Ds. D.W. Tuinier - Handelingen 16 : 25 - 34

Het ware geloof in het leven van de stokbewaarder

De weg tot het ware geloof
De eis van het ware geloof
De zekerheid van het ware geloof
De vruchten van het ware gelooft
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenbundel ‘Indien gij gelooft’ van ds. D.W. Tuinier (Uitg. De Banier, 2009).

Handelingen 16 : 25 - 34

Handelingen 16
25
En omtrent den middernacht baden Paulus en Silas, en zongen Gode lofzangen en de gevangenen hoorden naar hen.
26
En er geschiedde snellijk een grote aardbeving, alzo dat de fundamenten des kerkers bewogen werden; en terstond werden al de deuren geopend, en de banden van allen werden los.
27
En de stokbewaarder, wakker geworden zijnde, en ziende de deuren der gevangenis geopend, trok een zwaard, en zou zichzelven omgebracht hebben, menende, dat de gevangenen ontvloden waren.
28
Maar Paulus riep met grote stem, zeggende: Doe uzelven geen kwaad; want wij zijn allen hier.
29
En als hij licht geeist had, sprong hij in, en werd zeer bevende, en viel voor Paulus en Silas neder aan de voeten;
30
En hen buiten gebracht hebbende, zeide hij: Lieve heren, wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?
31
En zij zeiden: Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis.
32
En zij spraken tot hem het woord des Heeren, en tot allen, die in zijn huis waren.
33
En hij nam hen tot zich in dezelve ure des nachts, en wies hen van de striemen; en hij werd terstond gedoopt, en al de zijnen.
34
En hij bracht hen in zijn huis, en zette hun de tafel voor, en verheugde zich, dat hij met al zijn huis aan God gelovig geworden was.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 42: 5
Lezen : Handelingen 16: 25-34
Zingen : Psalm 3: 3
Zingen : Psalm 130: 1
Zingen : Psalm 143: 9
Zingen : Psalm 26: 8, 11

Gemeente, met Gods hulp vragen wij uw aandacht voor het ware geloof. Onze tekst kunt u vinden in de geschiedenis die u is voorgelezen: Handelingen 16 vers 25 tot en met 34. Wij lezen u alleen vers 31:

 

En zij zeiden: Geloof in de Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden, gij en uw huis.

 

We schrijven onder de tekst: Het ware geloof in het leven van de stokbewaarder.

 

We letten op een viertal zaken:

1. De weg tot het ware geloof

2. De eis van het ware geloof

3. De zekerheid van het ware geloof

4. De vruchten van het ware geloof

 

1. De weg tot het ware geloof

 

Gemeente, de apostel Paulus is samen met Silas in Filippi. Ze hebben zojuist een vrouw in Filippi verlost van een waarzeggende geest. De meesters van deze vrouw zijn heel boos. Zij verdiende veel voor hen. Daarom klagen zij Paulus en Silas aan als oproerkraaiers, met als gevolg dat Gods dienstknechten worden gearresteerd. Ze worden gegeseld en in de gevangenis gezet. De stokbewaarder krijgt de opdracht hen streng te bewaken. En dat doet hij ook. We lezen in vers 24: Dewelke, zulk een gebod ontvangen hebbende, wierp hen in de binnenste kerker en verzekerde hun voeten in de stok.

Maar wat gebeurt er dan midden in de nacht? Dit heeft de stokbewaarder nog nooit meegemaakt! Hij hoort de gevangenen met hun doorbloede, gegeselde ruggen, bidden en lofzangen zingen tot eer van God! En niet alleen de stokbewaarder hoort hen, maar ook de andere gevangenen. En omtrent de middernacht, zo lezen we in vers 25, baden Paulus en Silas en zongen Gode lofzangen en de gevangenen hoorden naar hen.

Plotseling… een gedreun! De grond begint te golven. De fundamenten van de gevangenis schudden. Een aardbeving! De gevangenisdeuren springen open. De kettingen waarmee de gevangenen vast zitten, schieten los. Wat moet de stokbewaarder nu beginnen? Wat een ramp! In zijn eentje begint hij niets. Hij is radeloos! Hij moet de gevangenen tegenhouden! Hij is verantwoordelijk. Als ze ontsnappen, is het zijn schuld. Wat zal zijn straf dan zwaar zijn! Hij weet zich geen raad. In zijn radeloosheid pakt hij zijn zwaard en wil hij zichzelf doden.

