Ds. H. Paul - Hebreeën 12 : 1 - 2

De volharding in de loopbaan

De gegeven vermaning
De rijke Bron van kracht

Hebree├źn 12 : 1 - 2

Hebreeën 12
1
Daarom dan ook, alzo wij zo groot een wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen allen last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is;
2
Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke, voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en schande veracht, en is gezeten aan de rechter hand des troons van God.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 90: 1
Lezen : Hebreeën 12: 1-13
Zingen : Psalm 26: 1, 2, 3, 12
Zingen : Psalm 84: 3
Zingen : Psalm 73: 14

Gemeente, de tekst vindt u in het gedeelte van het Woord van God, dat u is voorgelezen uit Hebreeën 12 vers 1 en 2, waar wij Gods Woord en onze tekst lezen:

 

Daarom dan ook, alzo wij zo groot een wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen alle last en de zonde die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan die ons voorgesteld is;

Ziende op de overste Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke voor de vreugde die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand van de troon Gods.

 

Onze tekst spreekt ons van: De volharding in de loopbaan.

 

We letten op twee gedachten:

1. De gegeven vermaning

2. De rijke Bron van kracht

 

1. De gegeven vermaning

 

In deze tekst wordt de reden genoemd waarom de apostel in het voorgaande hoofdstuk zoveel Bijbelheiligen, zoveel helden van het geloof uit het Oude Testament naar voren gebracht heeft. Het is omdat in hun leven gebleken is dat volharding en lijdzaamheid door hen werden betracht. En dat terwijl ze – zoals Calvijn zegt – zoveel minder licht van het evangelie hadden ontvangen. Tóch blonk in hun leven uit de kracht van de volharding en de lijdzaamheid, waarmee ze hebben gedragen wat de Heere hen oplegde. Zij hielden vast aan de Heere en aan Zijn Woord. Ze stonden krachtig in het ware geloof, waarbij zij alle hulp van de Heere verwachtten en niet zagen op de omstandigheden of op zichzelf. Dat is dus de reden.

 

Nu wordt aan de Hebreeën voorgehouden om óók zo met lijdzaamheid te lopen de loopbaan die de Heere hun heeft voorgesteld.

In het tiende hoofdstuk heeft de apostel al gezegd: Want gij hebt lijdzaamheid van node, opdat gij, de wil Gods gedaan hebbende, de beloftenis moogt wegdragen (vers 36). Hij heeft hun de hele rij van geloofshelden voorgesteld, als toonbeelden van lijdzaamheid. Ook Abraham is tot een voorbeeld genoemd. Paulus schrijft in Hebreën 6 vers 13 tot en met 15: Want als God aan Abraham de belofte deed, dewijl Hij bij niemand die meerder was had te zweren, zo zwoer Hij bij Zichzelven, zeggende: Waarlijk, zegenende zal Ik u zegenen en vermenigvuldigende zal Ik u vermenigvuldigen. En alzo lankmoedig verwacht hebbende, heeft hij de belofte verkregen. Dus óók Abraham heeft lankmoedig de vervulling verwacht van dat wat God beloofd had: het beloofde zaad.

 

In onze tekst wordt de Hebreeën voorgehouden om ook zo met lijdzaamheid de loopbaan te lopen. Hier wordt dus het voorbeeld genoemd van een loopbaan, ofwel een renbaan. De apostel Paulus maakt ook gebruik van dit beeld, als hij in 1 Korinthe 9 vers 24 zegt: Weet gijlieden niet dat die in de loopbaan lopen, allen wel lopen, maar dat één de prijs ontvangt?

In Filippenzen 3 vers 14 zegt hij: Maar één ding doe ik, vergetende hetgeen dat achter is, en strekkende mij tot hetgeen dat voor is, jaag ik naar het wit, tot de prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus.

 

In deze voorbeelden zien wij dat het leven van het geloof wordt vergeleken met een loopbaan, een renbaan. De oude Grieken kenden hun Olympische Spelen. Die hadden het hele volk in de ban. Het waren ook feesten ter verering van de heidense goden.

In onze dagen worden deze spelen nagevolgd. Het is dus iets uit het heidendom, waarbij de mens met zijn prestaties in het middelpunt staat.

