Ds. L. Huisman - Hebreeën 12 : 1 - 2

De loopbaan van het geloof

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie 'Een zaaier ging uit...' (deel 27)

Hebree├źn 12 : 1 - 2

Hebreeën 12
1
Daarom dan ook, alzo wij zo groot een wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen allen last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is;
2
Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke, voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en schande veracht, en is gezeten aan de rechter hand des troons van God.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 46: 1, 2
Lezen : Hebreeën 12
Zingen : Psalm 16: 4, 5, 6
Zingen : Psalm 27: 7
Zingen : Psalm 68: 2

Geliefden, het Woord des Heeren dat ik u in deze dienst wil prediken, is uit Hebreeën 12, het eerste en het tweede vers:

 

Daarom dan ook, alzo wij zo groot een wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen alle last en de zonde die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is; ziende op de overste Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke, voor de vreugde die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en schande veracht en is gezeten aan de rechterhand des troons van God.

 

Geliefden, het gaat dus in deze tekst over: De loopbaan van het geloof. We willen zo, als tot u sprekende, enkele vragen beantwoorden. Wat is die loopbaan? En wie worden bedoeld met die wolk van getuigen? En hoe moet men lopen? En wat is dan de prijs, het loon dat God aan het eind van onze loopbaan heeft beloofd te zullen geven aan allen die in die loopbaan wettig gelopen hebben?

 

Het gaat dus over de loopbaan van het geloof. Dat is niet zo makkelijk, de loopbaan lopen die Hij, de Heere, ons heeft voorgesteld. Daar hebben we lijdzaamheid voor nodig. Die loopbaan van het geloof is niet hetzelfde als wat wij ervan denken, als we nog onbekeerd voortleven.

Toen ik als kleine jongen op de gezelschappen zat waar Gods kinderen spraken over wat God aan hun ziel gedaan had, toen dacht ik altijd: ik begrijp niet dat die mensen nog schreien. Die mensen zijn toch gelukkig? Die mensen zijn bekeerd. Die staan als het ware aan de andere kant van de brug. Die mensen kan toch niks meer gebeuren? Dan dacht ik: als ik bekeerd was, zou ik wel nooit meer huilen en ik zou nooit meer in de put zitten. Als ik toch wist dat ik een kind van God was, wat kon me dan nog deren? Zo denken we dan vaak. Tenminste, zo heb ik gedacht. Misschien u ook wel, vroeger.

We hebben vaak ook allerlei gedachten over de loopbaan als God onze ogen geopend heeft en als we hebben mogen proeven en smaken dat de Heere goed voor ons is. Als de barmhartigheid en de genade van de Heere ons in de schuld gebracht hebben voor Gods heilige wet en we van harte mochten buigen en bekennen dat we Gods gramschap verdiend hadden. Waar de Heere, in plaats van ons van Hem weg te stoten, ons tot Hem trok met de koorden van Zijn liefde. Toen hebben we een gedachte gehad over de loopbaan die we nu voortaan zouden lopen. Toen dachten we dat we van kracht tot kracht en van blijdschap tot blijdschap zouden voortgaan en dat eenmaal de tijd zou aanbreken dat we geen bestrijders meer hadden, maar altijd een getuigenis zouden geven van de Heere en van Zijn genade. Want dat was toch de begeerte van ons hart.

Maar als we dan wat langer op die weg des levens zijn, dan komen we tot de ontdekking dat het niet gegaan is zoals we ons hadden voorgesteld. Daarom begon ik te zeggen: die loopbaan des geloofs is niet zo makkelijk als menigeen wel denkt.

Aan de andere kant, ik wil niemand afschrikken de Heere te vrezen. Hoe zou ik het wagen? Want de dienst van God is, met alles wat er aan is, een liefdedienst. Zelfs de slagen van Jezus zijn nog dierbaarder dan de kussingen van de wereld. Niet dat we dat altijd direct zo zien als we onder het kruis leven, als het donker is. Dan kunnen we ook wel eens op God mopperen.

Maar, ik zeg het met eerbied: dat laat de Heere nog toe ook. De Heere houdt zo oneindig veel van Zijn kinderen, dat ze net als een kind in het natuurlijke wel eens mogen mopperen. De Heere hoort het en de Heere trekt Zijn kinderen naar Zich toe, op Zijn tijd. En dan zegt Hij: ‘Asaf, zeg het nou, heb Ik het dan zo verkeerd gedaan in je leven?’ Dan zegt Hij: ‘Job, spreek nu je hart maar eens uit. Ben Ik dan zó een ontaarde Vader geweest?’ En u weet, dan snikken ze het uit. Dan zeggen ze: ‘Nee Heere, U was niet hard voor me. Nee Heere, U hebt het niet verkeerd gedaan. Maar ik zag het niet meer zitten. Ik zag de weg niet meer. Het kruis was zo zwaar en de nevelen waren zo dik, dat ik Uw aangezicht niet meer zag. En toen raakte ik het pad bijster. Maar nu zie ik het weer, Heere! De voeten van de goddelozen staan op een hellend vlak. Ze storten van de top van eer in eeuwige verwoesting neer. Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te zijn.’ Dan trekt de Heere ons weer naar Zich toe en dan buigt Hij Zich over ons heen. Dan is het goed, alles goed, wat Hij met ons gedaan heeft.

 

Nu, dat gaat hier ook de apostel Paulus leren aan de Hebreeën, hoofdzakelijk christenen uit de Joden. Ze waren tot bekering gekomen. Ze hebben het Evangelie van Gods genade hartelijk omhelsd. Ze waren er zielsgelukkig mee. Maar er staat ergens in Hosea dat de Heere zondaren lokt; en als Hij ze dan gelokt heeft, dan voert Hij ze de woestijn in. Dat is niet hard van God. Dat is geen lust van God, om het slechter te maken dan dat Hij beloofd had. Integendeel! Maar in de woestijn gaat de Heere ons leren wat er in ons hart is.