Maar dan klinkt de stem van Paulus in vers 28: Doe uzelven geen kwaad, want wij zijn allen hier. ‘U hoeft niet bang te zijn. Niemand is ontsnapt!’ Daar begrijpt de stokbewaarder niets van. Bevend valt hij voor Paulus en Silas neer. Hij zegt in vers 30: Lieve heren, wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?

 

Laten we eens nadenken over deze vraag van de gevangenbewaarder. Dit is niet zomaar een vraag. Het is een zielenvraag. De nood van deze man is een geestelijke nood. In vers 29 staat dat hij zeer bevende werd. Dat beven en vrezen is geen slaafse vrees. Nee, dat is vrucht van Gods genadewerk in zijn leven. Het is een beven voor de allerhoogste God. Het is een buigen voor Zijn majesteit. De stokbewaarder heeft levende indrukken van Gods heilige deugden. Hij buigt voor God in het stof. Hij buigt voor Paulus en Silas.

Denkt u zich dat eens in: een ervaren gevangenbewaarder, die neervalt voor zijn gevangenen! Het is de omgekeerde wereld. Dit is naar menselijke begrippen onmogelijk. Maar hier werkt God door zijn Geest. Onwederstandelijk, herscheppend en hartvernieuwend.

Lieve heren, wat moet ik doen, opdat ik zalig worde? Dat is de vraag van een mens die door Gods Geest van dood levend wordt gemaakt. Het is een noodkreet, een schreeuw vanuit de diepte van de ellende: ‘Is er een middel, waardoor ik deze straf zou kunnen ontgaan en weer tot genade komen?’ Herkent u de woorden van onze catechismus? Verstaat u ze? Is de nood van uw ziel ook op uw hart gebonden? Dat heeft alles te maken met het ware geloof. Deze zielenvraag zal er altijd zijn, als Gods genade in uw leven verheerlijkt wordt. Als God begint in uw hart, dan gaat dat altijd samen met verootmoediging. Kent u dat? De weg tot het ware geloof is een weg van vernedering, verslagenheid en verbrokenheid. De stokbewaarder valt bevend voor Paulus en Silas neer - en eigenlijk voor de Heere - en roept: Lieve heren, wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?

 

Wat moet hij trouwens nog veel leren. Hij wil nog zo graag iets dóen. En zoek hem maar niet te ver weg. Zoek hem in uw eigen hart. Wij willen ook nog zo graag iets doen, omdat wij mensen zijn van het werkverbond. Dat doen zit ons in het bloed. Al is het werkverbond verbroken, toch willen wij altijd nog iets aanbrengen. En dat kan niet. Dat mag niet. Dat hoeft ook niet. Wat een les!

Dat moet ook de stokbewaarder leren. Ook hij wil werken om zalig te worden. Ook hij denkt in een weg van doen en laten tot God te komen. Dat moet hij nog afleren. Dat moeten wij ook leren. Gods kinderen ook, elke dag. Wij kunnen alleen maar zalig worden door genade. Door genade alleen! Het kan alleen door het ware geloof in de Heere Jezus Christus. Van ons mag er niets bij. Het kan ook niet. En het hoeft ook niet. Alles van ons valt erbuiten. Van ons komt er niets in aanmerking.

Het gaat in deze geschiedenis om een zielenvraag. Deze vraag kan en mag niet gemist worden in de weg van zalig worden. Toets uw leven daaraan. Onderzoek uw hart. Kent u deze zielenworsteling? Niet? Dan moet ik u zeggen dat u nog vreemd bent van het leven van genade. Dan bezit u het ware geloof niet. Want hiermee begint de weg tot het ware geloof.

De apostel Paulus geeft de stokbewaarder een antwoord, waarin hij wijst naar de Zaligmaker. In vers 31 staat: En zij zeiden: Geloof in de Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden, gij en uw huis.

Zullen we eerst samen gaan zingen? Psalm 130 vers 1:

 

               Uit diepten van ellenden

               Roep ik, met mond en hart,

               Tot U, Die heil kunt zenden.

               O Heer’, aanschouw mijn smart.

               Wil naar mijn smeekstem horen.

               Merk op mijn jammerklacht.

               Verleen mij gunstig’ oren,

               Daar ‘k in mijn druk versmacht.