U moet niet denken, wanneer door Paulus, en ook hier in onze tekst, deze spelen als voorbeeld worden aangehaald, dat dit wil zeggen dat de schrijvers het daarmee eens zijn, dat ze er achter stonden. De apostel Paulus zegt juist: Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het al ter ere Gods (1 Kor.10:31).

Hij zegt óók: Want de lichamelijke oefening is tot weinig nut, maar de godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de belofte des tegenwoordigen en des toekomenden levens (1 Tim.4:8).

Bij die spelen gaat het dus om de mens en zijn prestaties. Er wordt een soort heldendom gekweekt dat vereerd wordt, wat tegen de Heere en Zijn dienst ingaat. Het moge een waarschuwing zijn, jongens en meisjes, om daar niet te veel aandacht aan te geven. Mensverering op deze wijze heeft alleen maar heidense wortels. Het is niet uit de Heere, noch uit zijn dienst.

 

Maar deze spelen worden wel gebruikt als een beeld. En met dit beeld voor ogen worden de Hebreeën opgewekt om te volharden in de geestelijke strijd. Dat was nodig bij de Hebreeën. Het geloofsleven was ingezonken. Het kwijnde. Sommigen dreigden af te vallen. In hoofdstuk 10 is ook sprake van veel strijd en van lijden. Er staat: Als gij door smaadheden en verdrukkingen een schouwspel geworden zijt (vers 33).

Dus die verdrukking heeft er toe meegewerkt dat het geloofsleven kwijnde en dat zij niet openbaarden wat de kracht van het geloof vermag. Ze waren ook niet geoefend in het geloof. Er was een verachtering in de genade. Er was geestelijke dorheid. Ze leefden niet dicht bij het Woord. Het Woord ging niet als het ware richtend, ontdekkend door hen heen, opdat ze het leven buiten zich in Christus zouden zoeken en vinden.

Er was onder de Hebreeën geen opwas in de genade en kennis van Christus. Er was zo weinig een zien door het geloof op Jezus Christus. Daarom staat er ook in hoofdstuk 5: Want gij, daar gij leraars behoorde te zijn vanwege de tijd, hebt wederom van node dat men u lere welke de eerste beginselen zijn der woorden Gods; en gij zijt geworden als die melk van node hebben en niet vaste spijze (vers 12).

 

Hoewel ze dus al langere tijd op de weg waren, waren het maar beginnelingen gebleven. Het geloof brak dus niet door. Dat had wel te maken met die verdrukking, maar dat had ook alles te maken met het feit dat zij op de omstandigheden zagen en niet door het geloof uit Christus leefden. Ze behoorden leraars te zijn. Ze behoorden vast te staan in het geloof. En ze waren nog maar kinderen in de genade. Wanneer een kind van drie jaar nog niet kan lopen, dan zeg je: ‘Dat is niet goed.’ Zo was het ook in het geloofsleven van de Hebreeën.

 

Nu wordt hier de Hebreeën voorgehouden om met lijdzaamheid te lopen de loopbaan, hun voorgesteld. Die ligt dus vóór hen, maar die is ook voor hen bestemd. In het woordje ‘voorgesteld’ ligt iets van bestemming, door God voor hen weggelegd. Het is niet zomaar iets wat hen toevallig overkwam, maar het was hun voorgesteld.

Het was naar de raad des Heeren. Naar Zijn genade waren ze in die loopbaan geplaatst. Ze waren er niet uit geselecteerd op grond van training. O nee, het was genade. Het was énkel genade. Zij waren uitverkoren in Hem, van voor de grondlegging der wereld. Zij waren geen meelopers in de loopbaan, zoals Demas later een meeloper zijn zou.

Zij waren wél strijders, maar zij streden de strijd niet goed. Zij liepen niet met lijdzaamheid. En toch was die loopbaan hun voorgesteld. Die was voor hen bepaald en weggelegd, naar Gods raad en voorzienigheid, met alle verdrukking, opdat zij zouden weten: Want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijke zoon dien Hij aanneemt (vers 6).

 

Het was juist de bedoeling dat zij in die loopbaan zouden openbaren wat genade vermag en dat zij tot eer van de Heere zouden leven. Daar ontbrak het dus aan. Dan zegt de apostel: Laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan die ons voorgesteld is. Hij zegt niet: ‘Jullie moeten die loopbaan lopen.’ Nee, hij zegt: ‘Laat ons...’