U moet denken: ons hele leven hier op aarde is één voorbereidingstijd om straks te zingen: ‘Door U, door U alleen, om ‘t eeuwig welbehagen!’ En dat moeten we nu hier op aarde Ieren. Want dat lied zal zó hemels, dat zal zó prachtig zijn. Daar zal geen wanklank meer in gehoord worden. Hier op aarde kleven aan onze beste werken nog zonden, hoe heerlijk het soms ook moge zijn in de gemeenschap met onze God. Altijd zit dat duiveltje maar weer in ons hart, soms een hele grote duivel, van dat eigen ik, van jaloezie, van hoogmoed, van vermenging van vlees en Geest. Maar straks, als we altijd bij de Heere zullen mogen zijn, dan zullen we zevenstemmig dat heerlijke lied zingen: ‘Heere, door U! Gij zijt waardig te ontvangen al de lof, de eer, de aanbidding en de dankzegging!’

 

Paulus zegt: Dat moeten we hier op aarde nu leren. In de vorige hoofdstukken heeft hij aan die Joden aan wie hij deze brief in de eerste plaats geschreven heeft, verzekerd dat die Christus op Wie zij hun vertrouwen gesteld hebben, de Christus der Schriften is. Daar waren ze aan gaan twijfelen. Want dat was wat voor een Jood, Jeruzalem te moeten verlaten! Geen tempel meer, geen priester meer, geen zichtbare plek meer waar je God ontmoeten kon met je offertje, waar de zegenende handen van de Hogepriester niet meer waren. Dat was wat! De Jood, die eeuwenlang verknocht geweest was aan stad en tempel, zwierf nu rond in den vreemde.

Daarbij kwam nog dat de wereld waarin deze christenen terechtkwamen een goddeloze wereld was. We denken nu wel eens dat we in erge tijden leven en ik ben het van harte met u eens. Maar in die dagen was er toch ook wat hoor. Moet u hoofdstuk 1 en hoofdstuk 2 van de brief van Paulus aan de Romeinen maar eens lezen. Ik doe het nu om des tijds wille niet. Mensen, mensen, mensen, dat was toen ook een zwijnenstal! Dat was ook een hel op aarde. En in zo’n wereld leefden de christenen van die dagen.

 

Daar zijn er bij die beginnen te twijfelen. Die zeggen: ‘Hebben we er toch wel goed aan gedaan om christen te worden? Komt het toch wel uit wat de Heere ons beloofd heeft? Want Hij heeft toch gezegd dat Hij terug zal komen? Hij heeft toch gezegd: Uw hart worde niet ontroerd; gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij. In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen; anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden. En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn en u plaats zal bereid hebben, zo kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt waar Ik ben (Joh.14:1-3)?’

Nou, u begrijpt hoe hun ziel daaronder gesteld geweest is. Ze hebben natuurlijk elke dag uitgezien naar de wederkomst van Christus en ze hebben elke dag met Johannes gezegd: ‘Kom toch, Heere Jezus, kom toch haastelijk!’ Vooral toen de vervolging en de verdrukking kwam en de heidenen tegen de christenen begonnen op te staan. Maar Jezus bleef weg. En in plaats van de gouden kroon, in plaats van dat heerlijk paradijs, werd het een woestenij, een weg van strijd, van verachting, van verdriet.

 

En als Paulus dat bemerkt, dat ze gaan twijfelen aan de waarheid van het Woord van God, gaan twijfelen aan de rechtmatigheid van de zaak van Jezus Christus (u kunt het lezen in de voorgaande hoofdstukken), dan schrijft hij een vurig betoog, dat Jezus de Christus is, de Profeet, de Priester, de Koning, van God gegeven. De enige Hogepriester, naar de ordening van Melchizédek.

En dan zegt hij in het elfde hoofdstuk: Wij moeten leren leven door het gelóóf. Want, zegt hij, zo hebben ook onze vaderen geleefd. Dan zegt hij: Kijk nu eens naar Abraham en naar Izak en naar Jakob en naar David en Simson en Jeftha en Salomo. Al deze mannen, deze godvrezende mannen, deze gelovigen, hebben die het zo makkelijk gehad? Hebben die geen strijd gekend? Hebben die een hemel op aarde gehad?

Kijk eens naar Abraham. Hij had een grafspelonk. Dat was het enige wat hij had. Voor duur geld gekocht. En de Heere had hem heel Kanaän beloofd! Hij had één zoon der belofte, zegge en schrijve één! En God had gezegd: ‘Abram, kijk eens naar de sterren!’ En die sterren aan de oosterse hemel, die zijn duizendmaal meer en beter te zien dan hier boven Nederland. Als ik daar ‘s avonds nog eens naar die sterrenlucht, die heldere sterrenlucht kijk in Afrika, dan zie ik honderdduizend maal meer sterren dan hier in Nederland. Zo was het ook in de dagen van Abram, daar in Palestina. De Heere zegt: ‘Kijk eens naar die sterren!’ ‘Ja’, zegt Abram, ‘ik zie ze.’ De Heere zegt: ‘Zo zal uw zaad zijn!’ Nou, één zoon! Eén zoon der belofte. Hij had nog wel andere kinderen, maar dat waren kinderen van de dienstmaagd. Maar hij had één zoon der belofte. Nou, wat is er van terechtgekomen?

En toch, Abram heeft niet getwijfeld door ongeloof. Hij is niet van God afgevallen. Maar hij heeft vastgehouden, ziende de Onzienlijke, dat God getrouw was. Hij heeft geloofd dat zijn geslacht een menigte zou worden als het zand aan de zee. Hij geloofde God. En God heeft hem dat tot rechtvaardigheid gerekend, zegt Paulus.

Zo kan ik natuurlijk doorgaan. Moet ik spreken over Jakob? Moet ik spreken over Simson? Moet ik spreken over Jeftha? Moet ik spreken over al de profeten? Moet ik spreken over David en Salomo? David nota bene, gezalfd van God. En wat gebeurt er? Komt hij op de troon? Hij gaat de woestijn in! Daar wordt hij gejaagd, hij zegt het zelf, als een enige vlo. Hij wordt weggesmeten als een dode hond, als een veldhoen op de bergen. Je zou toch zeggen dat God daar buiten was? Als je op de omstandigheden ziet, moet je toch zeggen: ‘Er komt niks van terecht’?

