Ds. H. Paul - 2 Samuël 23 : 5

Davids deel aan het eeuwig verbond

Het hoewel der ontdekking
Het nochtans van het geloof
Het voorzeker van de hoop

2 Samuël 23 : 5

2 Samuël 23
5
Hoewel mijn huis alzo niet is bij God, nochtans heeft Hij mij een eeuwig verbond gesteld, dat in alles wel geordineerd en bewaard is; voorzeker is daarin al mijn heil, en alle lust, hoewel Hij het nog niet doet uitspruiten.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 84: 1, 5
Lezen : 2 Samuël 7: 18-29
Lezen : 2 Samuël 23: 1-7
Zingen : Psalm 89: 9, 12, 14
Zingen : Psalm 111: 5, 6
Zingen : Psalm 72: 9

Gemeente, de tekst vindt u in het gedeelte van het Woord van God u voorgelezen, 2 Samuël 23 vers 5, waar wij Gods Woord en onze tekst lezen:

 

Hoewel mijn huis alzo niet is bij God, nochtans heeft Hij mij een eeuwig verbond gesteld, dat in alles welgeordineerd en bewaard is; voorzeker is daarin al mijn heil en alle lust, hoewel Hij het nog niet doet uitspruiten.

 

Onze tekst spreekt ons van: Davids deel aan het eeuwig verbond.

 

Wij staan stil bij:

1. Het hoewel der ontdekking

2. Het nochtans van het geloof

3. Het voorzeker van de hoop

 

1. Het hoewel der ontdekking

 

Onze tekst is uit de laatste woorden van David.

David, de koning van Israël, is op een hoge leeftijd gekomen. Op de leeftijd waarvan geldt: oude mensen móeten sterven. Ook jonge mensen kunnen sterven. Dat wordt telkens weer bewaarheid. Wij weten de dag van onze dood niet. En daarom is het noodzakelijk daarop voorbereid te zijn, ook al zijn we nog jong, en in de kracht van het leven. Want het leven is een damp, die voor een tijd gezien wordt en dan weer verdwijnt.

David mocht oud worden. Vaak was hij in zijn leven dicht bij de dood geweest. Hij zei tot Jonathan: Er is maar als één schrede tussen mij en tussen de dood (1 Sam.20:3). Wat heeft hij ook vaak voor de dood gevreesd toen hij vervolgd werd door Saul! Maar nu hij op zijn sterfbed gekomen is, vindt David rust. Rust in de grote Rustaanbrenger, Jezus Christus. Nu mag zijn oog zien op Hem, Die uit zijn nageslacht zal voortkomen. Die de dood verslonden heeft tot overwinning. Daardoor mocht Paulus zeggen: De prikkel – oftewel de angel – nu des doods is de zonde, en de kracht der zonde is de wet. Maar Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft door onze Heere Jezus Christus (1 Kor.15:56-57). David mag weten voor Wiens rekening hij ligt.

Die dag komt op ons allen af. Wat een voorrecht als die dag in de zekerheid van het geloof tegemoet mag worden gezien.

 

David ontvangt stervensgenade. Dat is een bijzondere genade. Van zichzelf weet hij dat hij dit alles onwaardig is. In het gedeelte dat ons is voorgelezen uit 2 Samuël 23, lezen wij dat hij nog een ogenblik terugziet op zijn leven. Dan noemt hij zich David, de zoon van Isaï. Hij weet waar de Heere hem vandaan gehaald heeft. Wat hij was, dat was hij door God. Wat hij ontving, ontving hij uit genade. Hij was de liefelijke in de psalmen. Hij heeft psalmen gedicht waarin hij zijn hart uitstortte voor God. Waarin wij hem in het hart mogen kijken en waarin de keus van zijn leven openbaar kwam. We hebben er van gezongen:

 

Hoe lieflijk, hoe vol heilgenot,

O Heer’, der legerscharen God,

Zijn mij Uw huis en tempelzangen!

 

Dat was de keus van zijn leven. Dat heeft David duidelijk geopenbaard. Het was zijn begeerte om daar te zijn, waar het Woord van God verkondigd werd, waar de dienst der verzoening plaatsvond. Dat waren de hoogtepunten van zijn leven.

Er waren, helaas, ook dieptepunten. Daar heeft David ook weet van. De dieptepunten in zijn leven zijn de zonden, die tegen hem getuigen en hem aanklagen. Het zijn de afdwalingen, ook in het leven van zijn kinderen. Zijn huis was ook niet zoals het behoorde te zijn. Daar was hij diep van doordrongen. Niet dat David zijn kinderen in dit opzicht verwaarloosd heeft. Niet dat hij alles zomaar goed gevonden heeft wat de kinderen deden. Psalm 34 zegt het: Komt, gij kinderen, hoort naar mij; ik zal u des Heeren vreze leren (vers 12).

 

Salomo, de zoon die de Heere diende, spreekt van het onderwijs dat hij van zijn vader ontvangen heeft: Hij nu leerde mij, en zeide tot mij: Uw hart houde mijn woorden vast, onderhoud mijn geboden en leef (Spr.4:4).