Hij staat er dus niet boven. Laten we dat voor ogen houden. Hij zegt: ‘Het is voor u nodig, maar het is ook voor mij nodig.’

Hij weet dat het enkel genade is als het anders is. Maar aan de andere kant betekent dat niet dat hij zegt: ‘Nu ja, dat is nu eenmaal zo.’ Nee, hij vermaant en bestraft hen uit liefde. En liefde is geen slapheid. Wanneer ouders hun kinderen onderwijzen en ook straffen en leiden, dan is dat liefde, jongens en meisjes. Het zou slapheid en egoïsme zijn wanneer ze jullie voor galg en rad lieten opgroeien. Dat is geen liefde. Toegeven is geen liefde, als het tenminste recht en billijk is om het niet te doen.

De apostel bestraft de Hebreeën in liefde, al staat hij er niet boven. Hij zegt: Laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan die ons voorgesteld is.

 

Met lijdzaamheid. Dat woordje wordt in Jakobus’ brief vertaald met ‘verdraagzaamheid’. Gij hebt de verdraagzaamheid van Job gehoord (Jak.5:11). Dat is geen lijdelijkheid in de zin van ‘laten we maar afwachten’, maar lijdzaamheid is een werkzaamheid die openbaar komt door de kracht van het geloof, te midden van strijd en verdrukking. Daar zit het uithouden in, ondanks verdrukking, ondanks leed.

Het woord ‘lijdzaamheid’ heeft te maken met lijden. Maar dan te midden van lijden, uithouden, verdragen en de hoop niet opgeven. Het er niet bij laten zitten en van de Heere kracht begeren. In de wereld zult gij verdrukking hebben; maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen (Joh.16:33).

 

De Heere Jezus heeft dus Zijn kerk voorzegd dat zij hier in het strijdperk lijden zal ondergaan. Dat kan op velerlei wijze.

In de Openbaring aan Johannes lezen we: Dezen zijn het, die uit de grote verdrukking komen (Openb.7:14). Dit kan een verdrukking zijn door onderdrukking, door smaad, door hoon of door laster. Het kan een verdrukking zijn vanwege de kracht van de inwendige verdorven mens. Het kan ook een bijzondere kastijding des Heeren zijn. De apostel zegt: Mijn zoon, acht niet klein de kastijding des Heeren, en bezwijk niet als gij van Hem bestraft wordt (vers 5).

Ik denk aan Theodorus à Brakel, die vijf dochters verloor tijdens zijn leven. Hij zei: ‘Ik had niet gedacht dat de Heere mij zó zwaar zou kastijden.’ Maar hij vond zijn troost en sterkte bij de Heere.

Augustinus zegt er van: ‘Wat gij lijdt en tengevolge waarvan gij jammert, dat is medicijn voor u. Geen straf, maar kastijding. Geen verdoemenis. Wijst de roede niet af, als ge niet afgewezen wilt worden van de erfenis.’

‘Het zijn de overblijfselen van de verdrukkingen van Christus’, zegt de apostel. De Heere voedt Zijn kinderen daardoor op. Denk maar aan Paulus. Hij kreeg een doorn in zijn vlees. Hij heeft driemaal gebeden of de Heere die doorn wilde wegnemen. Maar de Heere zei: Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht (2 Kor.12:9).

 

In de kastijding zit dus een opvoedend element, om juist daarin te doen ervaren Wie de Heere is in Zijn trouw en in Zijn kracht. Dan kan juist te midden van de grootste smarten ervaren worden Wie de Heere is en blijft. Dan mag, temidden van de verdrukkingen, de loopbaan die God heeft voorgesteld, met lijdzaamheid gelopen worden.

 

Hoe moet dat dan?

Dat moet – zegt de apostel – zo gaan, dat afgelegd wordt alle last en de zonde, die ons lichtelijk omringt. Er zijn dus zaken die verhinderen om die loopbaan met lijdzaamheid te lopen.

Stelt u zich voor dat zo’n renner in de loopbaan beladen zou zijn met een last. Dan kan hij niet lopen. Als hij gehinderd wordt door teveel kleding, dan kan hij ook niet lopen. Daarom zegt de apostel hier ook: ‘Laat ons die last afleggen, en de zonde, die ons lichtelijk omringt.’