 

We denken na over het ware geloof in het leven van de stokbewaarder. Eerst stonden we stil bij de weg tot het ware geloof. We gaan nu naar onze tweede gedachte:

 

2. De eis van het ware geloof

 

Het is een heel persoonlijke vraag van de stokbewaarder: Wat moet ik doen, opdat ik zalig worde? Persoonlijker kan het niet. Wat moet ík doen? Wat moet er gebeuren in mijn leven? Bent u ook zo naar de kerk gekomen? Is er voor mij nog doen aan? Zou de Heere naar mij nog willen omzien? Is er voor mij nog een weg van behoud en van redding?

Op deze persoonlijke vraag geeft Paulus een persoonlijk antwoord. Luister naar het antwoord van Gods knecht: Geloof in de Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden, gij en uw huis. ‘Nee, stokbewaarder, je wordt niet zalig in een weg van doen en laten. Je hoeft er niets voor te doen. Het komt niet aan op je werken. Het komt nooit meer goed vanuit jezelf! Als het bij jou vandaan moet komen, is het kwijt, voor eeuwig! Weet je wat jij moet doen? Je moet geloven! Je moet geloven in de Heere Jezus Christus. En dat betekent: afzien van jezelf, je eigen leven verliezen. Afzien van al je eigen werken en eigengerechtigheid en als een doodschuldig mens neerzinken aan de voeten van de Heere. Je moet leren zien op de Heere Jezus Christus alleen.  Je moet leren steunen en leunen op Zijn borgwerk. Alleen in Hem is de zaligheid. Alleen in Hem is het leven! Geloof in de Heere Jezus Christus! Geloven, stokbewaarder, is: je laten zaligen. Laat je met God verzoenen, door het bloed en het offer van Christus!’

Dat is de grote inhoud van de evangelieprediking, toen en nu: Geloof in de Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden, gij en uw huis. Zonder geloof is het onmogelijk om God te behagen. Zonder het geloof in de Heere Jezus Christus kunt u voor een heilig en rechtvaardig God niet bestaan.

En denk erom, het gaat hier om het ware geloof. Blijf dat goed onderscheiden van het historisch geloof. Want als het gaat om geloof, wie gelooft er nu niet? Iedereen gelooft. Maar vraag uzelf altijd in ernst af: wat is het bij mij voor geloof? Bij het historisch geloof, het tijdgeloof en het wondergeloof, hoor je niets van de zielenvraag van de stokbewaarder. Het ware geloof kunt u altijd herkennen aan het roepen vanuit de diepte. We zien het ook duidelijk in het leven van de pinksterlingen. Zij worden verslagen in het hart en roepen: Wat zullen wij doen, mannen broeders? (Hand.2:37)

Kent u dat? In deze weg van buigen voor God in het stof, gaat Gods Geest plaats maken voor de genade in de Heere Jezus Christus. Het ware geloof verenigt met Hem. Het ware geloof is verbonden aan Hem. Het ware geloof, dat door Gods Geest in de wedergeboorte wordt geplant, gaat naar Hem uit. Het geloof hongert en dorst naar Hem, al is Hij nog een onbekend en verborgen Persoon.

Onderzoek uzelf, gemeente, of u in het geloof bent. Want het ware geloof is noodzakelijk en onmisbaar voor ons allemaal. Eenmaal geboren is voor eeuwig verloren. Maar tweemaal geboren is zeker behouden.

 

Geloof in de Heere Jezus Christus! Als u deze woorden goed leest, ziet u dat het woordje ‘geloof’ in de gebiedende wijs staat. En zo laten we het staan! Met andere woorden: u mag nooit met uw armen over elkaar gaan zitten en lijdelijk afwachten of het geloof u nog eens gegeven mag worden. Paulus zegt tegen de stokbewaarder: Geloof in de Heere Jezus Christus! Dat is een Goddelijk bevel. Dat is een Goddelijke eis.

De Heere mag dat van u eisen. Waarom? Omdat Hij ons goed geschapen heeft. Omdat wij goed en volmaakt uit Zijn hand zijn voortgekomen. We zijn geschapen naar Zijn beeld; in ware kennis, gerechtigheid en heiligheid. We hebben alle vermogens gehad om Hem volkomen lief te hebben en Hem te gehoorzamen. Heel bewust hebben wij gezondigd. En daarom liggen we nu verloren in zonde en schuld. We zijn onmachtig en onwillig om te geloven. Dat is eigen schuld. Daar zijn wij verantwoordelijk voor. Maar ondanks dat, doet God niets af van Zijn eis. Hij eist Zijn beeld terug. Hij heeft recht op u. Jonge mensen, kinderen, jullie Schepper heeft recht op jullie leven!