Als Absalom gestorven is, draagt David diepe rouw om hem. Dan weet hij welke toekomst Absalom tegemoet gegaan is. Dan zegt hij: Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Och, dat ik, ik voor u gestorven ware, Absalom, mijn zoon, mijn zoon! (2 Sam.18:33).

 

Nu David aan het einde van zijn leven gekomen is, wordt hij van stap tot stap door de Heere teruggeleid en ziet hij hoe de Heere hem beschermd heeft. Hij mag nog eens zien Wie de Heere voor hem geweest is en wie hij en zijn huis voor de Heere waren. Hij heeft uit Gods mond mogen horen dat zijn huis bestendig zal zijn tot in eeuwigheid en dat er ook van zijn nageslacht zullen zitten op de troon van Israël. Uit zijn geslacht zullen de koningen voortkomen, die Israël zullen regeren. Ja, zijn troon zal eeuwig zijn.

Nathan heeft tot hem mogen zeggen: Doch uw huis zal bestendig zijn en uw koninkrijk tot in eeuwigheid, voor uw aangezicht; uw stoel zal vast zijn tot in eeuwigheid (2 Sam.7:16).

Dat heeft David mogen horen uit de mond van de profeet. En toen hij dat hoorde, zei hij: Wie ben ik, Heere Heere, en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt? (2 Sam.7:18).

 

Hier spreekt hij het uit: Hoewel mijn huis alzo niet is bij God…

Want David heeft niet alleen terug mogen zien op de afgelegde levensweg, maar hij heeft ook in de toekomst mogen zien. Hij heeft niet alleen geweten dat zijn zonen op de troon van Israël zouden zitten, maar ook dat uit zijn nageslacht de Christus zou voortkomen.

Petrus zegt in Handelingen 2: Alzo hij dan een profeet was, en wist dat God hem met ede gezworen had, dat Hij uit de vrucht zijner lendenen, zoveel het vlees aangaat, de Christus verwekken zou, om Hem op zijn troon te zetten (vers 30).

Dus David heeft ook geweten dat de Heere Jezus komen zou. In de aan onze tekst voorafgaande verzen spreekt hij er ook van: Er zal zijn een Heerser over de mensen, een Rechtvaardige, een Heerser in de vreze Gods (vers 3).

Dat zou niet alleen Salomo zijn. Nee, daar gaat deze profetie ver bovenuit. Hij profeteert ervan Wie de Heere Jezus zijn zal. Tegenover zoveel genade, tegenover zoveel goeds dat de Heere aan hem en zijn huis bewezen had, tegenover de rijkdom van genade aan hem betoond, zinkt David weg in verwondering. Dan is het voor hem zo’n wonder dat de Heere hem en zijn huis daartoe verwaardigd heeft!

 

Wat een voorrecht wanneer een mens, die van zichzelf hoogmoedig is, ootmoedig wordt. Zijt met de ootmoedigheid bekleed, zegt de apostel Petrus (1 Petr.5:5).

Ootmoed is een rijke vrucht van genade. Een rijke vrucht van het ontdekkend werk van Gods Geest. Want de Geest des geloofs (de Heilige Geest) Die hier vaardig is over David, is óók de Geest der ontdekking. Laten we dat nooit vergeten. Vrucht van het werk van de Heilige Geest is ook altijd ontdekking. In de eerste plaats ontdekking en verwondering over de goedheid Gods. Maar ook maakt de Heilige Geest bekend wie wij zijn voor de Heere. Dat is geen systeem wat wij erop nahouden, maar dat zegt de Heere Jezus Zélf: En Die gekomen zijnde, zal de wereld overtuigen van zonde, en van gerechtigheid, en van oordeel (Joh.16:8).

 

Tegenover zoveel goeds, tegenover zoveel genade, buigt David diep voor de hoge God. Hoewel mijn huis alzo niet is bij God.... Daar is hij diep van doordrongen. Noch hij, noch zijn huis hebben voor de Heere reden kunnen geven om hen te gedenken. Noch zijn ijver voor de dienst van de Heere, noch zijn liefde, noch zijn trouw. Alles was met zonde bevlekt. Het was alles maar ten dele. En wat er goed in was, was niet uit hem, maar uit God. Zoals Revius getuigt:

 

Het goede wat ik heb, o Heere, is van Dij;

en al wat anders is, helaas, dat is van mij.

 

Dat wordt geleerd op de leerschool van de Heilige Geest. Dat heeft David ook geleerd. De Geest des geloofs, de Geest der profetie, is óók de Geest der ontdekking. Dan heeft David het niet verdiend. Dan moet hij zeggen: ‘Heere, ik heb alles verzondigd.’

In Psalm 51 horen we hem getuigen: Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan wat kwaad is in Uw ogen; opdat Gij rechtvaardig zijt in Uw spreken en rein zijt in Uw richten.

Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen (vers 6 en 7).

David heeft het diep doorleefd voor God, dat uit hem geen vrucht was in der eeuwigheid. En na de volkstelling zegt hij: Zie ik, ik heb gezondigd, en ik, ik heb onrecht gehandeld, maar wat hebben deze schapen gedaan? Uw hand zij toch tegen mij en tegen mijns vaders huis (2 Sam.24:17).