Wat is dan die last?

Die last kan velerlei zijn. Calvijn zegt: ‘Dat kan een liefde zijn tot de tegenwoordige wereld, de wellusten van dit leven, de begeerlijkheid van het vlees, aardse zorg, rijkdom en eer van de wereld. Wie de loopbaan van Christus moet lopen, moet zich daarvan ontdoen.’

Dat wil niet zeggen dat men zich van zijn bezit moet ontdoen, maar dan moet door de kracht des Heeren getracht worden dit te bezitten als niet bezittende. De Heere Zelf en niet aardse zaken moeten de hoogste plaats in ons leven innemen.

Hij zegt: ‘Wij zijn van onszelf al zo traag, zodat wij er geen grote ballast bij kunnen hebben. Alles wat de liefde tot de Heere en tot Zijn dienst in de weg staat, dat moet worden afgelegd.’

U zult zeggen: ‘Ja, maar gaat dat dan zomaar?’

Gemeente, dat is ook door het werk van Christus, als verhoring op het gebed. De Heere zegt: Werpt al uw bekommernissen op Hem, want Hij zorgt voor u (1 Petr.5:7).

Weest in geen ding bezorgd, maar laat uw begeerten in alles door bidden en smeken, met dankzegging, bekend worden bij God (Filipp.4:6).

Wentel uw weg op de Heere, en vertrouw op Hem, Hij zal het maken (Ps.37:5).

 

Dat zijn geen zaken die wij in eigen kracht kunnen volbrengen, maar de Heere heeft nooit een opdracht gegeven die met Zijn kracht niet kan worden volbracht. Paulus schrijft aan de Galaten: Maar het zij verre van mij dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onze Heere Jezus Christus, door welke de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld (Gal.6:14). Dus door het kruis van Christus is hij een gekruisigde voor de wereld, maar is de wereld voor hém óók een gekruisigde.

Dan kan dat. Dan kunnen we afleggen alle last en de zonde, die ons zo lichtelijk omringt. Dat betekent: de zonde, die ons in haar strikken zo gemakkelijk gevangen neemt. Het is de macht der zonde, die ons ons doel doet missen. Dat is de zwaarste last, die het meest belet. Want niemand kan die loopbaan lopen met lijdzaamheid als hij in de zonde verstrikt is.

 

Nu spreekt de apostel hier niet van de dagelijkse struikelingen, maar van de oorsprong en de kracht der begeerlijkheid. Daarvan zegt de apostel Jakobus: Maar een iegelijk wordt verzocht als hij van zijn eigen begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt. Daarna de begeerlijkheid, ontvangen hebbende, baart zonde; en de zonde voleindigd zijnde, baart de dood (Jak.1:14 -15).

In zijn brief aan de gemeente van Efeze zegt de apostel Paulus: Te weten dat gij zoudt afleggen, aangaande de vorige wandel, de oude mens, die verdorven wordt door de begeerlijkheden der verleiding (Ef.4:22).

 

Het is dus een afleggen van de oude mens, die verdorven wordt, en een aandoen van de nieuwe mens, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid. Het gaat hier om de heiligmaking, die noodzakelijk is. Die alleen kan worden volbracht in de geloofsvereniging met Christus, waarbij de oude mens met Hem gekruisigd, gedood en begraven wordt. Die naar het vlees leeft, zal sterven, maar die door de Geest de werking des lichaams doodt, zal leven. Zonder heiligmaking kan niemand de Heere zien.

Die heiligmaking is ook noodzakelijk om met lijdzaamheid te lopen, de loopbaan die ons voorgesteld is. Dat was praktijk bij de geloofshelden, die de apostel hier noemt ‘een wolk der getuigen’. En dan geen getuigen zoals in de amfitheaters. Daar zaten de mensen om de lopers aan te moedigen. Maar het waren zelf strijders geweest. Ze hadden zelf in die loopbaan gelopen en de overwinning mogen behalen. Ze hadden zelf verkregen wat hun was voorgesteld. Ze waren mensen uit de praktijk. Die wolk der getuigen waren geen mensen die gemakkelijk praten hadden. Nee, het was door hun leven heen gegaan. Zij waren zélf lopers in de loopbaan geweest. Ze hadden gestreden en hadden overwonnen.