 

Geliefden, het gaat met de Kerk van Christus altijd langs het randje af. Want er zal er Eén groot zijn, als wij straks in de hemel zijn. En dat zal God alleen zijn. Wíj zullen geen roem wegdragen. Hij alleen zal de eer van onze verlossing hebben. Hij alleen! En dat werkt Hij hier op de aarde uit.

 

En als de apostel Paulus dit dan gezegd heeft in het elfde hoofdstuk en als het ware die wolk van getuigen heeft voorgesteld, dan zegt hij hier in ons tekstvers: Daarom dan ook, alzo wij zo groot een wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen alle last en de zonde die ons lichtelijk omringt. En laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan die ons voorgesteld is.

Hij zegt dat de weg die wij gaan, een loopbaan is. De apostel Paulus gebruikt hier een beeld uit de Griekse wereld. Die wereld, die beschaafde wereld, met al zijn zonde en met al zijn verdorvenheden, kende de Olympische Spelen. Om de vijf jaar werden ook in Paulus’ dagen de Olympische Spelen gehouden. Daarbij waren twee spelen wel de hoofdspelen. Dat was het worstelen, het vechten met elkaar, met zwaarden. En het andere spel, waar duizenden en duizenden naar kwamen kijken, was het lopen, het hardlopen in de loopbaan. Nu, dat beeld gebruikt Paulus hier nu om aan de mensen, de christenen van zijn dagen en ook aan ons, op wie de einden der eeuwen gekomen zijn, voor te stellen wat God van ons wil.

 

Hij stelt zo’n loopbaan voor en hij zegt daarvan: De loopbaan die ons voorgesteld is. Dat is de weg die God met ons gaat. Dat is de loopbaan. Dat is de weg van Gods beloften en van Gods geboden. Die twee vormen de twee kanten van het juk van Christus. Neem Mijn juk op u (Matth.11:29). U weet natuurlijk wat een juk is, zeker de ouderen. Een juk met aan de ene kant de geboden en aan de andere kant de beloften. De beloften hebben geen kracht als we de geboden niet zien. De geboden hebben geen zin en kunnen nooit door ons volbracht worden uit dankbaarheid, als we het niet doen vanuit de beloften. Een prediking die alleen maar een belofteprediking is, zonder dat de geboden Gods worden voorgesteld, is een troosteloos Evangelie. Maar aan de andere kant, als men alles aan één kant hangt en alleen maar preekt over het recht, over de wet, dan leidt dat tot een moedeloze massa. Want hoe zullen we Gods geboden volbrengen dan alleen uit genade, uit dankbaarheid, puttend uit de beloften en steunen op de beloften?

Nu, dat is de loopbaan die ons voorgesteld is. Zo leidt God ons leven. Ja, daar staat: die loopbaan is ons voorgesteld. Zoals in het natuurlijke een loper niet zijn eigen loopbaan mocht uitzetten. Stel je voor! Die loopbaan werd door de scheidsrechter, door de commissaris van de baan, uitgezet. Die bepaalde het begin en die bepaalde het eind. Welnu, ook ons lopen in de loopbaan is maar niet een moedeloos voortzeulen met ons kruis door de woestijn van deze wereld. Als we zó lopen, dan lopen we niet de loopbaan ons voorgesteld. Maar die loopbaan, het leven dat wij te leven hebben, die loopbaan die we te gaan hebben, die is ons voorgesteld. Dat wil zeggen: God bepaalt die loopbaan.

 

U weet dat er eens een vriend bij Luther kwam. Hij klaagde over het zware kruis dat hij moest dragen. Toen zei Luther: ‘Vriend, jij hebt altijd verkeerd gebeden. Tot hiertoe heb jij gebeden: Heere, Uw wil geschiede. Je moet het veranderen. Je moet gaan bidden: Heere, mijn wil geschiede!’ Ja, dat vond hij natuurlijk toch ook wel vreemd. Maar toen kwam hij erachter wat Luther daarmee bedoelde. Hij zei: ‘Ja, dat is waar. Ik ben het met God niet eens. Ik ben het niet met de loopbaan eens. Ik geloof niet meer dat God het goed doet in ons leven.’

Hoe komt dat? Wel, wij willen ons geloof zo graag laten rusten op de omstandigheden. Dat betekent: wij proberen profijt te trekken uit voorspoed. En dan zeggen we: ‘Ja, je kunt wel zien dat God aan mijn kant staat. Want gelukkig, mijn gebed is uitgekomen. De Heere heeft het verhoord. Het is allemaal goed gegaan.’ Ja, maar waar heeft God dat beloofd, dat het in ons leven altijd goed zal gaan, in de zin van ‘voorspoedig’? Dat staat nergens in de Bijbel. Nergens! Het is een kwalijke zaak, wanneer we ons geloof willen laten rusten op de omstandigheden. We moeten leren leven uit Gods hart, uit het Woord van God.

De omstandigheden waarin wij leven kunnen zo donker zijn. Diezelfde Luther heeft gezegd: we moeten achter een toornig gelaat een vriendelijk hart zien te ontdekken. We moeten Gods beleid niet aflezen uit Zijn hand, maar uit Zijn hart! Begrijpt u wat ik bedoel? Als je zo in de wereld kijkt, ook in de wereld van de Bijbel, dan zit Israël in het slavenhuis en dan is Egypte de baas. Dan zeg je: ‘Egypte is het volk van God en Israël is het verloren volk, niet het verkoren volk.’ Maar we weten beter! God is met dat volk in ballingschap gegaan. Net zoals later in de dagen van de koning van Babel. Israël treurt, de harpen zijn aan de wilgen gehangen. Ze kunnen geen versje meer zingen vanwege de ellende. En Babel is groot, heerst over de koninkrijken van de wereld. Dan zou je toch zeggen: ‘Babel is de gezegende en Israël de verdoemde!’ Maar de Ruiter op het rode paard staat tussen het mirtenbosje daar in Babel. Dat wil zeggen: Jezus Christus, de Zoon van God, blijft in het midden van Zijn volk, ook daar in Babel.

 

En geliefden, dat moeten we gaan ontdekken. Dat leert de Heere ons hier. Die loopbaan is door Hem bepaald. Het begin, de breedte, de vlakte of de onbegaanbaarheid. Het is alles door Hem bepaald. Ook het einde is door Hem bepaald.