 

Er waren zoveel zaken in zijn leven die tegen hem getuigden. Niet alleen toen hij in grove zonden was gevallen. Soms was hij mismoedig. Denk aan de klacht: Nu zal ik een der dagen door Sauls hand omkomen (1 Sam.27:1). Dán was hij weer hoogmoedig. Hij was een bederver van het goede. Hij was een zondaar, ook na ontvangen genade.

Er was in hem, noch in zijn huis, iets goeds van hemzelf. Denk aan Absalom, denk aan Amnon. Wat een grote zonden hebben zij bedreven! Absalom was de doodslager van zijn broer en de vervolger van zijn vader. Bij dit alles moet David erkennen: Hoewel mijn huis alzo niet is bij God… Dat wil zeggen, zoals het ook vertaald kan worden: met God.

Hoewel David niet voor de Heere geleefd heeft, hoewel hij niet altijd met God verenigd was met een hartelijke overgave, met een hartelijke bewilliging, met een niet anders willen dan wat de Heere wil     , zodat hij moet zeggen: ‘Hoewel alles tegen mij getuigt...’, heeft de Heere toch zó gesproken.

 

Daar hebt u ‘het hoewel van de ontdekking’. En dat ‘hoewel van de ontdekking’ mag in geen enkel levensboek ontbreken. Bij u niet en bij mij niet. Dat ‘hoewel van de ontdekking’ is een noodzakelijke zaak. Zal het geloof werkelijk geloof zijn in de Heere Jezus Christus, dan is deze zijde van de zaak niet onbekend. Dan leert de Heere diep belijden wie wij zijn voor God. In diepe verootmoediging tegenover de goedheid en trouw van God worden we de voornaamste van de zondaren. Dan klaagt van onze kant alles ons aan.

Paulus getuigt ervan dat Hij de minste van de apostelen en de voornaamste van de zondaren is. Dat is geen woord dat zomaar wordt uitgesproken om mensen te behagen, om iets te lijken voor het oog van de medemens. Nee, dat wordt beleden voor God.

 

Zo is het ook met David. Van zijn kant is er niets goeds. Maar daar blijft hij niet bij staan. Het zou niet de volle openbaring van het geloof zijn, als dit het enige was. Voor sommigen is dat wél het ware. Sommigen beluisteren veel liever de klacht dan de lof. Maar beiden mogen niet ontbreken. Wie alleen zijn grond zoekt in het klagen en in het feit dat hij niet is zoals hij behoort te zijn, en niet méér heeft, die komt bedrogen uit! Als we het huis van onze hoop daarop bouwen, dan is het een zandgrond. Dat gebeurt zo vaak. Dan is de eenvoudigheid van het evangelie zoek. Een schrijver zegt: ‘Als mijn zwartheid zou moeten dienen om alleen maar te tonen dat er zo weinig licht in mij is, dan heb ik niet alleen een armzalig leven, maar erger, dan heb ik ook een eigengerechtigd leven. Want dan zou Christus het met mij moeten delen. Dan zou Hij niet alles zijn. Dan zou het feit dat ik mijn zonde belijd, het feit dat ik zo klaag, als het ware nog heimelijk mede de grond zijn, waarop ik het huis van mijn hoop bouw.’

Aan de ene kant dus: het is onmisbaar, het kan niet gemist worden. Aan de andere kant: het mag niet het enige zijn. Het is nodig drie stukken te kennen om welgetroost te kunnen leven en ook eenmaal zalig te sterven. Juist tegenover die achtergrond, die diepe zwarte slagschaduw van onze schuld en onze verlorenheid, licht des te meer het wonder op van Gods genade. Het wonder van Gods ontferming, dat de Heere aan zo één gedenkt en met zo één bemoeienis maakt.

 

Dat zegt David ook. In onze tweede gedachte staan wij daarbij stil.

 

2. Het nochtans van het geloof

 

Hoewel mijn huis alzo niet is bij God, nochtans heeft Hij mij een eeuwig verbond gesteld, dat in alles welgeordineerd en bewaard is.

Dat is het wonder. Dat heeft David niet klein kunnen krijgen. Hij heeft uit de mond van Nathan mogen horen dat de Heere met hem een verbond maakte, dat zijn stoel vast zou zijn tot in eeuwigheid. Ja, dat in Christus de volle vervulling daarvan zou plaatsvinden, zoals ook de engel Gabriël tot Maria zei: Deze zal groot zijn en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden; en God de Heere zal Hem de troon Zijns vaders Davids geven; dn Hij zal over het huis Jakobs Koning zijn in der eeuwigheid, en Zijns Koninkrijks zal geen einde zijn (Luk.1:32-33).

Daar heeft Davids iets van verstaan. Het tijdelijk koningschap van Israël zal straks de vervulling vinden in het heerlijk koningschap van Jezus Christus, de Koning der koningen en de Heere der heren. Daarom spreekt hij ook: Nochtans heeft Hij mij een eeuwig verbond gesteld.

