Ds. M. Golverdingen - Psalmen 84 : 4

Het wonen bij Gods altaren

Psalmen 84
Heilige jaloezie
Opmerkelijk onderwijs
Gelovige aanbidding
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie 'Een zaaier ging uit...' (deel 22)

Psalmen 84 : 4

Psalmen 84
4
Zelfs vindt de mus een huis, en de zwaluw een nest voor zich, waar zij haar jongen legt, bij Uw altaren, HEERE der heirscharen, mijn Koning, en mijn God!

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 43: 3, 4
Lezen : Psalm 84
Zingen : Psalm 84: 1, 2, 6
Zingen : Psalm 146: 4, 6
Zingen : Psalm 68: 10

Gemeente, Psalm 84 is een pelgrimslied. Uit de inhoud van de psalm wordt ons in voldoende mate duidelijk, dat de dichter met een aantal pelgrims op weg is naar het heiligdom in Jeruzalem. Wellicht is dat geweest ter gelegenheid van het Loofhuttenfeest, dat elk najaar werd gevierd.

Dan daalde immers de regen, de eerste herfstregen, overvloedig neer. We vinden daar een zinspeling op in het zevende vers: Ook zal de regen hen gans rijkelijk overdekken.

Het is ook duidelijk, als wij deze psalm lezen, dat deze pelgrims geen vreemdelingen zijn in Jeruzalem. Ze zijn eerder in Sion geweest. Ze weten wat er in Sion te vinden is: het huis des Heeren! Zelf leven ze in een omgeving waar de vreze des Heeren schaars is.

Er waren gebieden in Israël, vaak bij of net even over de grens, waar Joden woonden te midden van veel heidenen die soms het maatschappelijk leven beheersten. Daarom zegt de dichter dat hij verkeert in de tenten der goddelozen.

Verkeren in de tenten der goddeloosheid, betekent voor een Israëliet: leven in een maatschappelijk bestel waarin de heilzame geboden des Heeren niet in acht worden genomen en de praktijk van de vreze des Heeren ontbreekt. Het is een leven buiten God om.

We kunnen ons zo voorstellen, dat de heidense mensen in die gebieden de dichter hebben uitgenodigd om nadere contacten op te bouwen. Ze zijn allerlei gesprekken aangegaan. In het alledaagse maatschappelijk verkeer verliepen die contacten ook wel goed, maar dergelijke gesprekken konden het hart van de dichter niet bevredigen. De Heere werd erin gemist!

 

Op een gegeven dag bezet de Heilige Geest deze dichter weer met een verlangen, een sterke begeerte, om de gemeenschap des Heeren te mogen ervaren, die immers meer sterkt dan de uitgezochtste spijze.

Daarom heeft hij er, terwijl het najaar ophanden is en de regens zullen gaan vallen, een lange en moeilijke reis voor over om Jeruzalem te bereiken. Hij ziet er naar uit om de Heere te mogen ontmoeten in Zijn huis, in de weg van Zijn inzettingen.

Terwijl hij op reis is, gaan zijn gedachten hem al vooruit. Hij is met zijn geest al in Jeruzalem en in de tempel. Dan doortrekt hem een sterk en een diep geestelijk verlangen. Het is een geestelijk heimwee, zoals dat vertolkt wordt in het derde vers: Mijn ziel is begerig, en bezwijkt ook van verlangen, naar de voorhoven des Heeren; mijn hart en mijn vlees roepen uit tot de levende God.

Bij het smachtende verlangen van deze dichter willen wij thans, met de hulp des Heeren, nader stilstaan. U vindt de tekst in Psalm 84 en daarvan het vierde vers:

 

Zelfs vindt de mus een huis, en de zwaluw een nest voor zich, waar zij haar jongen legt, bij Uw altaren, Heere der heerscharen, mijn Koning en mijn God!

 

Gemeente, wij staan stil bij: Het wonen bij Gods altaren.

 

1. Heilige jaloezie

2. Opmerkelijk onderwijs

3. Gelovige aanbidding

 

Het wonen bij Gods altaren bepaalt ons eerst bij heilige jaloezie: Zelfs vindt de mus een huis, en de zwaluw een nest voor zich, bij Uw altaren. Vervolgens geeft de tekst ons opmerkelijk onderwijs: Een nest voor zich, waar zij haar jongen legt, bij Uw altaren. En tenslotte spreekt dit woord over gelovige aanbidding: Heere der heerscharen, mijn Koning en mijn God.

 

1. Heilige jaloezie

 

Terwijl de dichter-pelgrim steeds meer de stad Jeruzalem nadert, wordt zijn hart met een heilig heimwee bevangen. Eigenlijk is hij al in de tempel. Hij ziet de twee altaren staan, die daar de centrale plaats innemen. Eén staat er in het voorhof: het grote brandofferaltaar, waarbij dag in dag uit een onophoudelijke stroom dieren wordt geslacht en geofferd. Het andere bevindt zich in het heilige: het reukaltaar, waarop dagelijks het reukoffer wordt gebracht.

 

Terwijl hij zich als het ware reeds in de tempelgebouwen bevindt, wordt zijn aandacht gevestigd op al die kleine vogeltjes die in dat geweldige tempelcomplex in- en uitvliegen.

Ze vliegen daar maar rond in het heiligdom. Ze hebben er nestjes. Ze hebben daar hun huis. Ze broeden hun jongen uit bij de altaren Gods.

