere apartgesteld en begenadigd, heeft de boodschap van het Woord van God gehoord bij monde van de profeten. Toen Hij op de aarde was heeft de Heere Jezus Zelf onder Israël het Woord gebracht. Dat bracht grote verantwoordelijkheid mee.

Onder het Nieuwe Testament moet die boodschap gebracht worden over de hele wereld, naar de opdracht van de Heere Jezus: Predikt het Evangelie aan alle creaturen (Mark.16:15). Onderwijst alle volken (Matth.28:19). De middelmuur tussen heidenen en Joden is opgeheven. Het zaad van het Woord wordt gezaaid tot aan de einden van deze aarde. Wat een verantwoordelijkheid rust dan op ons en op allen die het Woord van God mogen horen. Maar wat blijkt er een ondankbaarheid en wat wordt het veronachtzaamd dat het Woord van God in Zijn Naam tot ons komt!

 

Ook wordt het zaad van het Woord helaas vermengd met vreemde elementen, waarin de mens met zijn vermogens een plaats krijgt. Waar het zuivere Woord van God verminkt wordt, doordat het wordt vermengd met allerlei gedachten van de mens.

Wat is er een afval, ook in onze dagen, en een vervreemding van het Woord van God! Er zijn gedeelten van ons vaderland waar het Woord van God niet meer wordt gehoord. Er zijn steden waar de boodschap schier niet meer wordt gebracht. Denk aan Amsterdam; dat was een plaats waar godvrezende predikanten dienden. Denk ook aan delen van Noord-Holland en Friesland waarvan hetzelfde geldt. Daar leeft een modern heidendom, bij wie het Woord van God veracht wordt. Men wil de boodschap van het Woord niet meer horen of op een zodanige wijze, dat het niets meer heeft van de boodschap van vrije genade. Een aan de moderne mens aangepast Woord.

Maar de Heere maakt Zich vrij van ons allemaal, als we die boodschap van het Woord hebben gehoord. Al zou je maar één keer gehoord hebben, jongens en meisjes, dat je bekeerd móet worden en dat je bekeerd kúnt worden. Dat er een weg bij God vandaan is, waardoor zondaren kunnen worden behouden. De Heere maakt Zich vrij van elk onzer.

En hoe vele malen hebben we het Woord van God al gehoord! Misschien hebben we al een kerkbank versleten. Dan zult u misschien zeggen: ‘Ja, maar het Woord alléén doet het toch niet? De krachtige werking van de Heilige Geest is nodig. Ik kan me toch zelf niet bekeren?’ Gemeente, dat doet niets af van de waarheid dat wij verantwoordelijk blijven voor de boodschap, die in Gods Naam tot ons komt. Het onvermogen van de mens is onze schuld en doet niets af van onze verantwoordelijkheid ten opzichte van de boodschap, die in de Naam des Heeren wordt gebracht.

Onze vaderen schrijven, lees het thuis maar na in de Dordtse Leerregels, hoofdstuk 3 en 4, artikel 8, 9 en 10: ‘Doch zovelen als er door het Evangelie geroepen worden, worden ernstig geroepen. Want God betoont ernstig en waarachtig in Zijn Woord wat Hem aangenaam is; namelijk dat de geroepenen tot Hem komen. Hij belooft ook met ernst allen die tot Hem komen en geloven, de rust der zielen en het eeuwige leven.’

Dus het is een ernstvolle zaak. Van Godswege worden we ernstig gewezen op het feit dat we ons tot God zouden bekeren en dat bij de Heere zaligheid gezocht moet worden. Dan zeggen onze vaderen: ‘Dat er velen wel geroepen zijn en niet komen, daarvan ligt de schuld niet bij God, noch in het Evangelie, waarin Christus wordt aangeboden.’ Daarin wordt de schuld gelegd bij ons mensen. En laten we onze belijdenis aanvaarden. We weten ook dat er genade nodig is, maar waar brengt ons dat Woord? Gaan we in een valse rust door of verbindt het aan de Heere en zijn we om Zijn genade verlegen? Waar lezen we in Gods Woord dat de Heere een arme, een ellendige laat staan?