 

Nu geldt dat verbond en die toezegging natuurlijk in de eerste plaats voor het huis van David, dat er uit zijn nageslacht koningen zullen zijn. Maar we kunnen daar niet bij blijven staan. Dat is niet de diepe grond. De diepe grond ligt in dat andere verbond, het verbond der genade. Dat heeft zijn wortels in de eeuwige vrederaad, de overeenkomst tussen de Goddelijke Personen. Daarin heeft God, Die te prijzen is in der eeuwigheid, de weg der zaligheid uitgedacht. Hij heeft die weg ook gebaand in de tijd, door het zenden van de Zoon, de Heere Jezus Christus, in deze wereld. Dat alles met behoud van al Zijn deugden.

Het verbond der genade heeft zijn wortels in de eeuwigheid, maar het gaat ook in de tijd, in de bedding van de gemeente, waar het huis van David ook deelgenoot van was, alleen niet allen op dezelfde wijze.

Er was onderscheid tussen Absalom en Salomo. Aan de ene kant zien we Absalom, die door eigen schuld alles verzondigd heeft en niet wilde horen naar de Heere en Zijn Woord. Daartegenover zien we Salomo, die de Heere vreesde en liefhad van zijn jeugd af aan.

In het bijzonder van dát verbond mag David hier spreken: Nochtans heeft Hij mij een eeuwig verbond gesteld. Dat heeft Hij gedaan. Het verbond der genade komt uit God, Die te prijzen is in der eeuwigheid. Die uit het gevallen mensengeslacht Zich een gemeente vergadert, van oost en west, van noord en zuid. Die God, Die volzalig in Zichzelf is en Die de lof ontvangt van de engelen, die Hem loven en prijzen. Die ook zonder de gemeente, die Hij heeft liefgehad, niet zijn wilde. Dwars door de val heen, wil Hij Zijn werk verheerlijken.

David ziet hier op het verbond dat van geen wankelen weet, dat vastligt in het werk van de Heere Jezus Christus. Hij heeft aan de voorwaarden daarvan voldaan. Die overeenkomst was eigenlijk een werkverbond voor Christus. Hem werd opgedragen te betalen, aan Gods recht te voldoen. De eisen van Gods wet moesten vervuld worden, de deugden Gods opgeluisterd en een eeuwige gerechtigheid aangebracht. Hij moest een gehoorzaamheid opbrengen waar de Vader recht op heeft. Dan zou Hij ook ontvangen de heidenen tot Zijn erfdeel en de einden der aarde tot Zijn bezitting.

 

David heeft een bijzondere plaats mogen hebben in dat verbond, dat zeker! In de eerste plaats deelde hij in de zegeningen. Ook daardoor zou David zalig worden. Dat hij koning was over Israël vloeide er ook uit voort. Dat de Heere hem met ede gezworen heeft, dat uit de vrucht zijner lendenen, zoveel het vlees aangaat, hij de Christus zou verwekken, hoorde er ook bij. Hier is vervuld wat Juda mocht horen uit de mond van Jakob: De scepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten (Gen.49:10).

 

David heeft zeer zeker een bijzondere plaats in dat verbond mogen innemen. Maar het was alles uit genade, alleen om Christus’ wil. Alleen om Hem, in Wie dat verbond vastligt en onverbroken is. Daarom mocht David zeggen: Nochtans heeft Hij mij een eeuwig verbond gesteld. De Heere heeft David doen delen in de zegeningen van dat eeuwig, vastgestaafd verbond.

Wat is dat een wonder voor David geweest. Want dat ‘nochtans’ wordt nooit verstaan zonder dat ‘hoewel’. En dan tegenover zo één, die alles verzondigd heeft. Nochtans heeft Hij mij… Daar valt David wat zijn eigen verdienste betreft, buiten. Nochtans heeft Hij dat gedaan. Van mijn kant is het verzondigd. Van mijn kant is er alleen maar schuld. Maar aan U de eer, aan U de lof. Alle dingen zijn uit God.

 

Een eeuwig verbond gesteld.

Dat verbond is in zijn wezen eenzijdig. Denk maar aan de verbondssluiting met Abraham. God ging alleen tussen de stukken door en niet Abraham.

Aan de andere kant is het ook tweezijdig. Dat wil zeggen: dit verbond wordt opgericht met David, in Christus. Dan bewilligt ook David erin om uit genade zalig te worden. Dan bewilligt ook David erin om door de weg van dat verbond, de weg waarlangs de zondaar het eigendom wordt van God, en God het eigendom van de zondaar, zalig gemaakt te worden om niet. Daar heeft David rust in gevonden.

 

Die zaligheid wordt u gepredikt. Die zaligheid wordt u aangeboden. Wij leven onder de openbaring van dat verbond. Daarom zijn wij hier in Gods huis. Daarom zijn wij gedoopt in de Naam van een drie-enig God, als teken van dat verbond. Dan zweert de Heere in onze dood geen lust te hebben, maar daarin, dat we ons zouden bekeren en leven.

De Heere gaf ons het grote voorrecht dat we daar geboren zijn, waar Hij dat verbond bedient, waar Hij de gaven van dat verbond laat uitstallen, ja, ook aan de Zijnen toeschikt door de onweerstaanbare werking van de Heilige Geest.