Dat wil natuurlijk niet zeggen, gemeente, dat die nestjes ergens aan het brandofferaltaar of ergens aan het reukaltaar hebben gezeten. Dat zou, om nu maar bij het brandofferaltaar te blijven, eenvoudig onmogelijk zijn geweest vanwege de voortdurende rook- en vuurontwikkeling en het voortdurende komen van priesters en mensen met offerdieren. Nee, deze kleine, hulpeloze vogeltjes, hebben in de onmiddellijke nabijheid van de tempel, tegen de balken van het complex, vlak bij het altaar, een veilig onderkomen gevonden.

Eigenlijk zijn ze, zonder dat ze zich dat bewust zijn, geborgen in een veilige schuilplaats in de nabijheid Gods. De ogen des Heeren doorlopen de ganse aarde. Maar wij weten uit het Oude Testament dat Hij onder die bedeling in het bijzonder wilde wonen in de tempel, die Hij daartoe had ingesteld. Zijn heilige tegenwoordigheid werd in het bijzonder ervaren bij de altaren en de ark van God. Daar wilde de Heere arme zondaren ontmoeten om hen te verkwikken met de uitlatingen van Zijn gunst en Zijn tegenwoordigheid.

Als de pelgrim uit Psalm 84 tijdens zijn moeilijke tocht naar Jeruzalem aan die altaren denkt, ziet hij die vogeltjes vliegen. Bij dat gezicht voegt zich een heilig heimwee. U hoort het in de tekst: Zelfs vindt de mus een huis en de zwaluw een nest... bij Uw altaren.

Die vogeltjes vliegen in en uit het heiligdom. Ze verzorgen hun jongen, zo gezegd, in de onmiddellijke tegenwoordigheid des Heeren. Die vogeltjes zijn altijd in de nabijheid Gods. Ze zijn er veel dichter bij dan de pelgrim dat bij zichzelf waarneemt. We horen het hem zeggen: ‘Was ik maar zo’n mus; was ik dan maar een zwaluw.’

 

Wie van Gods kinderen zal niet iets van die heilige jaloezie verstaan? Er kunnen immers zoveel tijden in ons leven zijn, dat we door allerlei omstandigheden ver van het huis des Heeren af zijn. Dan wordt de gemeenschap met de Heere lange tijd niet geproefd en gesmaakt.

Wat kunnen we niet door onze zonden een magerheid over onze ziel halen na ontvangen geestelijk leven. Wat kan de zonde een scheiding maken tussen God en ons hart. Dan is het voor de waarneming van ons hart alsof we verder bij de Heere vandaan zijn dan ooit tevoren.

Als de Heilige Geest dan komt en ons bij de oorzaak brengt, verbreekt Hij ons hart. Hij vertedert ons. We mogen terugkeren naar de Heere met belijdenis van onze zonden en met smeking en met geween. Tegelijkertijd schenkt de Geest van Christus ons dan ook een innerlijke verlevendiging.

Dan geeft de Heilige Geest ook een verlangen naar nieuwe uitlatingen van de gemeenschap en de gunst Gods. Dan zucht zo’n reiziger naar Sion als het ware: ‘Wat hebben die vogeltjes in het heiligdom het goed! Die bevinden zich in dat warme, veilige, beschermde nest bij de altaren, bij Uw altaren. Heere, zou ik daar ook weer mogen komen? Och, wierd ik derwaarts weer geleid.’

 

Zelfs vindt de mus een huis… Zelfs! Dat ene woordje, gemeente, bevat een wereld van gedachten. Zelfs de mus; die ook! Zelfs de zwaluw; die ook nog! Er is een jaloezie in het hart van de pelgrim op deze vogeltjes. Als de Heere ons nieuw leven schenkt, is een dergelijke heilige jaloezie iets wat de eerste stap op de weg der genade vergezelt.

Wie door de Heilige Geest werkelijk aan zichzelf wordt ontdekt, kan momenten meemaken dat hij of zij op de mussen en op de zwaluwen jaloers wordt. Dan zeggen we: ‘O, wat ben ik toch een ellendig schepsel. Wat heb ik toch een schuld op me geladen door mijn zonden, door mijn ongerechtigheid en mijn ongeloof. Die vogeltjes die daar vliegen die zijn véél en véél gelukkiger dan ik. Die hoeven niet voor God te verschijnen. Ze hebben geen ziel te verliezen voor de eeuwigheid. Ze maken de schuld niet elke dag groter. Ze behoeven zich niet weg te schamen en te verbergen voor Gods aangezicht vanwege hun zonden. Die beestjes bezingen nog de lof van hun Schepper. Maar ik… ik heb zo tot oneer van de Heere geleefd. En ik loop maar te zuchten en te klagen.’

Misschien zijn er wel zulke mensen hier in de kerk, die momenten meemaken dat ze dieren en vogels gelukkiger kunnen achten dan zichzelf. Dan is het: voor God moeten verschijnen en niet kunnen. Dan is het: de levende God ontmoeten en niet weten hoe we voor Hem moeten bestaan.

Is dat de toestand van uw hart? Hoor dan eens naar het woord van Christus: Aanziet de vogelen des hemels, dat zij niet zaaien noch maaien, noch verzamelen in de schuren, en uw hemelse Vader voedt nochtans dezelve; gaat gij dezelve niet zeer veel te boven? (Matth.6:26). Gij... ja, u ook. U gaat de mussen en de zwaluwen ver te boven. U hebt een onsterfelijke ziel. U bent eenmaal naar Gods beeld geschapen. U hebt een eeuwigheidsbestemming.