 

En dan staat er: Laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan die ons voorgesteld is. Lijdzaamheid, dat is natuurlijk het tegenovergestelde van lijdelijkheid. Lijdelijkheid is: ‘Ach ja, ik heb er aan gedaan wat ik er aan doen kon. En nou ja, een mens kan er ook niks aan veranderen. Verder moeten we het maar zien. Het wordt je tenslotte niet door mensen aangedaan.’ Dat is lijdelijkheid. Dat is ongeloof.

Maar lijdzaamheid is heel wat anders. Precies het tegenovergestelde! Lijdzaamheid is een gestalte van je ziel. Dat is een toestand waarin je hart verkeert, wanneer je op Gods barmhartigheid mag zien. Ik wil het nog stipter uitdrukken: wanneer je iets in je leven mag zien van die overste Leidsman en die Voleinder van het geloof. Ik wil het nog nauwkeuriger zeggen: wanneer je iets mag zien van die Loper Die uw en mijn loopbaan eerst gelopen heeft, Jezus Christus. En als je dan ziet wat Hem in die loopbaan overkomen is, ach, dan wordt de loop achter Hem licht.

In de gemeenschap met die lijdende en stervende Borg, in de gemeenschap met de Heere Jezus Christus, wordt ons hart lijdzaam. Dan gaan we op Jezus gelijken, Die als Hij gescholden werd, niet wederschold en als Hem leed gedaan werd, niet dreigde. Dan krijgt Christus, naar het woord van Paulus, een gestalte in ons. Dan kunnen de mensen in ons iets zien van Christus. Ja, want de mensen kijken nauw, hoor! De onbekeerde, ongelovige, wereldse mensen, die kijken nauw. Je kunt nog zo veel praatjes ophangen als je wilt, maar als je een goddeloos leven leidt, dan zeggen ze: ‘Hij kan praten wat hij wil, ik geloof er niks van!’ Maar als ze in je leven zien: die man, die vrouw, dat kind, lijkt op Christus, dan zul je door je leven het ongeloof veroordelen. Dan moeten ze tegen wil en dank zeggen: ‘Ja, het is toch een ander mens als wij. Hij heeft toch iets wat wij niet kunnen begrijpen. Hij heeft houvast aan God, Die wij niet kennen.’ Dat is ‘met lijdzaamheid lopen’.

 

En dan zegt Paulus nog meer. Dan zegt hij: Laat ons afleggen alle last en de zonde. Hij maakt dus onderscheid tussen ‘alle last’ en ‘de zonde’. Dus ‘alle last’ is iets anders dan ‘de zonde’. Anders had hij het alles wel onder één noemer gezet. Maar hij maakt onderscheid. Hij zegt: Laat ons afleggen alle last én de zonde. Dat houdt dus in dat die last die we moeten afleggen, op zichzelf genomen geen zonde behoeft te zijn.

 

Ik denk bijvoorbeeld aan die gelijkenis van de Heere Jezus, waarin Hij spreekt over de nodiging tot de bruiloft. Dan zijn er die vijf juk ossen hebben gekocht; op zichzelf natuurlijk helemaal niet zondig. Een akker gekocht; op zichzelf helemaal niet kwaad. Een vrouw getrouwd; op zichzelf zeer Bijbels. Maar toch, het belette deze mensen op tijd in de bruiloftszaal te zijn.

Zo zijn er ook in ons leven eindeloos veel dingen die op zichzelf niet zondig zijn, maar die zondig wórden of tót zonde worden wanneer wij ze hebben in de plaats van God. Ik kan niet zeggen wat dat bij u is. Bij de één is het zijn huis en zijn tuintje, bij de ander is het zijn vrouw en zijn kinderen, bij de derde is het zijn dikke bankrekening, bij de vierde zijn goed florerende zaak. Die akker, die ossen, die getrouwde vrouw, die komen in allerlei vormen voor.

U moet zelf maar onderzoeken hoe dat bij u is, want u kunt het weten. Er staat op een andere plaats in de Bijbel: Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn (Matth.6:21). Als u ‘s morgens wakker wordt, waar denkt u dan aan? En als u naar uw werk gaat, waar denkt u dan aan? En als u thuiskomt, waar denkt u dan aan? En als u op bed ligt, waar denkt u dan aan? Waar uw schat is, daar zal uw hart zijn. Dan moet u zelf maar onderzoeken wat u in de plaats van God de hoogste plaats in uw leven gegeven hebt. En als het dan zo is dat datgene waar u mee bezig bent, waar u aan denkt, uw leven in bezit neemt, dan zegt Paulus: ‘Leg af die last!’

En dan moeten we maar niet denken aan hele grote, verschrikkelijk moeilijke dingen. Dan moeten we maar denken aan hele gewone, eenvoudige, dagelijkse, huiselijke dingen. Ik denk aan een vrouw die de hele dag bezig is met stof afnemen, met wassen, met poetsen en boenen, met kleren verzorgen. Allemaal dingen die nodig zijn. Maar het kan je zo in beslag nemen, dat je zondags met een zucht in de kerkbank neervalt en zegt: ‘Nu ben ik te moe om te luisteren!’

Ik heb eens van een Duitse professor gelezen, die zegt: ‘Eén van de oorzaken waarom het Woord van God zo weinig doet in het hart van een mens, is omdat hij zondags lichamelijk afgesloofd is, wanneer hij zich neerzet onder het Woord van God.’ Ik weet niet of dat altijd ten volle opgaat, maar ik vrees dat het bij velen zo is. Ik vrees dat er velen zijn die tot op de late zaterdagavond bezig zijn met slaven en draven. Ik wil u toch zeggen: ik zou m’n arme ziel niet verknoeien met al deze dingen.

 

Ik weet wel wat u tegen gaat spreken. U gaat zeggen dat het allemaal zo nodig is en u gaat zeggen dat u geen hulp hebt en u gaat zeggen: ‘Je moet zelf maar eens een gezin hebben met vijf, zes, zeven of acht kinderen.’ Dat weet ik allemaal wel. Maar toch zeg ik: u hebt een onsterfelijke ziel van God gekregen! En als u straks in het gericht zult staan – en u zúlt met God in gericht staan – dan zal het geen excuus zijn als u zegt: ‘Ja, ik had ook zo een groot huis en ik had geen dienstbode en ik had zoveel kinderen en er was zoveel te doen in het leven.’ Dan zal de Heere zeggen: ‘Ik heb tot u gesproken: Zoek eerst het Koninkrijk Gods. Maar u hebt geweigerd naar Mijn stem te horen.’