Heb er dan niet genoeg aan om alleen uitwendig bondeling te zijn! Het is nodig te mogen weten daarin ingelijfd te zijn. Om met David te kunnen zeggen: Nochtans heeft Hij mij een eeuwig verbond gesteld.

 

U zult zeggen: ‘Hoe kan ik dat weten? Hoe kan ik weten daarin begrepen te zijn?’

Wel, als we mogen weten het eigendom te zijn van Jezus Christus, de Middelaar van dat verbond. Als we Hem, het Hoofd van dat verbond, mogen kennen als onze Zaligmaker.

Dat is de weg. Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem (Joh.3:36).

Het gaat erom Hém te kennen, Die in het evangelie wordt aangeboden, de Christus, de Zaligmaker, Die de grote inhoud is van de prediking van het Woord, in Wie het verbond der genade vastligt.

Hij nodigt tot de zaligheid. Hij zegt: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden (Jes.45:22). Hij laat het evangelie prediken in Zijn Naam. Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden (Mark.16:16).

Te leven onder de prediking van het evangelie is een ontzaglijk groot voorrecht, maar geeft ook een ontzaglijk grote verantwoordelijkheid!

 

David spreekt hier in het geloof. ‘Dat verbond heeft Hij mij gesteld; dat is een eeuwig verbond.’

Er zijn zoveel verbonden op deze wereld die gebroken worden. Huwelijksverbonden worden soms reeds na korte tijd verbroken. Menselijke overeenkomsten worden gebroken en geschonden. Maar dit is een eeuwig verbond. Dat kan niet verbroken worden. Wie in het wezen daarvan is opgenomen, zal er nooit meer uit kunnen vallen. Niet dat die vrees niet leeft. Die leeft ook bij David. Daarom zei hij: Neem Uw Heilige Geest niet van mij (Ps.51:13).

Maar hij mocht toch weten: dat ligt nu eeuwig vast. Want de God van het verbond is een eeuwige God. En het offer van Christus, dat nodig was om dat verbond te bevestigen, is een eeuwig offer. Dat heeft eeuwige kracht. Want Hij is niet alleen mens, Hij is ook God. Hij heeft aan Zijn verdiensten een eeuwige waarde toegebracht. Daarom is het een eeuwig verbond.  De Heere zegt ook: Want bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw Ontfermer (Jes.54:10).

 

Dat ligt voor eeuwig vast in de dood van Christus, toen Hij uitriep met grote stem: Het is volbracht! (Joh. 19:30). Hij heeft het besloten – zegt ons avondmaalsformulier – in Zijn bloedstorting. Dáár lag de rust van David. Niet in zijn doen en laten. Zijn werken getuigden tegen hem. Maar: Nochtans heeft Hij mij een eeuwig verbond gesteld. Ik mag erin delen. Mij... Dat heeft David nooit klein kunnen krijgen. Als dat door het geloof gekend en omhelsd mag worden, kunnen óók wij dat nooit klein krijgen.

‘Hij heeft mij een eeuwig verbond gesteld.’ O, dat anderen erin zullen delen, kunnen we wel geloven. Dat Gods volk zalig wordt, is zeker. Maar dat Hij míj een eeuwig verbond gesteld heeft, dat ík erin mag delen, dat is het grootste wonder! Mij en mijn huis, alles getuigt tegen me. Maar David heeft het mogen weten, dat de Heere hem een eeuwig verbond gesteld had. De Heere heeft tot hem gezegd: ‘Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde.’

 

Dat verbond is in alles welgeordineerd en vast en ook bewaard.

Het is een welgeordineerd verbond. Dat betekent dat het beantwoordt aan de eisen die eraan gesteld worden.

Het woord ‘geordineerd’ is eigenlijk ontleend aan de krijgskunde. Wanneer een leger vroeger naar de vijand ten oorlog vertrok, dan was het ‘geordineerd’, dat wil zeggen: opgesteld naar de regels van de krijgskunde. De voorhoede, de achterhoede, alles was volgens de regels opgesteld. Als er slag geleverd moest worden, trad er een welgeordend leger op en geen chaotisch iets. Daar hing de overwinning mede van af.

Maar dit is een wélgeordineerd verbond. Alles wat ervoor nodig was, is aangebracht. Satan moest met zijn aanklachten wijken. Als hij de hogepriester Jozua wijst op zijn vuile klederen, zegt de Heere: De Heere schelde u, gij satan, ja, de Heere schelde u, Die Jeruzalem verkiest; is deze niet een vuurbrand uit het vuur gerukt? (Zach.3:2)

Dan is er een antwoord op de aanklacht van de satan, door dat wélgeordineerd verbond. Omdat aan alles is voldaan, kan de grootste van de zondaren nog zalig worden. Dan moet ook de aanklacht van de wet zwijgen. Die wet ligt onder het verzoendeksel, óók krachtens dat verbond. De vloek der wet is weggenomen door de dood van Christus.

Al is het dan, dat mijn geweten mij aanklaagt, dat ik tegen al de geboden Gods zwaar gezondigd en geen derzelve gehouden heb, en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben, dat nochtans God (daar hebt u hetzelfde), zonder enige verdienste mijnerzijds, uit loutere genade, mij de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent, evenals had ik nooit zonde gehad noch gedaan; ja, als had ik ook al de gehoorzaamheid volbracht die Christus voor mij volbracht heeft.