Gods Woord leert ons geen vrije wil van de mens. De boodschap moet gebracht wat God aangenaam is. Wat God wil van ons allen, niemand uitgezonderd. Dat is de boodschap van het Woord. Dat de geroepenen ook komen, dat wil de Heere. En dat brenge tot het gebed: ‘Heere, bekeer me, dan zal ik bekeerd zijn.’

 

Groot en klein, jong en oud wordt toegeroepen: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden! (Jes.45:22) Dan worden, zegt Calvijn, in iedere preek de tranen van Christus over ons geschreid en druppelt het bloed van Christus op de gemeente. Zoals Hij stond voor Jeruzalem, zo staan Zijn dienaren in Zijn Naam te bidden: Laat u met God verzoenen! (2 Kor.5:20) Tot Jeruzalem zegt Hij: ‘Hoe menigmaal heb Ik u bijeen willen vergaderen, gelijk een hen haar kiekens onder haar vleugels vergadert; doch gij hebt niet gewild.’

Wat zal het tegen ons getuigen, als die boodschap, die wel gehoord is, niet ter harte wordt genomen. Als wij geen daders van het Woord zouden zijn! De volle verantwoordelijkheid ligt en blijft op elk van ons.

 

Maar nu staan we in de tweede plaats stil bij:

 

2. Het onderscheid dat wordt gezien

 

Wanneer dat zaad gezaaid wordt, moet u niet denken aan de omstandigheden zoals wij die gewend zijn. Wij zien de akkers, keurig geploegd, geëgd, zaaiklaar gemaakt. Dan zijn er geen stenen of paden of wat ook in. Dat was in het oosten anders. In het oosten liepen soms paden over de akkers, van het ene dorp naar het andere. Dat waren paden waar veel mensen over liepen. Dat waren platgetreden paden. Als het zaad daarop viel kon het niet ontkiemen.

De zaaier neemt een handvol koren en strooit het uit. Maar een deel van dat zaad valt op zo’n pad. Daar ketst het terug, vanwege de hardheid van het pad en het valt neer. Het kan niet in de aarde komen om te kunnen ontkiemen. Het blijft alléén, zegt de Heere Jezus. Maar het blijft er ook niet liggen. De vogels komen en pikken het weg. Dat gaat gemakkelijk op zo’n hard pad. Dat zaad is spoedig verdwenen.

De Heere Jezus zegt dat de satan komt en probeert dat Woord spoedig weg te nemen. Hij vreest dat Woord. Het is geen zaak van ondergeschikte betekenis voor de satan dat we onder het Woord van God verkeren. Hij vreest dat Woord. Hij weet nooit wat het uitwerkt. Stel dat het eens een keer hard regent en het pad wat zachter worden zou. Stel dat de wind het zaad nog een keer meeneemt en dat het misschien een vruchtbaar plekje vindt, waardoor het dan tóch kan ontkiemen! Dat vreest satan.

Hij is er mee bezig om het Woord wég te halen, ons af te leiden, door met allerlei zaken bezig te doen zijn, maar niet met het Woord. De indrukken, die het Woord soms zouden kunnen geven, wil hij zo spoedig mogelijk wegnemen.

 

Gemeente, waar bent u mee bezig onder de preek? Waar denkt u aan? Waar denkt u aan als u thuis komt? Waar gaan de gesprekken over? Waar wordt onderweg over gesproken? Allerlei zaken die satan gebruikt om de indruk van het Woord zelf weg te nemen.