Nu laat God de Heere toe dat in Zijn heiligdom, bij Zijn altaren, die kleine vogels nesten maken. Als de Heere nu die vogeltjes in Zijn heiligdom laat wonen, zou Hij dan naar zo’n arme tobber als u bent niet willen horen? Zou Hij dan op het gebed van zo’n mens in geestelijke nood, die tót God óm God roept, geen verhoring willen schenken?

Zou Hij dan zo’n mens niet willen ontvangen met al zijn zonden en ongerechtigheid? Hoor, Hij spoort u zelfs aan om aan te houden in het zoeken van Hem. Hoor, Hij betuigt het uzelf: Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden. Want een iegelijk die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden (Matth.7:7-8).

 

‘Ja,’ zegt iemand, ‘dat staat wel in het Woord, maar dat is niet voor mij. Voor mij kan dat niet, want ik heb te lang gezondigd. Ik ben te zeer, tegen beter weten in, tegen Gods geboden ingegaan. Ik heb zoveel ongerechtigheid op mij gestapeld. Ik ben het niet waard dat de Heere nog ooit naar mij omziet.’

 

Laten we de tekst nóg eens lezen. Eigenlijk staat er: ‘Zelfs vindt ‘het vogeltje’ een huis.’ De Statenvertalers hebben terecht dit oorspronkelijke woord, dat een aanduiding is van een onbetekenend vogeltje, weergegeven met ‘mus’. Zo’n mus is immers niet meer dan de straatjongen onder de vogels. Een verenpak om mee te pronken heeft hij niet. Een stem om mee te zingen heeft hij al evenmin. Hij tsjilpt maar wat en daarmee is het afgelopen. Niemand van ons piekert er over om een mus in de volière te zetten. Daar zet je wel een parkiet of een ander zangvogeltje in, maar toch geen mus?

 

Maar de zwaluw dan, die in de tekst wordt genoemd? De zwaluw, dat is waar, kan wel sierlijke lijnen trekken langs de avondhemel. Die zwaluw kan ook een fraai nest bouwen onder een dakgoot of onder een overstek. De psalm spreekt over een ‘kunstig nest’.

Als u echter op een boerderij met brede overstekken bent opgegroeid, of in een huis woont met brede dakgoten, dan weet u wel dat je op een gegeven moment al gauw te veel van die nesten kunt hebben. Die zwaluwen kunnen de boel behoorlijk bevuilen.

Dan komt de boer of de bewoner van het huis. Die pakt de ragebol – zo ging het in mijn jeugd althans – en stoot de zwaluwnesten, die er teveel zitten, naar beneden. Zwaluwen worden als vervuilend en lastig ervaren. En hoe is het met het zingen? Dat doet de zwaluw eigenlijk ook niet! U vindt het in het danklied van Hizkia: Gelijk een kraan of zwaluw, alzo piepte ik (Jes.38:14). Een zwaluw piept. Zingen doet hij eigenlijk niet.

 

Welnu, gemeente, zulke onooglijke, waardeloze, soms uiterst lastige vogeltjes krijgen een plaats in het huis van God. Nu krijgt dat woordje ‘zelfs’ aan het begin van de tekst een volle diepte. Nu verstaan we wat dat woordje ‘zelfs’ in de mond van deze man betekent: ‘Heere, ik ben nog minder dan die vogeltjes! Zou ik nu als een onwaardige nog een plaats in Uw huis mogen ontvangen? Zou U nog naar mij willen omzien? Zou ik Uw gemeenschap mogen ervaren? Heere, als die vogeltjes een plaats hebben, dan zou het toch voor zo één als ik ben toch ook nog kunnen?’

Kom, aangevochtenen en bestredenen van hart, schep moed uit dit Bijbelwoord! Als zulke nietige en verachte vogeltjes bij de Heere een plaats ontvangen bij Zijn altaren, zou Hij dan Zich niet over u ontfermen? Zou Hij dan niet een antwoord geven op uw gebed om bekering en ontferming?

Als u uzelf soms dagelijks bij de Heere aanklaagt; als u uzelf veroordeelt en toch de Heere, Die u mist, niet missen kunt, zou Zijn antwoord dan uitblijven? Zou Hij dan wel de mussen en de zwaluwen een plaats geven in Zijn huis en in Zijn gemeenschap, en u niet? Houdt aan, grijpt moed! Zelfs vindt de mus een huis, en de zwaluw een nest voor zich... bij Uw altaren.

 

Eigenlijk breekt de oorspronkelijke tekst een moment af, van verwondering. De zin loopt niet helemaal door. Bij Uw altaren. Daar valt de nadruk op. Waarom? Gemeente, de altaren vormen het geestelijke middelpunt van het heiligdom des Heeren. Daar worden immers de offers gebracht. Daar stroomt het bloed der dieren, dat heen wijst naar het bloed van de verzoening van Christus. Dat gebeurt elke dag. Dat gebeurt telkens weer opnieuw! Daar stijgt ook de wierookgeur van het reukaltaar elke dag omhoog,

Die wierook wijst heen naar de gebeden die ten hemel klimmen. O daar, in dat heiligdom, bij de altaren, daar getuigde alles, alles van het ene offer, dat Jezus Christus eenmaal brengen zou op Golgotha, voor Zijn kerk van alle tijden. Bij Uw altaren. Die woorden getuigen van het lijden en sterven van de Borg, Die op Golgotha heeft geroepen: Het is volbracht (Joh.19:30).