Dat geldt natuurlijk ook voor de jongens en voor de meisjes. Daar is veel te leren. Daar móet veel geleerd worden om een plaats in deze maatschappij te kunnen innemen. Maar ik zou er tóch voor bedanken. Ik werd liever – en dan gebruik ik een ouderwets woord – ik werd liever een godvrezende putjesschepper dan een professor in de weet-ik-wat-kunde, zonder God. En daarmee zeg ik niks ten nadele van je studie. Ik zeg met alle nadruk: studeer ijverig, gebruik de tijd die God je gegeven heeft. Want ook die gaven heeft God je gegeven. Maar laat het niet in de plaats komen van de vreze Gods. Laat het niet in de plaats komen van het zoeken naar de Heere, terwijl je nog jong bent. Nee, je zult het er in dit leven niet minder om hebben, als je je tijd besteedt om God te zoeken.

 

En nu eerlijk. U bent allemaal overtuigd dat u bekeerd moet worden. U bent er allemaal van overtuigd dat dat het noodzakelijkste is. Maar ga de tijd van uw leven eens eerlijk na. Hoeveel tijd besteedt u om het heil van uw arme ziel bij God te zoeken? Geef zelf het antwoord maar. Afleggen alle last.

Mannen en vaders, het geldt ook voor ons. Druk werk misschien, verantwoordelijk werk, goede zaak, een drukke zaak, best. Maar ik zou toch mijn arme ziel niet willen opofferen aan de geldgod, aan deze wereld. Ik ging toch liever een beetje armer door dit leven. Ach, wie is er nog arm? We zijn allemaal rijk. Ik nam er tóch tijd af. Ik dééd het. Ik zei: ‘Heere, ik zal mijn arme ziel niet laten wegslepen door de god van het geld, door de god van de eer, door de god van deze wereld. Ik zal de ware God, de levende God, eerst zoeken.’ Afleggen alle last!

En dan komt het andere: En de zonde die ons lichtelijk omringt. Eigenlijk staat er in de grondtekst: die ons als een kleed omringt. U weet, als je in de loopbaan moet lopen, dan kun je natuurlijk niet dat lange oosterse kleed dragen. Dan deden ze hun mantel af en ze liepen in hun onderkleren. Nu zegt de apostel: de zonden zijn als een lang kleed. Als je de loopbaan wilt lopen en je houdt aan de zonde vast, dan zul je zeker struikelen.

Ja, geliefden, als je de zonde doet, dan ben je een dienstknecht van de zonde, staat er in de Bijbel. De zonden zijn als een lang kleed; je valt er telkens over. Ga je eigen hart maar na. Als je overdag aan de zonde vastgehouden hebt, aan welke zonde dat dan ook is, en je wilt ‘s avonds je knieën buigen, dan gaat het niet, hoor! Je kunt niet met een hart vol zonde ootmoedig voor Gods aangezicht verschijnen. Dan gaat het niet. Dan heb je geen toegang tot God.

Als je de geboden van de Heere wilt doen, als je in het spoor van Zijn geboden wilt wandelen, als je Hem uit liefde wilt volgen, en je houdt aan de andere kant de zonde vast, dan struikel je. Dan struikel je elke keer.

 

O, de zonden zijn een vreselijke last! De zonden trekken onze ziel naar beneden. De zonden vermoorden ons gebedsleven. De zonden verstoren onze gemeenschap met God. De zonden zetten de duivel weer op de troon in ons leven. Want als je de zonde doet, ik zeg het nog eens, dan ben je een dienstknecht van de zonde. Dan word je gedreven door de zonde.

Er zijn trappen in de zonde. Een dienstknecht, een slaaf, en eindelijk, als God het niet verhoedt, een slachtoffer. En daarom zegt de apostel: ‘Laat ons afleggen alle last en de zonde die ons als een kleed omringt, die zo licht om ons heen zijn, zoals een kleed, waardoor we belemmerd worden voort te gaan in die loop des geloofs.’

 

Daarom dan ook, alzo wij zo groot een wolk der getuigen rondom ons hebben liggen. In die loopbaan word je omringd door een wolk van getuigen. Die wolk van getuigen waar ik in het begin van sprak: Abraham, Izak, Jakob, David, Salomo en al deze getuigen, zij staan als het ware rondom het veld waar de loopbaan is. Ze zitten op de tribune en ze kijken naar ons, zoals op een sportveld. Daar zitten de supporters. En ze schreeuwen en ze roepen en ze bewegen de spelers vol te houden tot het einde toe.

Dat beeld gebruikt Paulus. Hij zegt: zo staan nu ook de heiligen van het begin der wereld aan en ze kijken van boven op u neer. En ze zeggen tegen u: ‘Houd aan, grijp moed! Ook wij waren in het strijdperk. Ook wij hebben als vreemdelingen gewandeld. Ook wij hebben gehoopt op de verlossing die aan het einde van onze baan zou zijn.’

Zo roept Abraham u toe: ‘Ik heb het beloofde land niet gekregen, maar ik heb geloofd dat God het mijn zaad zou geven, want Hij heeft het gezegd.’ Zo roept Jakob u stervende toe: ‘Juda, gij zijt het! U zullen uw broeders loven. Uit u zal de Christus geboren worden.’ En de Christus was nog niet geboren. Zo roept Simson u toe, als hij de pilaren van dat machtige huis in elkaar trekt, zodat de hele meute van heidenen dood in de afgrond stort. Ze roepen het u toe: ‘Houd aan, grijp moed, uw hart zal vrolijk leven!’

 

Dat is die wolk van getuigen. Ja, geliefden, daarom moeten we zo dikwijls in de Bijbel lezen. Dat Boek is de brief van God aan ons geschreven. Als we moedeloos zijn, als we zo ellendig en eenzaam zijn, als we in verdrukking en ellende zijn, als de zonde ons benauwt, als de satan onze vingers blauw slaat, als we niet meer durven uitgaan om op de Heere te hopen, dan moeten we in dat Woord lezen. Dan gaat de Geest getuigen met onze geest, dat wij kinderen van God zijn. Dan zien we dat die getuigen dezelfde strijd gestreden hebben, door hetzelfde geloof, met dezelfde hoop en met dezelfde volharding.