We zijn vaak niet bezig met het Woord, maar met degene die het Woord spreekt, met de omstandigheden van weer of kleding, of wat dan ook. Allerlei zaken komen aan de orde. Maar het Woord zelf wordt niet overdacht. Het wordt weggenomen; we worden afgeleid. Hij leidt af om te verleiden; om het Woord krachteloos te maken en ervoor te zorgen dat het geen indrukken meer achterlaat. Dan worden allerlei beschouwingen gegeven. De één vindt het te moeilijk, de ander te ruim, anderen vinden het te zwaar. Allerlei zaken worden te berde bracht. Men denkt zich aan de klem van het Woord te kunnen onttrekken, alsof het niet een boodschap was in Góds Naam. Men probeert met allerlei zaken het Woord krachteloos te maken. Intussen valt het zaad op de weg en het wordt weggenomen. Het komt niet tot het gestelde doel.

 

Wat een arbeid heeft de Heere aan onze ziel ten koste gelegd. Ik las bij Van der Groe het volgende: ‘De Heere roept alle mensen tot bekering, ook de grootste en de gruwelijkste zondaar. Hij belooft hun vergiffenis van hun zonden, eeuwige vrede, zaligheid en genade, als zij van de zonden en van de goddeloze wegen afstand doen. Er gaat dan ook geen mens verloren of het is door eigen moedwillige ongehoorzaamheid.’ ‘Helaas’, zegt Van der Groe, ‘weigert de natuurlijke mens de aangeboden genade in het bloed van de Middelaar aan te nemen en zich daardoor tot God te bekeren. Aan de éne kant mogen we zeggen: genade blijft genade. Maar aan de andere kant blijft de verantwoordelijkheid ten volle op ons rusten.’

 

Laten we overigens niet alleen denken aan satan. Wij zelf kunnen ook een middel zijn in de hand van satan. We kunnen het Woord van zijn kracht beroven bij anderen. We kunnen het door de gesprekken na de dienst zodanig maken, dat aan het Woord van God niet meer gedacht wordt. We kunnen er de oorzaak van zijn dat de indrukken, die er zijn, weggenomen worden

We weten, de Heere staat boven alles en het hardste hart kan Hij verbrijzelen. Maar laten we luisteren naar wat de Heere zegt, en niet proberen het Woord krachteloos te maken met onze gedachten of stelsels.

Het zaad valt dus soms op een harde weg. Maar het kan ook op een andere plaats vallen. Er zijn ook plaatsen waar de rotsachtige bodem zó dicht onder de oppervlakte ligt, dat er maar een klein laagje teelaarde op die rotsbodem aanwezig is. Dat kleine laagje teelaarde is spoedig vochtig door de regen en ook spoedig warm door de zon die er op schijnt. Het zaad ontkiemt! Het vindt immers gunstige omstandigheden. Spoedig zien we de eerste sprietjes al boven komen. Maar wanneer de zon langer gaat schijnen, droogt die zon de aarde uit. Al het vocht verdampt en het plantje vindt geen vocht. Het kan geen voeding meer opnemen en het sterft.

Dat is het tweede beeld waar de grond mee aangeduid wordt. Daar is geen diepte van aarde.

Onze geloofsleer spreekt van het tijdgeloof, dat zich kenmerkt door voorspoedige groei, maar waar spoedig afval plaats heeft. Gods kinderen worden er vaak mee aangevallen dat het ook in hun leven openbaar zal komen dat ze eigenlijk maar huichelaars zijn. Dat ze wel gedacht hebben dat het van de Heere was, maar uit de omstandigheden waarin ze verkeren zou blijken dat het niet van de Heere kan zijn.

 

Maar wat is dan het onderscheid? Wel, gemeente, dat zaad op die plaats maakt geen wortelwerk. Het gaat niet naar de diepte. Het plantje heeft een goede wortel nodig, die naar de diepte gaat, om het vocht en de voedingsstoffen uit de aarde op te kunnen nemen. Daardoor blijft het plantje ook in een tijd van droogte in leven en zal het straks ook vrucht voortbrengen. Alle groei gaat hier naar boven. Het is alleen maar aan de buitenkant.