 

Die altaren spreken van onverdiende genade voor mensen die de dood hebben verdiend. Die altaren getuigen van verzoening met een heilig en rechtvaardig God, Die met u en met mij geen gemeenschap kan hebben. Ze prediken de volkomen vergeving van zondaren, zodat de Heere van hen getuigt: Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin, en er is geen gebrek aan u (Hoogl.4:7).

De wierookgeur van de voorbede van de priesters voor het volk, herinnert die niet aan Christus’ voorbede voor ellendigen? Heeft Paulus dat niet gezien als hij zijn zegelied besluit met de woorden: Die ook voor ons bidt (Rom.8:34)? De voorbede van de Zaligmaker gaat altijd op voor het aangezicht van de Vader.

Het is een voorbede die opgaat, óók als een kind van God niet meer bidden en zuchten kan. Een voorbede die blijft opgaan, zolang er een strijdende Kerk hier op deze aarde is.

 

Gemeente, deze pelgrim heeft het gezien, terwijl hij nog op weg is naar de tempel:

Daar – bij Gods altaren – wordt het heilgeheim van zalig worden in de Heere Jezus Christus verstaan. Daar strekt zijn hart zich al lopend naar uit: Mijn hart en mijn vlees roepen uit tot de levende God (vers 3).

O, dat altaar der verzoening is de diepste reden van zijn verlangen, en de diepste reden van de heilige jaloezie op die kleine vogeltjes, Zijn ziel hongert en dorst naar Christus en naar Zijn gerechtigheid.

Doen wij dat ook, gemeente? Kennen wij daar ook iets van? Jonge mensen, kennen jullie ook een dergelijk verlangen? Lopen wij ook wel eens door de straten van onze stad of ons dorp heen met een zodanig verlangen in ons hart naar Christus? Is dat wel eens gebeurd? U moet maar denken: Psalm 84 is geschreven voor alle tijden. In de Schrift staat alles wat de Heere in het leven van zondaren doet om hen te redden, tot op de dag van vandaag. Deze psalm uit het verleden is er voor het heden. Daar worden de gangen die God met Zijn volk houdt, in verklaard.

Dan zijn de omstandigheden vandaag wel heel verschillend. Het tijdsbestel is anders. De maatschappij is anders. Dat is allemaal waar, maar hier kunt u lezen in de Schrift hoe de Heere werkt en handelt ten aanzien van de Zijnen, door de tijden heen.

 

De tekst spitst zich toe op ons hart. Weten wij iets van dit verlangen van het geloof? Hebben wij er nu iets van geleerd? Dan is er een moment gekomen dat er midden in uw zielsellende straaltjes licht begonnen te vallen op die ene Naam, die onder de hemel gegeven is tot zaligheid.

Dan hebt u die Naam al vele jaren gehoord, maar u hebt Hem nooit verstaan. Maar nu, nu begint er licht te vallen op Hem, op Zijn Persoon, op Zijn werk. Soms gebeurt dat van de ene zondag op de andere; van de ene leespreek op de andere; van het ene hoofdstuk uit het Woord, dat u aan tafel thuis leest, op het andere; van de ene prediking op de andere prediking.

Steeds valt er enig licht, tot uw verwondering, op die weg ter ontkoming. Soms zit u met tranen in de bank bij het zien van die enige weg des behouds, die God u uit het Woord begint te openbaren in Christus. Dan wordt ons hart in beslag genomen door Zijn spreken. Dan komen er dagen in ons leven dat ons hart vervuld wordt met het verlangen naar Christus en naar Zijn gerechtigheid.

Die behoren tot de beste dagen die de Kerk hier op deze aarde heeft. Een hart te hebben dat verlangt naar Christus en Zijn gerechtigheid.

 

O, wat gaan we dan veel in Hem zien! Dan gaan we alles in Hem zien! Dan zien we dat Hij zo’n gepaste Zaligmaker is voor zo’n vuile zondaar als ik ben. Dan zien we dat Hij zo’n noodzakelijke Zaligmaker is, want ik kan voor God niet bestaan. Wat krijgt Hij een waarde; wat wordt Hij dierbaar voor zo’n diep schuldige zondaar of zondares.

Dan verheffen wij Hem boven iedereen en alles. Wat wordt Hij onmisbaar. Door dat onderwijs maakt de Heere onze tong los: Gij zijt veel schoner dan de mensenkinderen; genade is uitgestort in Uw lippen (Ps.45:3).

Gemeente, de Heilige Geest neemt het altijd uit Christus en Hij verkondigt het in een zondaarshart, zodat die lieve Borg gestalte voor u en mij begint aan te nemen.

Dan beginnen we deze pelgrim in zijn verlangen te verstaan. Omdat het offer van Jezus Christus in het heiligdom voortdurend wordt afgeschaduwd, omdat Hij daar in het bijzonder Zijn tegenwoordigheid te ervaren geeft, begeert de dichter met de mussen en de zwaluwen bij de altaren te mogen verkeren. En in dit verband geeft de dichter ons:

 

2. Opmerkelijk onderwijs

 

Zelfs vindt de mus een huis, en de zwaluw een nest voor zich, waar zij haar jongen legt, bij Uw altaren. Ziet u die nestjes zitten van zo’n zwaluw in het heiligdom, daar bij die balken en onder de daklijsten van de tempelgebouwen?