Dat mag toch wel eens gebeuren? Soms onverwachts, zo lezende in de Bijbel of zittende onder de preek, dat u zegt: ‘Ja Heere, ja Heere, dat is toch ook mijn leven. Zo gaat het ook in mijn hart, dat getuigen van de Geest.’ O, dat maakt ons sterk. Dat doet ons op God vertrouwen, als je je naam in het Woord van God mag lezen en als je zien mag dat de gelovigen van het Oude Testament door hetzelfde geloof staande gebleven zijn en hun loopbaan hebben gelopen.

 

En dan zegt hij in het tweede vers dat we die loopbaan moeten lopen, ziende op de overste Leidsman en Voleinder des geloofs. We moeten niet kijken naar die getuigen. Dan struikelen we. Maar we moeten zien op de overste Leidsman.

Die getuigen, die kijken op óns. U weet wel, als op het sportveld de voetballer steeds naar de supporters kijkt, dan gaat het natuurlijk verkeerd met het spel. Maar die supporters kijken wel naar de voetballer. Ze juichen hem toe en ze zeggen: ‘Houd vol!’

Zo is het nu ook met die wolk van getuigen, met die gelovigen. Wij moeten niet naar die gelovigen kijken, want ik ben Abraham niet en ik ben Jakob niet. En als ik me ga meten aan David en als ik me ga meten aan Paulus, dan blijf ik nergens. Ik ben ik. Ik heb mijn naam van God gekregen, een nieuwe naam, die niemand kent dan die hem ontvangt. Dat is die nieuwe naam die God elke gelovige gegeven heeft.

Ik weet alleen wie ik ben voor Gods aangezicht. Ik weet hoe zondig ik ben. Dat weet geen mens. Dat vertel ik tegen niemand, alleen tegen mijn God. Maar niemand weet ook hoe lief ik de Heere heb. Dat weet niemand. Dat kan ik niet vertellen. Al zou ik van hier tot aan mijn sterfdag vertellen hoe lief ik God heb, dan kan ik het u nog niet zeggen. Die nieuwe naam weet ik alleen. Zo is het ook met u. Wij zijn die we zijn, door God gemaakt.

Dan kan ik daarmee niet terecht bij Abraham, want ik heb een heel andere weg als Abraham. En dan kan ik niet terecht bij Petrus en bij Paulus, want dat zijn allemaal mensen die een heel andere weg hebben als ik.

U weet wel, er zijn mensen die heel graag allerlei bekeringsgeschiedenissen lezen. Daar zeg ik op zichzelf geen kwaad van. Maar je moet het toch maar niet te veel doen. U kunt beter een mooie, goede preek lezen. Daar hebt u meer aan. Maar goed, als u dat dan toch eens wilt doen, dan zult u wel tot de ontdekking komen dat u toch op punten komt dat u zegt: ‘Nee, daar ging het in mijn leven toch allemaal anders. Nee, dat begrijp ik niet. Nee, zo is het niet bij mij gegaan.’ Dat hoeft ook niet. Want u hoeft niet op Abraham, Izak en Jakob enzovoorts te kijken, maar u moet zien op de overste Leidsman en op de Voleinder van het geloof, Jezus!

 

Daar wil ik een paar woorden van zeggen, nadat we gezongen hebben uit Psalm 27, het zevende vers:

 

Zo ik niet had geloofd dat in dit leven

Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou,

Mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed gebleven?

Ik was vergaan in al mijn smart en rouw.

Wacht op de Heer’, godvruchte schaar, houd moed!

Hij is getrouw, de Bron van alle goed.

Zo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer.

Wacht dan, ja, wacht, verlaat op de Heer’.

 

Ziende op de overste Leidsman. Dat is Christus. Hij wordt hier genoemd met de Naam van Jezus. Hij is de overste Leidsman des geloofs. Kijk, wat nu in zo’n natuurlijke loopbaan niet kan en niet mag, dat de loper geholpen wordt door iemand van buitenaf – dat kan natuurlijk niet, je moet zelf lopen – zo is het niet in de loopbaan des geloofs. De loopbaan des geloofs hoeven we gelukkig niet alleen te lopen. We zouden het ook niet kunnen. De lopers in de loopbaan des geloofs worden gesterkt door de handen van de Machtige Jakobs. Ze hebben een Leidsman. Niet alleen iemand die zegt: ‘Zó moet je het doen!’, maar Iemand Die zegt: ‘Geef Mij de hand; we zullen het samen doen.’ Nee, ik zeg het nog niet goed. Het is Iemand Die zegt: ‘Ik heb het u voorgedaan.’ Ik zeg het nóg niet helemaal volledig. Het is Iemand Die zegt: ‘Ik heb het voor u gedaan.’

 

Ziende op de overste Leidsman en Voleinder van het geloof. Als je in een aardse loopbaan gaat lopen, ben je natuurlijk nooit zeker of je wel een prijs zult halen, of je wel de eerste prijs zult halen. Maar die hun voeten in deze loopbaan gezet hebben, die krijgen allemaal de prijs, de eerste prijs, de grote prijs. Die zijn allemaal erfgenamen geworden van God en mede-erfgenamen van Jezus Christus.

Ziende op de overste Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus. Hoe? Wel, die gestorven Jezus, die versmade, gekruiste, smartendragende Jezus. Die vernederde Jezus, die gestriemde Jezus, die vervolgde, die van God verlaten Jezus. Ziende op Jezus!

 

Dewelke voor de vreugde die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en de schande veracht. Hier wordt Hij getekend in Zijn lopen in de loopbaan, als die vernederde Borg en Middelaar. O geliefden, wat moet ik hier nu van zeggen? Dat is die Zoon van God, Die rijk was en Die Zich in de gestalte van een dienstknecht vernederd heeft. In de brief aan de Filippenzen staat: ‘Die Zich vernietigd heeft tot de dood, ja, tot de dood des kruises.’ Hij, Die de loopbaan gelopen heeft als een lam dat ter slachting geleid werd en als een schaap dat stemmeloos was voor dien die het geschoren heeft, Die Zijn mond niet heeft opengedaan, Die Zijn aangezicht stelde als een keisteen en Die zei: Ik ben niet wederspannig, Ik wijk niet achterwaarts (Jes.50:5).