Nee, u komt er niet zo gemakkelijk van af. Dat u ongelovig en onbekeerd bent, is uw eigen schuld. Ongeloof is de grootste zonde. Voelt u de klem? Beseft u waar het om gaat? God eist het geloof. Weegt dat?

 

Gemeente, leef toch niet rustig verder. Geloof in de Heere Jezus Christus! Dan stelt deze eis ons diep schuldig voor God. U weet wel dat wij u niet opwekken om in eigen kracht te geloven. Dat hoor je zo veel: ‘Je moet geloven, je moet geloven!’ Zo opdringerig, alsof we dat zelf kunnen. Alsof we zelf nog enige vermogens bezitten om tot God te komen. Nee, dat kan niet meer. Dat is onmogelijk. Wij zijn zo diep gevallen, dat we dood zijn in zonden en misdaden. Daarom is er van u en van mij geen enkele verwachting. Dat is duidelijk.

Aan de andere kant leggen we de eis van het geloof na aan uw hart. Natuurlijk is het geloof een gave van God. U zegt misschien: ‘De stokbewaarder was nooit gaan beven en had nooit gebogen, als God niet in zijn leven begonnen was.’ U hebt gelijk. De Heere heeft hem van dood levend gemaakt. Zalig worden is aan de ene kant het eenzijdige, soevereine werk van een drie-enige God. Het is genade, genade alleen. Aan de andere kant bent u voor honderd procent verantwoordelijk. Als u leeft onder de prediking van genade en u bent onbekeerd, dan is dat schuld voor God. Nog wordt u geroepen, heel persoonlijk: Geloof in de Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden!

 

Gemeente, redeneer deze eis tot geloof niet weg. U moet geloven. U moet zich bekeren. U moet aan de voeten van de Heere komen! U moet tot Hem leren zuchten en vluchten. Geloof! U komt er niet onderuit; het moet! En vanuit uzelf kunt u het niet. U moet het en u kunt het niet. Ik hoop dat u de klem voelt. Dat deze eis op uw hart gebonden wordt. Dat u eens uitgepraat raakt. Sommige mensen kunnen zo degelijk en rechtzinnig praten, om zo toch nog een uitvlucht te hebben, om zich te verontschuldigen om onbekeerd te blijven. We moeten uitgepraat, uitgeredeneerd, uitgewerkt raken. Dan hebt u geen ‘ja-maars’ meer, hoor!

Kom aan Gods genadetroon als een mens die van zichzelf geen kruimel geloof kan werken. Kom aan Gods voeten als een veroordeelde. Buig onder Zijn eis. Zeg het maar, eerbiedig en eenvoudig: ‘Heere, ik moet geloven en ik kan het niet. Ik moet geloven en ik wil niet!’ Kijk, dan komt u met uw nood op de juiste plaats. Dan wordt het voor u zo’n wonder dat de Heere nu wil geven wat Hij van u vraagt, mild en overvloedig. Dan ben je een bedelaar, een bedelares.

De Heere kan het u geven. En Hij wíl het u ook geven! Op uw noodgeschrei doet Hij ook vandaag nog grote wonderen. En wie Hem aanroept in de nood, vindt Zijn gunst, oneindig groot. Ziet u dat Gods kinderen nooit boven Psalm 81 vers 12 uitkomen? Ze komen er steeds meer achter, dat ze niets hebben, niets willen en niets kunnen. Dat er in hen geen kracht is en dat in hen, dat is in hun vlees, geen goed woont. Maar…

 

Al wat u ontbreekt,

Schenk Ik, zo gij ‘t smeekt,

Mild en overvloedig.