Bij het tijdgeloof wordt Gods Woord met vreugde ontvangen. Men hoort met blijdschap van de verlossing, dat er een mogelijkheid is om zalig te worden. Men is ontroerd door het wonder en men is verblijd, zonder dat er dieper ontdekkend werk ondervonden is. Men is geen zondaar voor God geworden, waarbij men Gods recht dat ons moet veroordelen, heeft leren billijken. Zonder dat er plaats gekomen is voor een Zaligmaker bij Wie men heeft leren schuilen.

Bij het zaligmakend werk is er niet alleen groei naar boven. Dan is er ook groei naar beneden, waarbij in de weg van ontdekking geleerd wordt wie we zijn en wat wij ons hebben waard gemaakt. Dan is er een droefheid naar God, die een onberouwelijke bekering tot zaligheid werkt. Daarbij wordt het leven gezocht in een Ander. Dan kunnen we ons niet tevreden stellen met het hebben van blijdschap over de weg der verlossing. De Heere maakt plaats voor Zijn genade. Daarbij is de toepassing en de bediening door de Heilige Geest noodzakelijk. In die weg staan we er buiten door eigen schuld en weten we niet hoe we ooit met God verzoend kunnen worden. Dat is het kenmerk van het ware werk der genade, van hen die straks vrucht zullen voortbrengen van geloof en van bekering.

 

Het lijkt heel wat bij het tijdgeloof. Er is ook een heel verschil met de eersten. Bij de eersten was onaandoenlijkheid en zorgeloosheid. Hier is ontroering die bij de anderen niet wordt aangetroffen. Het lijkt heel wat. Maar onze ouden zeiden niet zonder grond: laat het maar eens overwinteren en overzomeren. Dan komt openbaar of het het ware werk Gods is.

Het ware werk Gods wordt ook daardoor gekenmerkt, dat het steeds meer houvast zoekt buiten zich. Het kan niet tevreden zijn met wat eenmaal gebeurd is. We komen het gebed niet te boven: ‘O God, wees mij, de zondaar, genadig!’ Dan mogen we het als een wonder horen en geloven dat er een weg der zaligheid is bij God vandaan. Dat wonder dat niet klein te krijgen is, dat er voor zo één genade is! Dan wordt er op Gods tijd geroemd in genade alleen. Maar dan heeft het altijd die diepe ondertoon, die toon van verwondering, dat de Heere naar zo één heeft omgezien.

Dat is niet een oppervlakkig roemen in de Heere, in Zijn genade, in een Zaligmaker. Daar dringt de liefde en is smart over de zonde. Het wonder wordt steeds groter dat er genade is bij de Heere, voor zo iemand. Dat is niet het oppervlakkige geloof, dat helaas zo vaak wordt aangetroffen. Daar is vaak het bezit voor het gemis. Daar kan Gods Kerk zich niet mee verenigen. Daar mis je het wezenlijke, wat tot het werk der genade behoort.

 

Tot waarschuwing wordt ons voorgehouden dat er dus schijnbare groei is, maar het komt niet tot het dragen van vrucht. Er is wel een plantje, maar geen koren in de halmen.

 

Ten slotte is er ook nog een derde grond, namelijk waar het zaad verstikt wordt tussen de doornen en de distels. Die grond zag er schijnbaar goed uit. Er was niets te zien en daarom zaait de landman dat zaad met volle handen, in de hoop dat het vrucht zal voortbrengen. Maar wat in die bodem zit is er van alle kanten in gekomen. Dat onkruid was er eerder dan het koren. Dat is een inheemse plant, die aanwezig is in de grond. Dat kan zoveel zijn. U moet thuis maar eens in uw tuin een gazon willen hebben. U zaait het gras en u staat verbaasd hoeveel onkruid er mee opkomt. Dat onkruid zit in de bodem. Dat wordt niet gezaaid; dat is er. Dat is het eerste wat er is en dan pas komt het zaad van het koren. Het is een inheemse plant, terwijl genade van buiten komt. Sommige zaden van onkruid kunnen heel lang in de bodem blijven liggen voordat ze ontkiemen. Zoveel onkruid is er in de akker.