Niemand haalt het in zijn hoofd om op die plaats die vogeltjes weg te jagen. In alle rust legt die zwaluw zijn jongen in het kunstig nest, bij Gods altaren. Wat een nestwarmte, wat een rust, wat een veiligheid, wat een bescherming!

 

Maar, gemeente, als nu die mussen en die zwaluwen onbewust rust en warmte en bescherming zoeken bij Gods heiligdom voor hun jongen, zullen wij het dan niet met bewustheid doen voor de kinderen die God ons heeft toevertrouwd? U voedt uw kinderen toch niet op voor de onrust en de onvrede, de onveiligheid en de kilte van een wereld zonder vreze des Heeren? Brengen wij onze kinderen nog wel eens bij de Heere?

Ga nu eens na in uw eigen leven hoe lang het nu geleden is dat u met uw kinderen, die God u gaf, bij de Heere kwam? Hoe lang is het geleden, dat u voor uw man of vrouw, voor uw familieleden, uw vrienden of vriendinnen Gods aangezicht zocht in de binnenkamer? Sta er eens bij stil. Ga er niet aan voorbij.

Waar zullen wij onze kinderen nu anders brengen, dan bij Hem Die het gezegd heeft: Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert ze niet; want derzulken is het Koninkrijk Gods (Mark.10:14).

 

Gemeente, de inhoud van onze tekst wordt ons toch ook altijd op een zichtbare wijze onderwezen? Als in het midden van de gemeente de Heilige Doop aan de kinderen mag worden bediend, dan wordt in die doop bevestigd dat God doorgaat met Zijn werk in de lijn der geslachten.

Dan getuigt de Heere in de doopsbediening dat Hij nog wil wonen bij gevallen Adamskinderen, die van nature een boos hart omdragen. Hoe predikt de doop dat Hij nog bemoeienis maakt met ons, die kinderen des toorns zijn en soms de vijandschap tegen vrije genade, terwijl we in de kerk zitten, in ons hart voelen oprijzen? De Heere doet zulke zondaren nog bij Zich wonen, door het wonder van de wedergeboorte; door het wonder van de onweerstaanbare genade Gods; door de grondeloze barmhartigheid Gods in Christus.

 

Die gemeenschap van de Heere met zo’n gevallen mens; dat samengaan van God met een verloren kind van Adam, is alleen mogelijk vanwege Zijn altaren.

Sedert de Heere Jezus hét offer op Golgotha heeft gebracht, behoeft er geen zichtbaar altaar meer in onze kerken te staan. Het rooms-katholieke denken berust op een fundamentele vergissing. Het altaar is nu volstrekt overbodig geworden, want met één offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen die geheiligd worden (Hebr.10:14). Elk altaar is nu overbodig geworden, maar de bediening der verzoening op deze aarde gaat nog altijd door.

De Heere Jezus heeft aan Zijn knechten de bediening der verzoening gegeven, zoals Paulus zegt. God Zelf bevestigt dat woord der verzoening, door de prediking van Zijn Woord en door de bediening van de sacramenten in het midden van u.

Zegt Hij het niet in het uur van de doop tegen u allen: Ik heb niet in het verborgene gesproken, in een donkere plaats der aarde; Ik heb tot het zaad van Jakob niet gezegd: Zoekt Mij tevergeefs (Jes.45:19).

Ouders, mogen wij vanuit de tekst de vraag nog eens aan uw hart leggen: waar brengen wij nu onze kinderen? Brengen wij ze in een klimaat waarin ze werelds leren denken en werelds leren leven? Of mag u ze brengen, op de vleugels van het gebed, bij de altaren Gods?

‘Ja,’ zegt u, ‘maar God moet ze bekeren.’ Dat is waar, gemeente. Er moet in ons aller leven een wonder van genade geschieden en dat is het werk van de Geest van Christus.

Maar daarom juist heeft de Heere Jezus van dit wondere werk der bekering getuigd met een heilige eed: Voorwaar, voorwaar, zeg Ik u: De ure komt, en is nu, wanneer de doden – de doden! – zullen horen de stem van de Zoon van God, en die ze gehoord hebben, zullen leven (Joh.5:25). In die bedeling leven we nu. Vandaag doet God zulke dingen!

 

Maar al is dat het werk van God in Christus, dat sluit onze roeping niet uit, gemeente, om onze kinderen neer te leggen, biddend neer te leggen, in Zijn huis, bij Gods altaren. We worden geroepen om ze voortdurend aan de Heere op te dragen.

Want vrije genade, soevereine genade, wordt altijd in de weg der middelen verheerlijkt. En we zorgen toch niet minder voor onze kinderen dan die mussen en die zwaluwen die daar bij de daklijsten en de balken van de tempel, in de nestjes daar boven de altaren, hun jongen koesteren, in warmte, rust en veiligheid?

De verantwoordelijkheid voor onze kinderen houdt niet op als ze ouder worden; ze is zelfs nog niet verdwenen als we kinderen hebben die al veertig jaar zijn geworden. Ze houdt niet op als kinderen de wereld zijn ingegaan. Ze houdt zelfs niet op als kinderen ons zo op het vader- of moederhart hebben getrapt.

Ze houdt niet op als zij zich soms zo vijandig betonen tegenover de waarheid van het Woord. Nooit, nooit kan er iets worden afgedaan van onze verantwoordelijkheid voor God, die ons de kinderen heeft toebetrouwd als een erfdeel des Heeren.