 

Het thema van de preek is: het ware geloof in het leven van de stokbewaarder. We hebben nagedacht over de weg tot het ware geloof en de eis van het ware geloof. Nu letten we  in de derde gedachte op:

 

3. De zekerheid van het ware geloof

 

Weet u waarin de zekerheid van het geloof ligt? Anders gezegd: in Wie ligt de zekerheid van het ware geloof? Luistert u maar naar onze tekst: Geloof in de Heere Jezus Christus! In Hem ligt de zekerheid, de vastheid en de troost van de ware gelovige. Zijn Naam is zoet voor hen die in zichzelf de bitterheid tegenkomen. Zijn Naam is zalig voor rampzaligen. De zekerheid van hun zaligheid ligt in Hem, de verhoogde en verheerlijkte Kurios, Die alle macht heeft in de hemel en op de aarde. Hij heeft ook vandaag macht om u te bekeren. Hij kán het niet alleen, Hij wíl het ook!

 

Hij kan, en wil, en zal in nood,

Zelfs bij het naad’ren van de dood,

Volkomen uitkomst geven.

 

Zijn Naam is Jezus, want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden. Ook de stokbewaarder en zijn huis. Zijn Naam is Christus. Hij is de Gezalfde van de Vader, gezalfd met de Heilige Geest. Hij is gezalfd tot hoogste Profeet en Leraar ter gerechtigheid, om blinden te onderwijzen in de weg van zalig worden. Hij is de enige Hogepriester, Die verzoening doet voor de zonden van Zijn kinderen. Hij is de eeuwige Koning, Die de Zijnen leidt, regeert en beschermt. Niemand anders dan Hij, de Heere Jezus Christus, is het grote Voorwerp van het geloof.

In Zijn kracht en door Zijn genade zingen Paulus en Silas lofzangen in de nacht. Ze worden bediend uit Hem. Hij is in het oog en daarom zingen zij, in Hem verblijd. Hun ogen zijn op Hem geslagen. Hun hoop is op Hem gevestigd. Hun geloofsvertrouwen ligt in de Heere Jezus Christus. Van Hem belijden zij en wij: ‘Die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle; ten derde dage wederom opgestaan van de doden; opgevaren ten hemel, zittende ter rechterhand Gods des almachtigen Vaders; vanwaar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden.’

Als het geloof in oefening is, raak ik al mijn eigen zekerheden kwijt. Maar dan vind ik mijn houvast, mijn sterkte en steun in het offer van de Heere Jezus Christus. Zo is het daar in de gevangenis in Filippi. De Heere Jezus is heel dichtbij. Het geloof is in oefening. En daarom zingen Gods knechten Gode lofzangen. Ze voelen geen zweepslagen. Hun bebloede ruggen doen geen pijn. Ze hebben geen moeite met die blokken aan hun voeten. Want God is aan hun zij. Hij ondersteunt hen. De Heere Jezus Christus is in het oog. En in Hem zijn ze meer dan overwinnaars! Ze zijn blij omdat ze smaadheid dragen om Zijn Naam.

 

Het ware geloof is al vanaf het begin gericht op de Heere Jezus. Het nieuwe leven, uit God geboren, komt openbaar in de levenstekenen: een droefheid over de zonden, een breken met de zonden, een haten en vlieden van de zonden. Maar ook een hongeren en dorsten naar Christus. Het geloof verenigt met Hem. Het ziet uit naar Hem. Het verlangt om Hem te kennen en meer en meer te leren kennen. En als de Heilige Geest mij verder leidt, dan mag ik meer op Hem gaan leunen en steunen. Dan mag ik, door de oefeningen van het geloof, mij meer op Hem verlaten, op Zijn offer, als enige grond en fundament van mijn zaligheid.

In mezelf ben en blijf ik arm en houd ik niets over dan zonde en schuld. Al mijn eigen zekerheden ben ik kwijt. Alles breekt God af, net zo lang tot ik een afgebroken, verloren mens ben. Dan heb ik niets meer in te brengen. Dan kan ik God geen onrecht toeschrijven, als Hij mij naar recht voorbijgaat. Dan ben ik een rechteloos mens. Maar dan ben ik ook een gepast voorwerp voor genade. De genade in een Ander, verdiend door de lieve Borg en Zaligmaker, de Heere Jezus Christus!

Wat een wonder, als het heerlijke evangeliewoord indaalt in mijn ziel: Geloof in de Heere Jezus Christus! Wat wordt Hij dan dierbaar! Want het leven ligt in Hem, in Hem alleen. In Hem ligt de zaligheid. Hij is mijn gerechtigheid voor God. Als dan het licht valt op de Heere Jezus Christus en Zijn gerechtigheid, dan zink ik weg in stille verwondering: ‘Niet alleen voor anderen, maar ook voor mij…!’