 

Een wolk der getuigen. Een menigte.

Die wolk wijst ook naar boven. Zij waren de strijd te boven. Alzo wij zo groot een wolk der getuigen rondom ons hebben liggende. Zij zijn ons in het Woord geopenbaard en moedigen ons nu aan: ‘Houd vol! Wij hebben zelf de strijd gekend, wij hebben zelf voor de onmogelijkheden gestaan. We hebben de lasten meegetorst die we moesten afleggen en we hebben de kracht van de zonde ervaren. En toch, God is getrouw! Houd moed! Loop met lijdzaamheid de loopbaan, die voorgesteld is!’

Volg dan hun geloof na, aanschouwend de uitkomst van hun wandeling! Zovele getuigen zien op u neer. Let op de vrome en zie naar de oprechte, want het einde van die man zal vrede zijn (Ps.37:37).

 

Gemeente, kennen wij dat lopen in die loopbaan? Dat is nodig! Niet zomaar als meeloper, maar als strijder. Door het ware geloof, als strijder van de goede strijd. Dan gaat het u ook om wat dan voor u is weggelegd: om eenmaal verlossing van de zonde, van de schuld en van de macht der zonde te ontvangen. Dan voelt u die zonde, die u lichtelijk omringt. Dan hebt u een mishagen aan uzelf vanwege de zonde. Dan kent u dat verlangen om heilig voor de Heere te leven. Dan neemt u mét uw zonde, mét uw schuld, de toevlucht tot de Heere. Dat zijn kenmerkende zaken. Dan is het leven in heiligmaking iets wat in u leeft, waarnaar u verlangt.

 

Dan gaat het niet om de straf te ontgaan. Het gaat om de eer van God, om verlost te worden van de zonde zelf, om de gemeenschap met de Heere. Dan is er zoveel wat in de weg ligt, maar dan verlangt u om te mogen overwinnen; dat de bezwaren mogen worden weggenomen en dat u tot eer van de Heere mag leven.

Het is de dienstorder van het Koninkrijk Gods. Niemand zal in dat Koninkrijk kunnen ingaan zonder die strijd te strijden. Maar de Heere heeft nooit een opdracht gegeven die, met Zijn hulp, niet kon worden volbracht. Hij zegt niet: ‘Doe je best en zoek het in je eigen kracht.’ Dat is zo’n arme prediking, als de mens naar zichzelf wordt verwezen, naar zijn eigen vermogens. En toch wordt dit zoveel gedaan. Denk maar aan de remonstrant, die de mens krachten, en de rooms-katholiek, die de mens vermogens toekent. De apostel zegt: Ziende op de overste Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus.

Opwaarts ziende naar Hem. Vertrouwende op Hem. Dan wordt er een hele schat van zaligheid geopenbaard in deze tekst.

 

Dat willen we verder overdenken in onze tweede gedachte, maar we zingen eest Psalm 84 vers 3:

 

Welzalig hij die al zijn kracht

En hulp alleen van U verwacht,

Die kiest de welgebaande wegen.

Steekt hen de hete middagzon

In ’t moerbeidal, Gij zijt hun bron,

En stort op hen een milde regen,

Een regen die hen overdekt,

Verkwikt, en hun tot zegen strekt.

 

2. De rijke Bron van kracht

 

Ziende op Jezus, de Zaligmaker, de Verlosser, Die gekomen is om van de zonde te verlossen en tot God te brengen. Dat is Zijn doel. Daar kwam Hij voor. Dat is het liefste werk dat Hij doet.

Ziende op Jezus. Dat heeft Hij verdiend, dat past Hij toe. Ziende op Jezus, de Zaligmaker, de Redder, de Verlosser. Hij is de Held bij Wie hulp besteld is. Hij is de overste Leidsman. Dat betekent meer dan alleen maar ‘Die voorging’ en ‘Die leidt’.

Dat deed Hij ook. Hij is daarin een Voorbeeld, hoe Hij Zijn kracht zocht bij de Vader en hoe Hij vasthield aan de Vader. Maar Hij is ook ‘de overste Leidsman van het geloof’. Als we dat woord in de grondtaal bezien, dan blijkt dat het ergens anders vertaald is door ‘overste Leidsman der zaligheid’. Dat betekent: de Bewerker van de zaligheid.