En dan wordt het zaad in de akker gezaaid. Alles komt op, maar het onkruid groeit sneller. Dat is krachtiger. Dat onkruid ontkiemt veel sneller dan het koren, dat langzamer groeit. En... het koren wordt verstikt. Dat onkruid wordt een heel gewas, zodat er voor de tarwe geen plaats is.

 

Zoveel is er in ons hart en leven wat het zaad van het Woord verstikt. De zorgvuldigheden van deze wereld, de verlokking van de rijkdom, het gevaar van de welvaart. Dat zien we in het bijzonder ook in onze tijd, waar welvaart heerst, vergeleken met vroeger. Waar heeft het ons gebracht? Velen zijn juist door welvaart van God en van Zijn dienst afgeweken.

Misschien zijn er wel jongens en meisjes die later hopen rijk te worden en denken dat daar het geluk in gevonden wordt. Agur bad tegen rijkdom. Hij zei: ‘Heere, rijkdom en armoede, geef mij niet.’ Hij kende zijn hart en was bevreesd voor wat in zijn hart leefde. Hij zag het gevaar van de rijkdom, dat het hem van de Heere vandaan deed gaan. Maar hij bad ook tegen armoede. ‘Opdat ik dan, verarmd zijnde, niet stele.’ Agur was bang voor armoede, maar óók bang voor rijkdom. Hij zag het grote gevaar dat het ons van God en van Zijn dienst aftrekt. Gemeente, zijn we ook zo bevreesd voor de zonde? Voor de zonden, die het zaad van het Woord kunnen verstikken? Bevreesd voor het opgaan in de dingen van deze wereld, het aardse goed, dat zo schadelijk is voor het zaad van het Woord? Dat komt wel tevoorschijn, maar het wordt verstikt. Het is onmogelijk om er door te breken en dan vrucht te kunnen dragen.

 

Laten we niet denken dat het gevaar van het onkruid alleen de natuurlijke mens geldt. Het onkruid kan zoveel goed zaad verdringen, ook in het leven van Gods Kerk. Daar kunnen zonden zijn, die aan de hand gehouden worden, die het geestelijk leven zo nadelig kunnen beïnvloeden.

Ik herinner me dat ik een keer langs een korenveld reed waar het koren door de wind of regen platgeslagen was. Maar er stond wel een grote distel, misschien wel van een meter hoog, die nog fris en groen was. Het koren was platgeslagen, maar die distel stond te bloeien. Ik dacht: zo kan het ook zijn in het leven van Gods Kerk. Dan bepaalt die distel de aanblik. Het koren ligt plat, maar de aanblik wordt bepaald door de distel, dus door de zonde.

‘Wordt mijn vlees door het kwade licht verrast, ai, laat het mij toch nimmer overheren’, zegt David. En ook: ‘Ik ben tot hinken en zinken elk ogenblik gereed.’ Want wie door genade tot de goede aarde mag behoren, die kent dat harde pad bij zichzelf. Die kent het gevaar van de doornen en distelen.

 

En toch is het geen uitzichtloze zaak. Het lijkt soms dat het alles tevergeefs is, dat we bij de pakken moeten gaan neerzitten. Dat kan een dienaar van het Woord wel eens aangrijpen. Dat hij niets anders meent te merken dan harde harten, dan oppervlakkigheid, zodat hij zegt: ‘Heere, is er ook echt iets van U bij? Dat kan wel niet worden ontkend, maar gaat Uw werk door?’

We mogen weten: er zal altijd goede aarde zijn. Niet vanwege de geschiktheid van onszelf, maar omdat er Eén geweest is, Die niet alleen Zaaier was, maar ook als een stervend graan in de akker is neergelegd. Gij legt Mij in het stof des doods (Ps.22:16). Die Zelf gezegd heeft: Indien het tarwegraan in de aarde niet valt en sterft, zo blijft hetzelve alleen; maar indien het sterft, zo brengt het veel vrucht voort (Joh.12:24). Hij is de Zoon van God en is in de aarde gelegd, als een stervend tarwegraan. En daarom zal die aarde altijd vrucht voortbrengen van geloof en bekering. Hij werd als een stervend tarwegraan in de aarde gelegd. Maar Hij stond ook overwinnend op uit het graf. Hij is de Eersteling van een grote oogst.