De stokbewaarder wordt zo heel persoonlijk aangesproken. Daar gaat het om: dat de Heilige Geest deze dingen heel persoonlijk afdrukt in mijn ziel. Wat wordt dit woord dan een heerlijke belofte: En gij zult zalig worden. Natuurlijk kan dat nooit buiten de Zaligmaker om. Dat kan nooit buiten Zijn verdiensten om.

Wat een heerlijk woord! Wat een alles vervullend Evangelie voor één die midden in de dood ligt en niet meer weet hoe hij ooit nog zalig moet worden. Het kan alleen bij God vandaan, door Zijn welbehagen. Ik kan zalig worden door Zijn Zoon, Die gekomen is om te zoeken en zalig te maken dat verloren was. Hij is de Middelaar Gods en der mensen. Hij heeft de zaligheid aangebracht, maar Hij past het ook toe.

 

Geloof in de Heere Jezus en gij zult zalig worden, gij en uw huis. Dat is de preek van de apostel Paulus. Dat is de prediking geweest van de Heere Jezus Zelf. Dat is ook de inhoud van de prediking waarmee Christus Zijn discipelen uitzond in de wereld. Zij moesten Zijn getuigen zijn en in Zijn Naam prediken bekering en vergeving van zonden. Petrus preekt op de Pinksterdag: En het zal zijn, dat een iegelijk (wie u ook bent) die de Naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden. (Hand.2:21) En wat is de boodschap tot de verslagen en verbroken pinksterlingen? Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in de Naam van Jezus Christus tot vergeving der zonden; en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen. (Hand.2:38) En wat preekt Petrus tot de leden van het Sanhedrin? En de zaligheid is in geen ander; want er is ook onder de hemel geen andere naam, die onder de mensen gegeven is, door welken wij moeten zalig worden. (Hand.4:12)

Dat is ook de boodschap voor vandaag: buiten Christus kunt u voor God niet bestaan. Buiten Hem is er geen zaligheid. Buiten Hem is en blijft God voor u een verterend vuur en een eeuwige gloed, bij Wie niemand wonen kan.

 

Gij en uw huis, zo lezen we verder. Wat maakt genade gunnend! ‘Niet alleen voor u, stokbewaarder, maar we nemen je huis ook mee! En je personeel! Allen die je lief zijn!’ Genade maakt mededeelzaam. Daarom zegt Paulus: Gij en uw huis. Bij de Heere is er een overvloed van genade in het offer van zijn Zoon, voor de grootste van de zondaren.

Ziet u, Paulus wenst niets anders te preken dan de Heere Jezus Christus, de Gekruisigde, als de enige grond voor de zaligheid. Zo leert de Heere het Zijn kinderen:

 

Niet het offer dat ik breng,

Niet de tranen die ik pleng,

Schoon ik ganse nachten ween,

Kunnen redden; Gij alleen!

 

We gaan nu eerst samen zingen uit Psalm 143 vers 9:

 

               O Heer’, mijn toevlucht, hoor mij klagen.

               Verlos mij uit des vijands lagen.

               Red mij van hen, die mij vertreên.

               Ik schuil, in mijn benauwde dagen,

               Bij U, mijn God, bij U alleen.

 

Het gaat in deze preek over het ware geloof in het leven van de stokbewaarder. We hebben nagedacht over de weg tot het ware geloof, de eis van het ware geloof en de zekerheid van het ware geloof. Ten slotte nog de vierde gedachte:

 

4. De vruchten van het ware geloof

 

De vruchten van het ware geloof komen duidelijk openbaar in het leven van de stokbewaarder. We belijden met onze Heidelbergse Catechismus dat het onmogelijk is dat wie Christus door een waar geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid.

De eerste vrucht in het leven van deze stokbewaarder hebben we al gezien. Dat was de nood van zijn ziel, zijn roepen vanuit de diepte van zijn ellende. Maar er zijn meer vruchten. Al begrijpt hij nog niet alles, we lezen in vers 32 dat Paulus en Silas het Woord van de Heere tot hem spreken en tot allen die in zijn huis waren. Op een gegeven ogenblik neemt de stokbewaarder Gods knechten mee naar huis. Zijn huis gaat voor hen open, omdat zijn hart is opengegaan voor de Heere en Zijn dienst. Hij wordt zo hartelijk verbonden aan Gods inzettingen. En niet alleen hijzelf, maar ook zijn gezin en zijn personeel. Allemaal komen ze onder het beslag van Gods Woord.