Daar moeten we op letten, in ons kruis, onder de druk van het kruis, bij het gevoel van verlatenheid, bij de innerlijke beleving van onze ellendigheid, als we onder het rechterlijke oordeel van God omdat we Zijn wetten overtreden, altijd weer opnieuw, gebukt gaan en tot God niet kunnen komen en geen moed meer hebben om nog één stap in die loopbaan voort te zetten. ‘Neem mijn ziel maar weg’, zo zegt de profeet Elia, ‘want ik ben niet beter dan mijn vaderen.’ Met andere woorden: ‘Ik kan het niet meer aan! Ik zie toch geen heil in mijn arbeid. Izébel op de troon, zij zoekt mijn ziel. Neem mijn ziel maar weg.’ Maar dan komt Hij, die overste Leidsman en die Voleinder des geloofs. En wat doet Hij? Trekt Hij Elia bij zijn kraag overeind en schopt Hij hem voorwaarts door de woestijn? Dat is God niet. Zo doet God nooit. Hij zegt: ‘Elia, eet een weinig; hier is brood en hier is drinken; want de weg zou voor u teveel zijn.’ Dat is onze God! Dat is de God van de Bijbel. Dat is de Vader van onze Heere Jezus Christus. Dat is de Herder van Zijn schapen.

O, u moet me goed begrijpen. Louter goedheid, liefdekoorden, waarheid, zijn des Heeren paan. Ik heb nog nóóit een hard woord van Christus gehad. Nog nooit! Als ik slagen verdiend had, gaf Hij me zegeningen. Als ik dacht dat Hij me voor eeuwig van Zich zou verstoten, bezocht Hij me met Zijn vriendelijke troost. Als ik met Maria Magdalena weende tegen de koude rotswand, zeggende: ‘Ze hebben mijn Heere weggenomen’, dan riep Hij me bij de naam, en ik spreek voor u, kinderen Gods, en dan zei Hij: ‘Maria!’ Dan openbaarde Hij Zichzelf aan u. Ook als Petrus ligt te snikken omdat het nu nooit meer goed kan komen.

 

We hebben allemaal wel van die zonden in ons leven, waar we van tijd tot tijd van zeggen: ‘Heere, nu kan het nooit meer goed komen. Nu heb ik niet alleen tegen Uw wet, maar nu heb ik ook tegen Uw liefde gezondigd.’ En dat zondigen tegen Gods liefde geeft nog veel meer smart dan het zondigen tegen de wet. Wat geeft dat een smart, als je tegen de liefde van God zondigt, tegen Zijn genade, tegen de openbaring van Zijn liefde en van Zijn trouw.

Dan zijn er van die zonden in ons leven waar we van zeggen: ‘O God, daar kom ik nu nooit overheen.’ En daar kunt u ook nooit meer overheen komen. En zie, als we dan menen dat Hij ons prijs gegeven heeft en als we ermee instemmen dat Hij rechtvaardig is wanneer Hij nooit meer naar ons omziet, dan zijn daar weer die sterke handen van Hem Die gezegd heeft: ‘Ik ben de Alpha en de Omega; de Eerste en de Laatste. En Ik draag de sleutels van de hel en van de dood.’

 

O, wat een wonder, geliefden! Wat een trouwe God! Wat een liefde! Wat een eeuwige verwondering is het, als Hij altijd weer op Zijn eigen werk terugkomt. We hebben het mogen ervaren, altijd weer opnieuw, dat bij Hem milde handen en vriendelijke ogen zijn. Dan mogen we met de last van onze zonden zien op Hem, Die als de overste Leidsman en de Voleinder van het geloof voorgegaan is, Zijn kruis dragend, om de vreugde Hem voorgesteld.

 

Wat is die vreugde Hem voorgesteld? Wel, dat bent u, kinderen van God. De allerkleinste, de allerschurftigste, de allermagerste, die hoort erbij, bij die kudde, bij die kudde van de Heere. O, ik denk wel eens dat God nooit enig ogenblik vreugde van me beleven kan. Maar Hij zegt het, dat ik toch Zijn vreugde ben.

Om de vreugde Hem voorgesteld… Dat was een zwarte bruid te kunnen opvoeren naar het hemelhof en ze de Vader voor te stellen als een reine maagd, alsof er nooit zonde gekend noch gedaan was.

Om de vreugde Hem voorgesteld het kruis heeft verdragen… Dat is méér dan dragen. Verdragen, dat wil zeggen: zonder tegenspreken dragen. Maar nog meer, dat wil zeggen: gewillig dragen. ‘Ik draag Uw heilige wet, die Gij de sterveling zet, in ‘t binnenste ingewand.’

En schande veracht. Dat wil zeggen: toen Christus de loopbaan liep, toen heeft Hij gedaan alsof dat speeksel, alsof de smaad en de smart Hem aangedaan, voor Hem geen schande was. Hij heeft de schande veracht. En wat een schande moet het voor Hem geweest zijn! Want naarmate onze ziel hoger gestemd is, naarmate we meer ontwikkeld zijn en naarmate onze ziel teerder gesteld is, is ook het aandoen van smaad des te pijnlijker. De ziel van Jezus was een edele ziel, onbesmet van de zonde. Wat moet dan de smaad Hem aangedaan, voor Hem geweest zijn. En het was toch door ónze zonde, het was toch door ónze ontrouw, het waren toch ónze overtredingen. Wij hebben Hem toch Zijn kroon gevlochten en wij hebben Hem toch Zijn beker gevuld?

Maar Hij heeft net gedaan alsof het geen schande was. Calvijn zegt: ‘Jezus wil wel voor een zondaar worden aangezien door in het huis van zondaren binnen te gaan.’ Ja, de farizeeën hebben Hem gescholden en gezegd: ‘Hij is een vraat en een wijnzuiper, een vriend van tollenaren en van zondaren!’ Maar Hij heeft die schande veracht. Waarom? Hij had het loon voor ogen, wat de Vader Hem voorgesteld had: de heidenen tot Zijn erfdeel en de einden der aarde tot Zijn bezitting.