Als u iets van uw ouders erft, heeft dat soms materiële waarde, soms alleen maar gevoelswaarde, maar het heeft altijd waarde. De Heere geeft de gehuwden, als zij de kinderzegen mogen ontvangen, een erfenis: Ziet, de kinderen zijn een erfdeel des Heeren (Ps.127:3).

Zou deze erfenis geen waarde hebben? Zouden we niet geroepen worden om die erfenis met zorg te beheren? Wat is het toch noodzakelijk dat dit alles ook door ons wordt verstaan en ons hart raakt! Wat is het nodig dat deze erfenis ons innerlijk in beweging zet.

 

O, hoe onmisbaar is daartoe het ontdekkende werk van de Heilige Geest in ons leven. Gemeente, worden we dan niet schuldig gesteld? En dan begin ik maar bij mezelf. Hoe worden we schuldig gesteld als vader en als moeder, hoe worden we dan schuldig gesteld als opvoeders, als ambtsdragers, als kerkgangers.

We worden als totale mens schuldig gesteld, want we staan voor de eis van Gods heilige wet, ook ten aanzien van de opvoeding van onze kinderen. Dan kunnen we niet anders meer bidden dan: ‘Heere, verzoen de zware schuld, die mij met schrik vervult!’

Dan verstaan we het met ons hart – het is geen praatje, het is geen beschouwing – dat er alleen rust, dat er alleen warmte, dat er alleen veiligheid is voor onszelf en voor onze kinderen bij de Heere! Dan leven we in dat er buiten Christus alleen een eeuwig omkomen is, een eeuwige nacht vol verschrikking. Wat wordt onze nood dan groot, gemeente. Wat spitsen de dingen zich toe in uw leven. Laat ik het eens zo mogen zeggen: het wordt behouden worden of voor eeuwig verloren gaan. Het is deel aan Christus mogen ontvangen of wegzinken in een ontzettende rampzaligheid.

Wat gaan we dan diep bukken voor die hoge God! Wat gaan we dan onze onwaardigheid uitzeggen voor Zijn aangezicht, terwijl we niet kunnen ophouden te bedelen om genade. ‘Ik liet niet af om hart en oog, op te heffen naar omhoog.’

Wat is het wonder dan groot, gemeente, als we dan Gods altaren mogen zien door het geloof, zoals die dichter ze zag, terwijl hij nog niet in de tempel was. Hij zag ze als vanuit de verte! Wat wordt het groot als de Heere ons die altaren aanwijst en Hij ons Zelf het offer verklaart: ‘Als Hij het bloed zal zien... zo zal de Heere de deur voorbijgaan.’

Dat is het eeuwige, onbegrijpelijke wonder van ontferming: ‘Als Ik het bloed zien zal, dan ga Ik aan u voorbij.’ Dan mogen we blikken in de grondeloze diepte van Gods barmhartigheid. De Heere bewijst mij genade op grond van recht.

 

Gemeente, wat vervult dan het verlangen ons hart, om bij die altaren Gods te mogen wonen. O, dan wordt God, in Christus, de Hoogste in ons leven. Dan geeft de Heere een nieuw lied in onze mond. Dat zingen wij nu, met Psalm 146 vers 4 en 6:

 

‘t Is de Heer’, wiens alvermogen,

‘t Groot heelal heeft voortgebracht,

Die genadig uit den hogen

Ziet, wie op Zijn bijstand wacht,

En aan elk, die Hem verbeidt,

Trouwe houdt in eeuwigheid.

 

‘t Is de Heer’, wiens mededogen

Blinden schenkt het lieflijk licht;

Wie in ‘t stof lag neergebogen,

Wordt door Hem weer opgericht;

God, die lust in waarheid heeft,

Mint hem die rechtvaardig leeft.

 

Bij Uw altaren! Gemeente, als daar ons gezicht op gevestigd wordt, krijgen wij zulke hoge, goede gedachten van de Heere. Heilige gedachten over Hem vervullen de ziel. Maar dan kunnen we het ook niet meer nalaten om onze kinderen neer te leggen voor het aangezicht des Heeren in de weg van een gedurig gebed.

Dat wordt een heilige vanzelfsheid. Zijn toezegging is en wordt onze enige pleitgrond. In onszelf is er geen reden waarom de Heere ons zou kunnen aanzien. Daarvan hebben we iets mogen leren. In onze kinderen is ook geen reden te vinden, want ze zijn met ons van dezelfde lap gescheurd.

 

Eén grond blijft er in het gebed over om onze kinderen neer te leggen voor Zijn aangezicht. Deze grond: Hij gedenkt Zijn verbond tot in der eeuwigheid; het woord dat Hij ingesteld heeft tot in duizend geslachten (Ps.105:8).

In die weg mogen we de Heere manen op Zijn eigen Woord. En ons hart zegt: ‘Heere, dan kan het nog; dan kan het nog voor die jongen van mij, die zo dwars en zo lastig is, voor dat meisje van mij dat haar eigen gang gaat en wegen kiest, die van U afleiden. Het kan nog voor hem, voor haar, want U gedenkt aan Uw verbond, tot in duizend geslachten. Dan zou mijn kind er ook nog bij kunnen, Heere. O, zou U het willen doen; zou U Zich over de mijnen willen ontfermen?’ Dan is het: ‘Heere, U laat U toch in met die zwaluwen en met die mussen? Och, laat U dan ook met mijn kinderen in. Wilt U ze nog aanzien in Christus? Zouden ze mogen wonen, Heere, bij Uw altaren?’