 

Leest u eens mee vanaf vers 33. Daar komen nieuwe vruchten naar voren. God Zelf zorgt daar voor. Wat doet de stokbewaarder? We lezen: En wies hen van de striemen. Reken maar dat hij ook heeft meegedaan met geselen. En nu dit! Ziet u wat genade vermag? We komen hier een heel ander mens tegen. Een vernieuwd mens. Als een verloren mens is hij door God opgezocht, stilgezet, innerlijk vernieuwd en gezaligd. Het roofdier wordt een lam. Hij verzorgt de wonden van Gods dienstknechten, omdat hij met zielsbanden aan hen verbonden is. En dat is vrucht van de levende geloofsband met Christus. In zijn ziel zingt het:

 

               Ik ben een vriend, ik ben een metgezel

               Van allen die Uw Naam ootmoedig vrezen

               En leven naar Uw Goddelijk bevel.

 

We lezen ook nog dat hij wordt gedoopt. Dat is wat! Daar zijn geen uren overheen gegaan. Hij werd terstond gedoopt. Hij mag het teken en zegel van de vastheid van Gods genade in Christus ontvangen voor zijn eigen hart en leven. En hij niet alleen; ook zijn hele gezin. Allemaal ontvangen ze het teken en zegel van Gods genadeverbond in Christus. De Heere laat het hen zien: ‘Wat Ik gesproken heb, is vast en onverbroken.’ Daar gaan ze onder water, begraven in de doop van de Heere Jezus. Met Hem sterven zij en worden zij begraven, maar met Hem staan ze ook op in een nieuw, godzalig leven. De Heilige Geest verzegelt het aan hun ziel.

Ten slotte lezen we nog in vers 34 dat de stokbewaarder voor Paulus en Silas eten klaar maakt. Reken maar dat ze onder de gemeenschappelijke maaltijd over de Heere hebben gesproken. Wat is God goed voor slechte mensen! Reken maar dat ze zich stil hebben verwonderd over Gods goedheid. Wat een blijdschap! Wat een vreugde! Wat een vrede! En hij bracht hen in zijn huis en zette hun de tafel voor, en verheugde zich, dat hij met al zijn huis aan God gelovig geworden was.

 

Gemeente, dat is niet onder woorden te brengen. Als u de Heere mag kennen door een waar geloof, dan bent u blij en verheugd. Dan vervult uw ziel zich met een vrede die alle verstand te boven gaat. En dan ook nog uw vrouw en uw gezin… Straks gaan we er samen van zingen uit Psalm 26:

 

Wat blijdschap smaakt mijn ziel,

Wanneer ik voor U kniel

In ‘t huis, dat Gij U hebt gesticht!

 

Het ware geloof... We hebben gezien: het komt op uit de diepte. Het wordt ook als een eis op ons gelegd. De zekerheid van het ware geloof ligt altijd in de Heere Jezus Christus, het Voorwerp van het geloof. En het geloofsleven openbaart zich altijd in de vrucht.

Misschien zijn er onder ons die moeten klagen: ‘De Heere Jezus is zo verborgen voor me. Hij is zo ver weg. En toch gaat mijn hart naar Hem uit. Hij is het, Die mijn ziel liefheeft. Ik kan niet zonder Hem.’ Dan zeg ik u:

 

Wacht op de Heer’, godvruchte schaar, houd moed!

Hij is getrouw, de bron van alle goed;

Zo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer.

Wacht dan, ja wacht; verlaat u op de Heer’!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 26: 8 en 11

 

Wat blijdschap smaakt mijn ziel,

Wanneer ik voor U kniel

In ’t huis, dat Gij U hebt gesticht!

Hoe lief heb ik Uw woning,

De tent, o Hemelkoning,

Die G’, U ter eer, hebt opgericht!

 

Maar ik, ik ben oprecht.

Verlos dan Uwen knecht

Van ’t ongeval, dat hem genaakt.

Wil mij in gunst gedenken,

Mij Uw genade schenken.

Zo wordt door U mijn heil volmaakt.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenbundel ‘Indien gij gelooft’ van ds. D.W. Tuinier (Uitg. De Banier, 2009).