Die is er niet van onszelf. Want niemands hart is goed, niemands hart is ontvankelijk. Maar de Heere maakt dat hart ontvankelijk door de bediening van Woord en Geest. Deze gelijkenis is een beeld. Er zijn veel beelden, die samen de volle waarheid weergeven. De tarwe kan de bodem niet goedmaken. Maar het Woord van God kan het hardste hart verbreken. Dat heeft meer kiemkracht dan dat het hart hard is. Hij kan dat pad doorploegen met de boodschap van Zijn heilige Wet. Hij kan de doornen en distels verbranden. Hij kan die rotsbodem verbrijzelen door de kracht van Zijn Woord en Geest.

Er is altijd meer kracht aan Gods kant, dan tegenstand aan onze kant. Daarom zal er ook vrucht zijn. Niet vanwege de goede aarde of dat men van zichzelf ontvankelijk is, dat men geschikt is om het Woord te ontvangen. Maar die bodem wordt bereid, die wordt vruchtbaar gemaakt door de bediening van Woord en Geest. En dan zal er vrucht voortgebracht worden.

Dan gaat Hij er ook mee door. Het is geen zaak om bij de pakken neer te zitten; geen zaak om er moedeloos bij te worden, hoewel die moedeloosheid wel eens kan aangrijpen. Maar omdat er Eén gekomen is Die voor Zijn eigen werk instaat, Die wonderen kan doen en wil verrichten, is er uitzicht bij de Heere vandaan en zal er vrucht zijn op de verkondiging van het Woord van God. Niet van onze kant, maar van Gods kant.

En daarom mag de bede wel zijn of de Heere die genade wil schenken. Maar het komt er wel op aan, gemeente, want eenmaal is er de oogst. En waar zullen we dan staan? Straks is er de oogst, wanneer de oogst en de aren zijn rijp geworden. Dan wordt het bevel gegeven: ‘Maai met de sikkel, want de oogst der aarde is rijp geworden.’ Waar zullen we dan staan, ter rechter- of ter linkerzijde van de Wereldrechter? Waar heeft het Woord ons gebracht? Welke vruchten heeft het afgeworpen? Is ons hart nog zo hard als dat pad? Is ons hart nog zo vol doornen en distelen? Is er niet die diepe bewogenheid met onze ziel en zien we de ernst van de zonde? Is ons hart ooit verbroken geweest vanwege onze schuld? Heeft de goedertierenheid Gods ons nooit tot bekering geleid? God is vrij van elk onzer. De oprechte kent die vrees. Maar die vrees brengt bij de Heere.

Dan is het gebed niet onbekend wat wij samen zingen uit Psalm 139 het veertiende vers:

 

Doorgrond m’, en ken mijn hart, o Heer’;

Is ‘t geen ik denk niet tot Uw eer?

Beproef m’, en zie, of mijn gemoed

Iets kwaads, iets onbehoorlijks voed’;

En doe mij toch met vaste schreden

Den weg ter zaligheid betreden.

 

3. De vrucht die wordt voortgebracht

 

We lezen immers: En een ander deel viel in de goede aarde en gaf vrucht, het ene honderd-, het ander zestig- en het ander dertigvoud. Wie oren heeft om te horen, die hore.

Dat zaad zal niet tevergeefs gestrooid worden. Dat Woord zal niet ledig tot de Heere wederkeren. Het zal doen hetgeen Hem behaagt. Paulus mag planten en Apollos nat maken, maar de Heere geeft op Zijn tijd de wasdom. Dan zal er toch een goede aarde zijn. Niet vanwege de geschiktheid van de mens, van uw hart en mijn hart. De één mag harder zijn dan de ander, de één meer ontvankelijk dan de ander, maar een goede aarde vinden we bij ons persoonlijk niet. Dat is vrucht van de bediening van de Heilige Geest.