 

Gemeente, wat gaan we met de dichter de Heere prijzen, dat Hij Zich met zulke onwaardigen inlaat en wil omzien naar ouderen en jongeren die geen rechten hebben. Wat een verwondering doorstroomt ons, dat Hij Zich bemoeit met goddelozen in zichzelf, dat Hij zulke mensen opzoekt en bij Zich doet wonen.

Dan maakt die heilige wetenschap dat Hij met de alleronwaardigste en de kleinste te doen wil hebben, onze tong los. Dan zeggen wij met de dichter in het slot van de tekst: Heere der heerscharen, mijn Koning en mijn God.

Nu nog een enkel woord over de derde gedachte. Want die laatste woorden van onze tekst bepalen ons bij:

 

3. Gelovige aanbidding

 

De dichter mag aan het einde van dit Bijbelwoord eindigen in de Heere Zelf. Hij is door de Heere onderwezen en door de Heere overwonnen. Hij heeft immers zichzelf gezien als een zondaar die minder is dan een mus en een zwaluw. God gaf hem daarbij een blik op Zijn altaren.

Nu gaat zijn hart vol verlangen naar God in Christus uit. Dat alles mondt uit in de lofprijzing van de drie-enige God. Er is een overslag in zijn ziel in God. Hij verblijdt zich in de Heere, Die Zich over ellendigen ontfermt.

De zekerheid vervult zijn hart dat hij in Jeruzalem komen zal, dat Hij de tempel zal binnengaan en dat hij zeker bij de altaren zal aankomen; ja, dat hij daar door Gods genade bij wonen zal. Daar zal de Heere der heerscharen zorg voor dragen.

Let op die uitdrukking, gemeente, op die grote naam: Heere der heerscharen. Dat is de naam van de God des verbonds, Die in Christus met onwaardigen te doen wil hebben. Die Heere zal er voor zorgen dat deze man in de tempel komt, en dat hij de gemeenschap met Hem ook daar mag beoefenen.

 

Hij zal bij het altaar wonen. De Heere der heerscharen zal het doen. De ‘heerscharen’ worden immers door de Heere aangevoerd. Hij is het Hoofd van de duizend maal duizenden engelen. De almacht van God wordt in deze Naam getekend. Niets staat de Heere in de weg.

Niemand kan Hem weerstaan. Hij maakt het werk der zaligheid in het hart van Zijn volk af. Niets kan Hem tegenhouden. Zoals Hij de weg effende voor deze pelgrim uit Psalm 84, zo zal Hij ook voor u, volk des Heeren, die weg effenen. Hij effent de weg voor u ook door het donker heen, ook door onbegrepen wegen heen, ook door tegenslagen heen. Hij maakt Zijn werk af.

 

Heere der heerscharen is Zijn Naam. Wat een gezegende man. Wat een gezegend verlangen en wat een gezegende uitkomst. Gemeente, als u nu nog eenmaal vers 4 meeleest, de tekst van onze overdenking, en vers 3, die het verband bepaalt, moet u dan zeggen dat u elk verlangen van deze dichter nog mist?

Worden hier eigenlijk voor u vreemde zaken genoemd? Hoorde u er anderen over spreken; kunt u zelf er nog wel wat over zeggen, maar raakte het nog nooit uw hart? Is het verlangen naar God en de begeerte naar Zijn inzettingen en het heimwee naar de altaren u nog onbekend?

Dat is wat, gemeente! Dan mogen we leven bij de zuivere gereformeerde leer, onze diepste overtuiging is orthodox-gereformeerd, maar we missen Hem Die het Middelpunt is van de zuivere leer. O, als dat zo is, haast en spoedt u dan toch om uws levens wil, en veracht de dag der genade toch niet. Veracht déze dag toch niet!

Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zo grote zaligheid geen acht nemen? (Hebr.2:3) Die zaligheid wordt u heden nog verkondigd. Die Zaligmaker wordt u, in het beeld van de altaren, gepredikt. O, wat een gewillige Zaligmaker is Hij, om zondaren te ontvangen. Hij wil de grootste der zondaren ontvangen.

 

U zegt misschien: ‘Zou Hij mij willen ontvangen?’ Maar u kent toch die tekst wel uit Jesaja 45, waarin de Heere zo laag afdaalt, en tegen de onbekeerden zegt: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde, want Ik ben God, en niemand meer (Jes.45:22).

U kent toch de naam van de stad of het dorp waarin u woont? Ligt die stad, ligt dat dorp niet op de einden der aarde? Woont u zelf niet op de einden der aarde? De Heere noemt u bij naam. Zou het dan voor u niet kunnen?

Degene die u wijsmaakt dat het voor u niet kan, is de duivel! Maar de Heere spreekt een geheel andere taal in de aanbieding van het Evangelie: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde!

Kom, buig uw knieën. Vraag nu eens of u het van God mag verliezen; daar gaat het om. Want we willen onszelf maar blijven handhaven. We willen maar rechtop blijven staan voor God. Maar vraag nu eens: ‘Heere, nu ben ik in Uw huis eraan ontdekt dat ik alles mis. Ik mis nog de ware bekering. Ik ken ook geen verlangen naar U en naar Uw heiligdom, maar zoudt U het mij willen leren?’