Op een andere plaats heet Hij ‘de Vorst des levens’. Dat is hetzelfde grondwoord en betekent: Die het leven verworven heeft en toepast.

Dus de overste Leidsman van het geloof is de Bewerker van het geloof. En de apostelen zeiden tot de Heere: Vermeerder ons het geloof (Luk.17:5).

 

Ziende op de overste Leidsman. Ziende op Hem, Die het geloof werkt en versterkt, door het werk van de Heilige Geest.

In het stuk der zalig­heid, in het stuk van de herschepping, is er nooit een zaak waarin één van de Goddelijke Personen niet werkt. Christus is de Bewerker en de Instandhouder van het geloof door Woord en Geest.

Ziende op Hem! En komt u tekort, zie dan niet op uzelf, maar zie op de overste Leidsman, de Bewerker en Toepasser van het geloof, de Onderhouder van het geloof, Die ook bidt dat het geloof niet ophoudt.

 

Christus is de Voleinder van het geloof. Hij brengt het geloof tot aanschouwen. Hij brengt – zoals de grondtekst zegt – tot het gestelde doel. En het doel van het geloof is dat het eenmaal over zal gaan in aanschouwen. Hij leidt door het donkere dal van dit leven heen naar het lichten van de eeuwige morgen. En het lichtschijnsel van die eeuwige morgen verlicht het pad, dat met lijdzaamheid gelopen moet worden.

Dan zegt de apostel ook: Want onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat, werkt ons een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid (2 Kor.4:17).

Dan zijn er toch die door de kracht van het geloof, staande en lopend, met verlangen uitzien naar die dag die komen zal, wanneer het geloof vervuld zal zijn. Dat wil zeggen: wanneer het aanschouwen worden zal.

Achter Hem aan is de overwinning zeker en in gemeenschap met Hem zal het niet aan kracht ontbreken om stand te houden, om vol te houden. Dat heeft Hij Zelf verworven in de weg van lijden en van sterven.

 

Ziende op de overste Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke voor de vreugde die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand van de troon Gods.

Daarin tekent hij in welke weg Christus dat heeft verworven. Hij heeft gaven verdiend om uit te delen. 0ók het geloof, óók het leven, óók de liefde, óók de volharding, óók de standvastigheid. En dat in een weg van lijden en sterven, tegenover de vreugde die Hem voorgesteld was.

De uitleg daarvan is (de kanttekenaren wijzen er ook op): dit kan de vreugde zijn die Hij bezat, de heerlijkheid die Hij had in de hemel, waarvan de apostel zegt: Want gij weet de genade van onze Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden (2 Kor.8:9). Dus Hij had de volle Goddelijke heerlijkheid en Zijn vreugdegenieting in de hemel willen verlaten, om Zijn werk op aarde te doen.

Omdat het woordje ‘voorgesteld’ er bij staat, kan het ook zien op hetgeen voor Hem weggelegd was als Middelaar, namelijk de vreugde, de verheerlijking en de verhoging waartoe Hij geraken zou. Waarom hij ook bad in het hogepriesterlijk gebed: En nu, verheerlijk Mij, Gij Vader, bij Uzelven, met de heerlijkheid die Ik bij U had eer de wereld was (Joh.17:5).

Ik meen dat we daarop ook inderdaad moeten wijzen. Dan betekent die vreugde, Hem voorgesteld: om straks met de kinderen, Hem gegeven, eeuwige zaligheid te genieten.

Zóvelen tot heerlijkheid te leiden, dat was de vreugde die Hem voor ogen stond. Daar tegenover heeft Hij het kruislijden verdragen en de schande veracht. Dat kruislijden, dat ontzaglijke diepe lijden, dat als een gevloekte aan het kruis hangen, heeft Hij gewild uit liefde tot de deugden van Zijn Vader, uit liefde tot degenen die Hem gegeven zijn.

Dat was nodig. Langs geen andere weg kon de zaligheid verdiend worden. Dat doet ons de ernst van de zonde zien.