Daar valt dat zaad in die aarde. Dat zaad komt in de grond. Het gaat ontkiemen. Het zaadlichaam sterft, maar de kiem groeit. Die vormt wortels. Daar komt een plantje. Daar komt tarwe of een ander graan. Dat plantje brengt vrucht voort, honderd-, zestig- of dertigvoudige vrucht. De Heere staat er Zelf voor in. Het welbehagen Gods zal door de hand van Christus gelukkiglijk voortgaan. Als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien (Jes.53:10). Dat zal er komen. Daar zorgt de Heere ook Zelf voor.

Aan de ene kant is het de volle verantwoordelijkheid van ons mensen, die ons aan de troon der genade behoort te verbinden. Aan de andere kant is het een wonder van Gods genade. Dat zal elk betuigen en erkennen, die in dat voorrecht mag delen. Waarom was dat nu mij gegund? Dan leeft er ook een verlangen om vrucht te mogen dragen, tot eer van Zijn grote Naam. Het is onmogelijk dat wie Christus door een waar geloof is ingeplant, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid.

Maar die vrucht wordt niet uit ons gevonden. Die vrucht wordt gevonden uit Christus. In de levende geloofsgemeenschap met Hem wordt ontvangen wat tot het dragen van vrucht noodzakelijk is. Dat kan met de goede wil niet. Dat kan met beste voornemens niet. Dan kun je denken: ik zal het eens anders doen; ik zal het eens anders zeggen; ik zal eens goed van de Heere spreken. En we gaan met een gesloten mond over de aarde. Maar wanneer we, in het besef van eigen onwaardigheid en krachteloosheid, verlangen tot eer van Zijn Naam te leven en vrucht voort te brengen, hebben we de Heere nodig. Dan gaan de lege handen en het lege hart open naar boven. De liefde dringt immers. Daar is de Levensbron. Dan wordt de vrucht uit Hem gevonden.

Er is onderscheid: honderdvoudige vrucht, veel vrucht dus, minder vrucht en zelfs weinig vrucht. Maar wel vrucht. Vrucht waar de Heere Zelf het zegel op zet, dat Hij erkent als Zijn werk. Die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht (Joh.15:5). Hierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt (Joh.15:8).

 

Deze gelijkenis wordt wel genoemd de sleutelgelijkenis; de sleutel om de andere gelijkenissen te verstaan. Om de arbeid in het Koninkrijk van God te verstaan, zoals die plaats heeft naar Gods opdracht. Waarbij de Heere ook Zelf voor Zijn eigen werk instaat. Wij moeten altijd de hoofdlijn van de gelijkenis vasthouden. En die hoofdlijn is dat er aan de ene kant zoveel zaad verloren gaat, maar aan de andere kant dat het vrucht zal dragen. Dat de Heere er Zelf voor instaat dat er toch altijd goede aarde zijn zal, als vrucht van de verdienste van Christus, Die het alles verworven en verdiend heeft in de weg van Zijn lijden en sterven, Die Zijn gemeente kocht met de prijs van Zijn bloed, Die ze vergadert uit alle volken op deze aarde en ook Zelf zorgt dat er vrucht zal zijn op de arbeid die mag worden verricht.

 

Elk is persoonlijk verantwoordelijk, maar genade viert triomfen. Want er is meer kiemkracht in het zaad dan tegenstand in ons hart. Leg dat maar de Heere voor en vraag maar verlost te worden van hetgeen als tegenstand in uw hart is. En vraag om die boetvaardigheid, die vrucht is van Zijn genade. Met minder kan het niet toe.