Kom, gemeente, jongens en meisjes, het is nog het heden der genade. We reizen samen naar de eeuwigheid. Wie weet hoe kortbij de dag van onze dood is. Hoe zullen we voor de Koning verschijnen zonder het kleed van Zijn gerechtigheid? Roept Hem aan terwijl Hij nabij is (Jes.55:6).

 

Er is nog een andere opmerkelijke zaak in de tekst. De dichter is nog niet in het heiligdom, maar hij zegt reeds: Mijn Koning en mijn God. ‘Bij U, mijn Koning en mijn God, verwacht mijn ziel een heilrijk lot.’

Het geloof oefent zich krachtig. Eerst is er het verlangen van het geloof. Hier wordt dat begeren tot het ‘eigenen’ van het geloof. De uitdrukking ‘mijn God’ komt drieëndertig keer in de psalmen voor. ‘Mijn’ mogen zeggen, behoort tot het wezen van het geloof. Als we menen dat God genade in ons leven verheerlijkt heeft en we hebben nog nooit een begeerte gekend om ‘mijn’ te mogen zeggen, dan bedriegen wij onszelf. Want het geloof is een genade die een gerichtheid op een Persoon in zich heeft.

En welke gerichtheid is dat? Welke Persoon is dat? Dat is de gerichtheid van de genade om zich met de Heere Jezus Christus op het allernauwst te verenigen!

Lees de preek van Comrie in zijn ‘Eigenschappen des geloofs’ eens na. Die gaat over dit Bijbelse gegeven. Het wezenlijke van het geloof is er op gericht zich met Christus te mogen verenigen.

 

Nu is er bij sommigen van ons wel enig licht in het hart gevallen. We zijn bij ogenblikken verblijd geworden in de Heere. We hebben hoop geschept, maar nu staan we nog voor dat woordje ‘mij’ en ‘mijn’, nietwaar? Dan achten we andere kinderen Gods zo hoog, want die hebben ‘mijn’ mogen zeggen, en die vrijmoedigheid ontbreekt ons nog.

Maar nu eerlijk zijn: is het niet de begeerte van uw ziel? Houd dan aan. Schep dan moed. Er komt een ogenblik, zoals bij de dichter van deze psalm, dat de Heere overkomt, en dat het verlangen in ‘eigenen’, in ‘mijn-zeggen’ verandert.

Dan gaat het vanzelf! Het geloof is een genade die zich oefent in het hongeren en dorsten naar Christus, maar die op een gegeven moment ook Christus mag eigenen. Dat doet deze dichter hier ook. Hij zegt: Mijn Koning en mijn God.

 

Als dat verlangen er is, en u hebt nog nooit ‘mijn’ mogen zeggen, kom, vraag dan om de vervrijmoediging van de Geest van Christus. Is het niet waar, volk des Heeren, dat die begeerte boven in onze ziel ligt, om Hem te mogen ‘mijnen’, om Hem te mogen eigenen? Ons hart vindt niet eerder rust, dan dat het rust vindt in God, in Christus!

Alleen als we in het hartelijke vertrouwen des geloofs de Heere Jezus Christus mogen zoeken, begeren en eigenen, mogen we komen tot de hartelijke instemming met Zondag 1 en met Zondag 7 van de Heidelbergse Catechismus, ‘dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit louter genade, alleen om de verdienste van Christus wil.’

Ja, dan geeft de Heere ruimte aan onze ziel. Dan zet Hij onze voeten op de Steenrots Christus. Dan mogen we tot onze diepe verwondering en ontroering ‘mijn’ zeggen. Mijn Toevlucht en mijn Burcht; mijn God, op Welken ik vertrouw (Ps.91:2).

 

Hebt u met deze dichter mogen instemmen, maar is uw geestelijk leven ingezonken?

Heeft de verwaarlozing van de verborgen omgang mogelijk een geestelijke dorheid over u gebracht? Hebben bepaalde zonden misschien scheiding gemaakt tussen de Heere en uw hart? Belijd de Heere uw zonden, afmakingen en dwaasheid.

U hebt Hem wel uit het oog verloren, maar Hij houdt u in het oog. Daarom hebt u geen vrede met uw verachtering. Dat is een bewijs dat Hij nog van u afweet. Bij Hem is een overvloed van genade.

Keer toch terug! Hij is zo’n goedertieren Koning. Keer toch terug. Hij wil u opnieuw ontvangen. Hij wil opnieuw de geloofsoefening gaande maken. Hij wil u opnieuw omhelzen, zodat u Hem weer omhelzen mag.

 

Dat dierbare ‘mijnen’ van het geloof is een heilige kunst, die hier niet eenmaal, maar telkens opnieuw wordt beoefend. Dan is de wereld ver weg, dan ligt de zonde er even onder, dan is de hemel dichtbij.

De Heere is mijn Steenrots, en mijn Burcht en mijn Uithelper, mijn God, mijn Rots, op Welken ik betrouw (Ps.18:3).

Welgelukzalig zijn allen die de Heere verwachten; zij zullen niet beschaamd worden!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 68:10

 

Geloofd zij God met diepst ontzag!
Hij overlaadt ons, dag aan dag,
Met Zijne gunstbewijzen.
Die God is onze zaligheid;
Wie zou die hoogste Majesteit
Dan niet met eerbied prijzen?
Die God is ons een God van heil;
Hij schenkt, uit goedheid, zonder peil,
Ons ‘t eeuwig, zalig leven;
Hij kan, én wil, én zal in nood,
Zelfs bij het naad’ren van de dood,
Volkomen uitkomst geven.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 22)