 

Gemeente, wil toch zien wat de zonde is! Eer dat God de zonde ongestraft liet, heeft Hij ze gestraft aan Zijn eniggeboren Zoon, op die wijze. Als een gevloekte moest Hij hangen aan het kruis! Hij is tot een vloek geworden! Hem, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij tot zonde voor ons gemaakt. Tot zonde. Tot énkel zonde. Tot een vervloekte, opdat vervloekelingen met God verzoend zouden worden.

Laten we het maar eerlijk zeggen (al is het met beven): wij zijn vervloekten. Het mag niet verzwegen worden. Wij zijn vanwege onze zonden vervloekt.

Want zovelen als er uit de werken der wet zijn, die zijn onder de vloek; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen (Gal.3:10).

Het zou rechtvaardig zijn als we vervloekten bleven. O, eigen schuld. Dan is God eeuwig vrij. Maar nu heeft God Zijn Zoon gezonden als een gevloekte. Als Eén Die de vloek gedragen heeft, Die aan het schandhout van het kruis gehangen heeft. Ja, Die in die diepe verlating moest uitroepen: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (Matth.27:46). Omdat Zijn heilige Vader met een vervloekte geen gemeenschap hebben kon. Daarom!

Hij droeg de volle toorn van God. Dan zien we wat de zonde betekent! Zie naar Christus. Hij is aan de ene kant een Toonbeeld van Gods liefde, dat is zeker. Alzo lief heeft God de wereld gehad... (Joh.3:16).

Maar Hij is óók een Toonbeeld van Gods heilig recht. In Hem voltrok zich het oordeel van God. En denk erom, als wij die zaligheid verwerpen, dat wij dat zélf zullen dragen tot in der eeuwigheid.

Daarom, vandaag gaat de roepstem nog uit en het Woord van het evangelie zegt ons: Omdat nu God Zijn Zoon tot een gevloekte worden liet, is er voor zondaren nog zaligheid. U wordt nog genodigd tot de zaligheid in Christus Jezus. Er is nog plaats voor mensen die zich het oordeel van God hebben waardig gemaakt.

 

Hij heeft dat kruislijden ‘verdragen’. Er staat niet ‘gedragen’, maar ‘verdragen’. Daar staat hetzelfde woordje in als in ‘lijdzaamheid’. Daardoor heeft Hij ook die lijdzaamheid verworven, die nodig is om met lijdzaamheid de loopbaan te lopen. Dat behoeft niet in eigen kracht. Dat kán niet in eigen kracht. Die lijdzaamheid ligt in Christus, want Hij heeft het kruislijden verdragen. Hij heeft die lijdzaamheid verworven. Uit ons zou dat verdragen van het lijden in der eeuwigheid niet meer kunnen voortkomen, maar het ligt in Christus.

Met lijdzaamheid lopen de loopbaan ons voorgesteld, ziende op Jezus, Die dat kruislijden verdragen heeft, Die het alles verdroeg. Die het onderging met lijdzaamheid, om de lijdzaamheid te verwerven en te verdienen die nodig is om met lijdzaamheid de loopbaan te lopen.

 

En schande veracht. Er staat niet: ‘De schande van het kruislijden’, maar álle schande. Het staat zonder lidwoord. Schande in zijn algemeenheid.

De Hebreeën werden als geschandvlekten beschouwd omdat ze Christus navolgden. Dat is ook nu geen vreemde zaak.

Met Christus krijg je alles tegen. Dan krijg je de vrome wereld tegen. Omdat Christus alleen de Grond der zaligheid is, omdat alle andere grond afgesneden wordt, krijg je de vrome wereld tegen. Je krijgt ook de goddeloze wereld tegen, want die vindt dat je het veel te nauw neemt. Aan de ene kant zijn er de wettische werkers die je dan verachten, maar aan de andere kant zijn er de goddeloze wetbestrijders die je dan haten vanwege het feit dat je Christus alleen wenst. Omdat je aan Hem verbonden bent, in liefde tot Zijn Woord, tot Zijn wet en tot Zijn dienst. Je krijgt ook je eigen vlees tegen. Maar als je Hém mee hebt, heb je álles mee.

Daarom, zie op de Heere alleen, op de grote Kruisdrager. Dan krijgt u wel veel tegen, maar u krijgt God mee. En dat is genoeg.