Misschien hebt u al vele jaren op de akker van de gemeente vertoefd. De woorden Gods zijn u toebetrouwd. Waar heeft het u gebracht? Welke vrucht wordt er bij u gevonden? Geef niet God de schuld. Probeer u niet te verontschuldigen, maar keer er mee terug tot de Heere en vraag om die genade, die u nodig hebt. Die genade is bij Hem te verkrijgen, voor de voornaamste van de zondaren. Dan kan ons hart niet zó hard zijn, dan kunnen we niet zó vervuld zijn met de dingen van deze wereld die ons als het ware vastgrijpen, zoals het onkruid dat koren omvat en verstikt, of Hij is machtig de banden en de boeien te breken. Het zijn de banden en de boeien waarmee Hij Zichzelf heeft laten binden, maar die Hij verbroken en in stukken getrokken heeft, door de opstandingskracht waarmee Hij de dood heeft overwonnen. Dan kan niemand zeggen: ‘Het kan voor mij niet meer.’ Haast u om uws levens wil!

 

Dat die de Heere kennen en vrezen toch zouden verlangen om vrucht te dragen! Dat we niet het beeld zouden vertonen van dat platgeslagen koren met die distel, die daar zo’n centrale plaats op het veld innam. Dat door ons Gods Naam niet gelasterd, maar geprezen wordt.

Hierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt (Joh.15:8), zegt de Heere. En vrucht van bekering is aan de ene kant het afsterven van de oude mens en een droefheid over de zonde, een haten en vlieden van die zonde. Maar aan de andere kant een vreugde in God door Christus en lust en liefde om naar al Gods geboden te leven. Daarin wordt vrucht gezien en komt openbaar wat genade vermag. Dan zijn wij geen hartenkenner, wat blijkt uit vele plaatsen in Gods Woord. Maar de Heere staat voor Zijn werk in en de Heere kent de Zijnen en wordt van de Zijnen gekend.

 

Dertig-, zestig- of honderdvoudige vrucht. Drievoudige vruchtbaarheid, tegenover de drievoudige vruchteloosheid. Wat een wonder als de Heere ons zou willen gedenken. Maar het is niet te wonderlijk en niet te groot, want God is een God van wonderen.

Leg je maar voor de Heere neer en vraag of de Heere geven wil wat Hij vraagt en schenken wil wat Hij beveelt. Of Hij uw hart zo wil bereiden dat u als een vruchtbare akker vrucht mag voortbrengen van geloof en bekering.

Dan zal Hij u eenmaal inzamelen in de schuren. Dan zal het woord ons tegen klinken: Komt, gij gezegenden Mijns Vaders, beërft dat Koninkrijk hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld (Matth.25:34).

Want het koren blijft niet altijd op aarde. U kunt het zien in de natuur. Het koren wordt geel. De oogst is aanstaande. Het kan niet op de aarde blijven staan. Het wordt gemaaid, gedorst en geoogst. Dat is het doel van het koren. Dat is het doel van het vrucht dragen: ingezameld worden tot eer van de Heere.

 

Maar wie zijn hart zet op de dingen van deze tijd, bij wie het aardse zo’n grote plaats heeft, die God misschien wel de schuld geeft van zijn onbekeerlijkheid, weet dat de ranken waar geen vrucht aan is, door de Heere afgehouwen en met vuur verbrand worden. Wat zal dan ons einde zijn? Heeft u zich alleen bekommerd om de dingen van deze tijd, het hart gezet op het aardse en hetgeen voorbijgaat? Heeft u het eeuwige veronachtzaamd? Dan zal het zijn: ‘Had ik, had ik toch maar..’ Maar dan is het te laat.

Nu is het nog het heden der genade; de tijd die God nog geeft. Zoek de Heere, terwijl Hij nog te vinden is. Roep Hem aan, terwijl Hij nabij is. En weet, gemeente, dat geen ding bij God onmogelijk is!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 138:3

 

Dan zingen zij, in God verblijd,

Aan Hem gewijd,

Van ‘s Heeren wegen;

Want groot is ’s Heeren heerlijkheid,

Zijn Majesteit

Ten top gestegen;

Hij slaat toch, schoon oneindig hoog,

Op hen het oog,

Die need’rig knielen;

Maar ziet van ver met gramschap aan

De ijd’le waan

Der trotse zielen.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 27)