Het is krachtens dat welgeordineerd verbond. De Middelaar van het verbond heeft alles volbracht. Dat ligt eeuwig vast.

 

De Vader is, met eerbied gesproken, ook gehouden om de zegeningen van het verbond te schenken. Dat ligt niet in de waardigheid van de mens. Dat ligt niet in zijn verdienste. Dat is ondanks de mens.

Wat een voorrecht als we in het wezen van dat verbond begrepen zijn. Als we daarin gegrond zijn, door het ware geloof. Dan zullen mijn deugden niet baten. Mijn gerechtigheid is een wegwerpelijk kleed. Maar al mijn ondeugd zal God niet weerhouden om mij die zegeningen te schenken. Want er is betaald, het is volbracht!

 

Daarom kunnen we nog zalig worden. Dat verbond strekt zich uit van eeuw tot eeuw. Dat is bewaard, zegt onze tekst. Dat bewaart God. Dat doet Hij ingaan in de geslachten.

Daar is wat tegenop gekomen! De hele hellemacht staat er tegenop, om de openbaring daarvan ook te verhinderen.

Maar de bediening daarvan gaat door. Christus zal niet zonder onderdanen zijn. Maar het voornaamste is als ook wij mogen weten daar een onderdaan van te zijn. Dat we door het levend geloof aan Hem verbonden zijn en door waarachtige wedergeboorte en bekering ingelijfd in dat verbond.

De bediening is rijk. Groot is het voorrecht daaronder te mogen leven. Maar dat alleen zal ons niet baten. Want ook Absalom was een kind des verbonds in dit opzicht, uitwendig gezien. Hij was een jongen die besneden was ten achtsten dage.

God had al naar hem gevraagd voor hij zich iets bewust was. Maar hij heeft het van zich geworpen.

Maar bij Salomo lag zijn hoop en verwachting in wat bij de Heere te verkrijgen was om niet.

 

Ook David vindt er zijn rust in voor zijn hart. Alles getuigt tegen hem. Van zijn huis is niets goeds te zeggen. Maar nochtans geeft hij God de eer, de lof en de dank.

‘Hij heeft mij....’ O, dat wonder! Dat heeft hij niet klein kunnen krijgen. Nochtans heeft Hij mij een eeuwig verbond gesteld. Daar kan ik mij nu nooit meer uit zondigen. Op álles is gerekend. Daar is gerekend op de aanklacht van de wet. Er is gerekend op de aanklacht van satan en van het geweten. Op alles is gerekend. Dat verbond zal stand houden tot in eeuwigheid.

Het wordt bewaard. Satan kan het niet uitroeien. En het zal zijn voortgang hebben. Het staat op recht en waarheid pal, zoals wij samen zingen uit Psalm 111 vers 5 en 6:

 

’t Is trouw, al wat Hij ooit beval;

Het staat op recht en waarheid pal,

Als op onwrikb’re steunpilaren;

Hij is het Die verlossing zond

Aan al Zijn volk; Hij zal ’t verbond

Met hen in eeuwigheid bewaren.

 

Zijn Naam is heilig en geducht;

De vijand beeft op Zijn gerucht;

Maar ’s Heeren vrees zal altoos wezen

’t Begin der wijsheid; wien Gods hand

Die doet betrachten, heeft verstand;

Zijn Naam blijft eeuwiglijk geprezen.

 

Wij hebben gezien het hoewel van de ontdekking en het nochtans van het geloof. En daarmee verbonden is het voorzeker van de hoop, onze derde gedachte.

 

3. Het voorzeker van de hoop

 

Voorzeker is daarin al mijn heil en alle lust, hoewel Hij het nog niet doet uitspruiten. Daarin is Davids heil. Het woordje ‘heil’ betekent eigenlijk: zaligheid. Dat betekent: verlossing en redding. Het woordje ‘heil’ heeft te maken met de naam van de Heere Jezus: Hij Die zalig maakt. Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden. Daarin lag Davids heil. In Psalm 23 spreekt hij het uit: De Heere is mijn Herder, mij zal niets ontbreken. Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf die vertroosten mij.

Daarin lag Davids heil. Daarin lag zijn zaligheid gegrond. Daarop was zijn hoop gefundeerd. Dat was een vast fundament; vast gefundeerd in het werk van Christus. Het is voor ons nodig dat we iets weten van de vastheid van dat verbond, dat vastligt in het werk van Christus. Daarin ligt Davids heil.

Gelukkige David, die zo, voor de poorten van de eeuwigheid, mag weten: ‘Niet mijn werk, maar Christus’ werk heeft voor God de volle geldigheid. En daar mag ik in delen!’

 

Gemeente, zouden we niet jaloers worden op dat heil? Dan zeggen we niet: ‘Ik heb zo lang gebeden, ik heb zo lang geworsteld.’ David zei ook niet: ‘Zie maar in Psalm 51, hoe ik mijn zonden beleden heb.’