 

Maar nu is Hij gezeten aan de rechterhand van de troon van God. En eeuwig bloeit de gloriekroon op ‘t hoofd van Davids grote Zoon! We gunnen Hem de eer. O, we gunnen Hem de eer, dat Hij, nadat Hij vernederd is en nadat Hij gestorven is, nu de plaats der glorie ontvangen heeft aan de rechterhand van de Vader. En we buigen ons in aanbidding met al de heilige engelen voor Zijn troon en we begeren dat de ganse aarde bekenne dat Hij God is, dat er geen onbekeerd mens meer in de wereld zal zijn.

En daarom nodigen wij u in de Naam van God die loopbaan te lopen. Opdat de glorie zij voor Jezus en de eer en de heerlijkheid voor die God Die alzo lief de wereld gehad heeft, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.

 

Geliefde hoorders, loopt u al in die loopbaan? Het baat niets als u nog maar een meeloper bent. U moet in die loopbaan lopen. Het juk van geboden en beloften, dat moet uw juk geworden zijn. Het juk van Jezus, wat u gewillig op u genomen hebt, toen u in Zijn dienst gekomen bent.

Kom, bent u van koning veranderd? Wie bent u en wie dient u? Zo de Heere uw God is, dient Hem! Zo Baäl uw god is, zo de wereld uw god is, hink dan niet langer op twee gedachten. U kunt geen twee heren dienen. U moet tot een besliste keus komen.

Wel, ik raad, ik bid u, ik dwing u, dat u op deze dag tot die keus komt. Dat u dit Godshuis niet uitgaat met dezelfde gedachten als waarmee u binnengekomen bent. Maar dat vóór straks de deuren van dit kerkgebouw sluiten, u uw hart aan God gegeven hebt, met de waarachtige drang die het Evangelie op u uitoefent. Dat u zegt: ‘Heere, zo kan het niet langer. Als U dan zó een God bent, als U dan mijn ondergang niet zoekt, als U het dan niet toegelegd hebt op mijn eeuwige straf, zal ik dan nog langer het slijk van de straten verkiezen in plaats van de sneeuw van de Libanon? En als U nu zulk een kruis getorst hebt, o dierbare Heere Jezus, en U hebt in Uw loopbaan het kruis verdragen en de schande veracht, om mijn ziel te redden van het eeuwig verderf, zal ik dan nog langer de wil der heidenen volbrengen?’

O kóm dan, bid ik u! Kniel dan voor het aangezicht van God. Leg Hem al uw zonde bloot. Strijd tegen uw zonde. Want pas als je gaat strijden tegen de zonde, dan zul je merken hoe sterk de kracht van de zonde is en hoe hels de duivel is. Maar dan hebt u een Vriend in God. Want als u dan al strijdende tegen de zonde, lopende in de loopbaan, geen adem meer overhoudt, als uw krachten tekortschieten, als u zegt: ‘Heere, ik kom er nooit! Ik kom er nooit! O Heere, help!’, dan is er een overste Leidsman en een Voleinder van het geloof.

O, zult u niet langer onbekeerd blijven? Zult u niet langer God blijven verdenken in Zijn trouw en in Zijn genade?

 

En u die door de genade des Heeren op die loopbaan loopt, weet, dat die loopbaan u brengt in de gemeenschap met die God Die u liefgehad heeft.

En u die zich wendde tot de Heere met smeking en met geween, die hier onder een last van zonde en plagen aan het zoeken bent, die de Heere zoekt in al uw zielsverdriet, wel, ik zeg u in Zijn Naam: Houd aan, grijp moed, want uw hart zal vrolijk leven! Hebt u nooit enige blijdschap ondervonden wanneer u hoorde van de goedertierenheden Gods? Hebben de barmhartigheden des Heeren uw hart nooit verbroken? En bent u Zijn gewillige dienaar geworden, toen u opmerkte dat Hij uw ondergang niet zoekt?

Welnu, de kern van de zaak, de bodem van de zaligheid, ligt niet in hetgeen u daarvan ervaart. Die ligt ook niet in uw tranen. Die ligt ook niet in de verbrokenheid van uw hart. Maar de kern van de zaak waar het om gaat, uw gerechtigheid voor God, dat zijn de tranen van Jezus! Dat is het kruis van Christus. Dat is het bloed van Christus.

Kom dan, als uw hart begint te breken, met uw gebroken hart naar de gebroken Man van smarten. En zie op tot Hem, Die als de Middelaar Gods hing aan het schandhout, maar Die nu verhoogd is als diezelfde medelijdende Hogepriester en Die u ten goede daar is, om voor u te bidden. Die meerdere Boaz, Hij zal niet rusten totdat Hij uw ganse zaak voleindigd zal hebben. Hij heeft in de poort met de oudsten gesproken. Daar is het recht vervuld. Daar is Gods toorn in Hem geblust. Nu blijft niets anders voor u over, dan het Vaderlijk welbehagen. Kom en aanschouw de daden des Heeren! Laat u wassen in Zijn bloed van al uw onreinheden. En:

 

Die hoop moet al uw leed verzachten.

Kom, reisgenoten, ‘t hoofd omhoog!

Voor hen die ‘t heil des Heeren wachten

zijn bergen vlak en zeeën droog.

O zaligheid, niet af te meten!

O vreugde, die alle smart verbant!

Daar is ons vreemdelingschap vergeten.

En wij, wij zijn in ‘t vaderland!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 68:2

 

Maar ‘t vrome volk, in U verheugd,

Zal huppelen van zielevreugd,

Daar zij hun wens verkrijgen;

Hun blijdschap zal dan, onbepaald,

Door ‘t licht, dat van Zijn aanzicht straalt,

Ten hoogsten toppunt stijgen.

Heft Gode blijde psalmen aan;

Verhoogt, verhoogt voor Hem de baan;

Laat al wat leeft Hem eren;

Bereidt de weg, in Hem verblijd,

Die door de vlakke velden rijdt;

Zijn naam is Heer’ der heren.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 27)