 

Ziende op Jezus, Die het kruis verdragen heeft en Die schande veracht heeft en is gezeten aan de rechterhand van de troon van God in Zijn heerlijkheid. Hij is daar gezeten, opdat Hij gaven zou uitdelen tot der mensen troost. Zijn zitten aan Gods rechterhand is een teken van Zijn overwinning. Het is ook een teken van Zijn voorbidding. Het is een teken dat Hij alles volbracht heeft. Daar zit Hij om te leiden en te regeren, maar ook om te dienen. En wie Hem nu maar het meeste nodig heeft, zal daar het rijkste in delen.

Hij zit daar ook als de opperste Ambtsdrager. Hij zit als de grote Ambtsdrager aan ‘s Vaders rechterhand. Hij heeft overwonnen, want Hij heeft het kruis verdragen en schande veracht. Hij heeft Zichzelf vernietigd, Hij heeft Zichzelf vernederd.

Maar daarom heeft God Hem ook een Naam gegeven boven alle naam, opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen die in de hemel en die op de aarde zijn. Opdat alle mond Zijn lof zou verkondigen. Hij is nu gezeten aan de rechterhand van Zijn hemelse Vader. Hij heeft overwonnen.

 

Wie nu met lijdzaamheid loopt de loopbaan ons voorgesteld, ziende op Hem, zal met Hem overwinnen. Want dit is de overwinning die de wereld overwint, namelijk ons geloof.

Ons geloof in deze gekruiste Christus, in deze gekruiste en opgewekte Zaligmaker, geeft zekerheid van de overwinning. Want Hij heeft overwonnen en in Hem zijn wij meer dan overwinnaars.

Daarom, al dat lijden met lijdzaamheid gedragen! Dat kruis gedragen achter Hem aan! Hij heeft het zwaarste gedragen. Hij draagt Zelf het kruis en de kruisdrager. Hij weet wat het is om mens te zijn; ook om ambtsdrager te zijn. Hij weet wat het is om alles te doorstaan.

Hij heeft verdragen en overwonnen en door Zijn kracht is de overwinning zeker.

Strijders in de loopbaan, houd moed! U mag zeggen:

 

Weg wereld, weg schatten,

gij kunt niet bevatten

hoe rijk of ik ben.

‘k Heb alles verloren,

maar Jezus verkoren,

Wiens eigen ik ben.

 

Dat geeft troost. Dat geeft blijdschap in ons leven. Dat geeft ook uitzicht. Eenmaal komt de dood. Wie van ons zal de eerste zijn?

Maar als we lopen in de loopbaan, dan is de overwinning zeker. Dan is het sterven een doorgang tot het eeuwige leven. Dan zullen we altijd bij de Heere zijn.

Wát het leven dan met zich meebrengt, verdrukking, kruis of zorg, er komt een einde aan.

Er is niemand zonder kruis. Het kan wel zijn dat iemand denkt: Ik heb helemaal geen kruis. Het zal met mij niet waar zijn… Ook dat kan een kruis zijn, dat u denkt dat u geen kruis hebt. Maar is de strijd tegen de zonde dan geen kruis? Komt dat niet dagelijks terug?

Dan behoef ik heus niet naar zwaarheid te verlangen, maar naar klaarheid. Klaarheid in de kennis van Christus, in het in Hem geborgen zijn, in het leven uit Hem, Die kwam om te dienen.

 

Dan kan het voor zondaren. Hij is een gevloekte geworden, opdat in Hem zondaren zouden worden behouden. Vandaag gaat die roepstem nog uit: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden (Jes.45:22).

Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere Heere, zo Ik lust heb in de dood des goddelozen! Maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls? (Ezech.33:11).

 

Er is een levende Zaligmaker. Hij leeft! Dat mag de troost zijn van allen die Hem vrezen, temidden van kun kruis, zorg en moeite, ziende op Hem.

Hij is de Bron van kracht en Hij kwam om te dienen.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 73: 14

 

Wie, ver van U, de weelde zoekt,

Vergaat eerlang, en wordt vervloekt;

Gij roeit hen uit die afhoereren,

En U de trotse nek toekeren;

Maar ’t is mij goed, mijn zaligst lot,

Nabij te wezen bij mijn God;

’k Vertrouw op Hem, geheel en al,

De Heer’, Wiens werk ik roemen zal.