Het is allemaal waar. Het zijn tekenen van genade, tekenen van leven. Maar David kon er niet mee voor God verschijnen. Hij had een Borg nodig. Het is nodig te weten een bondeling te zijn van dat verbond, dat vast is in Christus. Daar moet ons hart naar uitgaan, om te mogen weten geborgen te zijn bij God in Christus.

Wij leven onder de bediening van dat verbond. Wij dragen het teken van dat verbond aan ons voorhoofd. Maar het komt aan op de betekende zaak. We moeten gedoopt zijn in Christus, in Hem geworteld, gegrond en gefundeerd. Daarin ligt het heil en de zaligheid. Dan zegt David ook: Wie heb ik nevens U in de hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde (Ps.73:25).

 

Alle aardse zekerheden ontvallen ons. Onze jeugd, onze kracht, onze rijkdom, onze gezondheid… alles ontvalt ons. We moeten alles achterlaten. Maar wie, zoals David, door het geloof mag weten in Christus geborgen te zijn, die heeft een toekomst voor de eeuwigheid. En wat baat het een mens, al zou hij de gehele wereld gewinnen, als hij schade zou lijden aan zijn ziel?

 

Gemeente, dat is geen sombere zaak voor David. Integendeel. Hij zegt: ‘Daarin is al mijn lust. Daar heb ik nu vermaak in, dat heeft de liefde van mijn hart.’ Daarin ligt niet alleen zijn zaligheid, daarin ligt ook al zijn lust, al zijn vermaak. Dat vermaak van het geloof is een wonderlijk vermaak, dat neemt het gehele hart in. De schik van de wereld en het genoegen van deze aarde vallen daarbij in het niet. Daarin ligt mijn lust. De dienst van God, Zijn geboden en Zijn dag, stel ik ver boven alles wat de wereld biedt. Het is geen treurige dienst!

Jongens en meisjes, ik mag je de dienst van God van harte aanbevelen. Daarin heeft David al zijn lust. Dan blijft er over voor David: ‘Ik zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheên.’ Alles wat van mij is blijft hier, wat van de Heere is gaat mee, want dat houdt eeuwig stand. Dat ligt vast in dat wélgeordineerd verbond. De Heere bewaart het nog. De Heere liet ons geboren worden op het erf van het verbond. Hij lijft nog Adamskinderen in, in dat verbond.

Zou u er geen zin in krijgen? Zou u geen zin krijgen in dat grote goed, dat nooit vergaat?

Waar heeft de mens van nature zijn lust in? Wat is uw hoogste vermaak? Waar denkt u het liefst aan? Waar bent u mee bezig, óók in Gods huis, óók op Gods dag? Geef er maar antwoord op tussen God en uw ziel. Maar Davids lust en vermaak liggen in de dienst van de Heere; van die God Die waard is geprezen en geëerd te worden. Daar ligt onze levensvervulling. Alles daarbuiten laat ons hart leeg en koud en dor.

 

Dat is de taal van een wijze bouwer, van wie de Heere Jezus zei dat hij zijn huis op een steenrots gebouwd had. Al komen dan windvlagen en stormen, al komen er geweldige watervloeden, dat huis houdt stand in eeuwigheid, het zal geen duimbreed wijken. Net zomin als het Woord van God.

 

Hoewel Hij het nog niet doet uitspruiten.

Daar bedoelt David mee: ‘Hoewel de volle openbaring daarvan nog komt.’ Dan wijst hij ongetwijfeld op Hem, Die als een Spruit komen zou, van Wie Jesaja geprofeteerd heeft: Te dien dage zal des Heeren Spruite zijn tot sieraad (Jes.4:2) en een Scheut uit zijn wortelen zal vrucht voortbrengen (Jes.11:1).

De verdienende Oorzaak moet nog komen. De uitbreiding zal nog plaatsvinden, van oost en west en noord en zuid. David heeft niet geweten hoe ver dat gaan zou, of op welke wijze dat gebeuren zou. Maar hij wist wel dat de volle ontplooiing daarvan nog komen moest.

Hij heeft óók geprofeteerd van het heil, aan de heidenen toegebracht. Hij heeft in die Christus alles mogen zien wat tot zijn zaligheid diende.

Hoewel Hij het nog niet doet uitspruiten. Hij moest nog komen.

 

David heeft op meer plaatsen van Hem geprofeteerd. Denk aan Psalm 72: En Hij zal heersen van de zee tot aan de zee, en van de rivier tot aan de einden der aarde (vers 8). En men zal gedurig voor Hem bidden; de ganse dag zal men Hem zegenen (vers 15).

Hij heeft geweten dat de meerdere Salomo komen zou, de Zoon van God. Van Hem heeft hij gezongen:

 

Nooddruftigen zal Hij verschonen;

Aan armen, uit genâ,

Zijn hulpe ter verlossing tonen;

Hij slaat hun zielen gâ.

 

Hoewel Hij het nog niet doet uitspruiten. Dat komt nog. Straks zal de volle werkelijkheid daarvan te zien zijn. De volle vervulling zal komen van het Rijk van Koning Jezus, in de eeuwige heerlijkheid. Dan is alles volmaakt. Dan is alles wat ten dele was, volkomen. Dan mag Gods Kerk de Heere dienen naar de lust van het hart. Dan zal dat nooit meer aangevochten worden.

David heeft hier reeds geweten: ‘Daarin ligt al mijn heil.’ Maar nu mag hij reeds eeuwen delen in dat heil dat nooit vergaat, en de volle ontplooiing daarvan genieten. Hier heeft hij daarin zijn lust en vermaak gehad, maar nu geniet hij ten volle en mag hij zich met een hemelse blijdschap verheugen in de God zijns heils.

Treuring en zuchting zijn voor David weggevloden en eeuwige vreugde is op zijn hoofd. De Heere houdt Zijn Woord. Zacharias heeft ervan gezongen: Gelijk Hij gesproken heeft door de mond Zijner heilige profeten, die van het begin der wereld geweest zijn; (…) Opdat Hij barmhartigheid deed aan onze vaderen, en gedachtig ware aan Zijn heilig verbond (Luk.1:70,72). Daar ziet ook Zacharias de vervulling. De Koning komt! De Middelaar wordt geboren! Hij sterft straks aan het kruis. Hij is tot een vloek geworden, opdat de zegeningen Abrahams ook tot de heidenen komen zouden.

 

Hoe diep heeft David zich leren verfoeien, toen hij zag wat God bereid heeft voor zo’n zondaar, en wie hij daartegenover was en bleef. De verwondering deed hem ootmoedig, diep bukken voor de Heere, maar deed hem ook vermelden van de daden des Heeren. Die God leeft nog. Onder de bediening van dat verbond, waarvan David in de zegeningen mocht delen, leven we allemaal. Haast u, om uws levens wil!

Jongens en meisjes, de Heere heeft je daar geplaatst, waar Hij Zijn Woord laat verkondigen. Hij heeft het aan je voorhoofd laten verzegelen dat er bij God genade is. Dat niemand te ver bij de Heere vandaan is. Dat Hij zondaren nodigt en dat Hij met Adamskinderen te doen wil hebben.

 

Dan is David wel een liefelijke in psalmen, maar van zijn eigen leven moet hij ook zeggen: ‘Alles getuigt tegen mij!’ Dat is niet ter navolging, maar tot waarschuwing. En het heeft de Heere niet verhinderd om trouw te zijn tegenover Davids ontrouw. De zaligheid ligt vast in een Ander.

Daarom kan het ook vandaag nog voor zondaren en zondaressen. Ze worden genodigd tot de Fontein Die geopend is tegen de zonde en tegen de onreinheid. Die genade wordt u nog gepredikt. De Heere strekt Zijn handen nog uit. Hij laat u en jullie nog bidden. Hoe kan Hij lager afdalen! U kunt nooit zeggen: ‘Die goederen waren niet voor mij.’ Ze zijn u aangeboden in het evangelie. De zegeningen van het verbond worden u verkondigd. De Heere laat u nog smeken: Wij bidden van Christuswege: Laat u met God verzoenen (2 Kor.5:20).

 

Maar wat zal het erg zijn als we de zegeningen van dat verbond door ons ongeloof verre van ons houden. Dan zijn we als doornen die weggeworpen worden en als ranken die geen vruchten dragen. Dan worden we afgehouwen en in het vuur geworpen. Daarom, haast u om uws levens wil! Zoek de Heere en leef!

 

Als u de Heere mag kennen en vrezen, maak uw roeping en verkiezing vast, om in dat verbond geworteld te zijn door het ware geloof. Om te mogen weten in Wie u geloofd hebt. Het kleinste is groot. Het toevluchtnemend geloof wordt niet beschaamd. Maar om getroost te leven is het een groot voorrecht om in de zekerheid van dat verbond ingeleid te zijn.

Er zijn nog zoveel zegeningen en schatten van dat verbond die ongebruikt blijven liggen, omdat er zo weinig geloofskennis en geloofsvertrouwen is en omdat we nog in zoveel andere dingen onze lust hebben. Misschien wel in onze tranen. Misschien wel in onze belijdenis.

Maar David heeft zijn lust gevonden in Wie God was in Christus voor een zondaar. Hij heeft zijn lust gevonden in het werk van Christus. Hij heeft zijn vermaak gevonden in het werk van God, dat hij bewonderde in de tijd en dat hij bewondert en bewonderen zal tot in der eeuwigheid.

Zijn vermaak was in Hem, de Middelaar Gods en der mensen. In Hém ligt de zekerheid. Want in Hem geborgen, betekent in dat verbond opgenomen, dat van geen wankelen of wijken weet. De Heere zal het bevestigen, dat Hij getrouw is en blijft tot in der eeuwigheid. Hij laat niet varen het werk Zijner handen.

De Heere zegt: ‘Hetgeen uit Mijn lippen ging blijft vast en onverbroken.’

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 72:9

 

De stedelingen zullen bloeien,

Gelijk het malse kruid;

Zijn Naam en roem zal eeuwig groeien.

Ook zal, eeuw in, eeuw uit,

Het nageslacht Zijn grootheid zingen,

Zolang het zonlicht schijn’;

Hun zal een schat van zegeningen,

In Hem, ten erfdeel zijn.