Ds. H. Paul - Psalmen 45 : 7 - 9

De heerlijkheid van Sions Koning

Psalmen 45
De vastheid van Zijn troon
De grondslag van Zijn bewind
De gaven Hem geschonken
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 20)

Psalmen 45 : 7 - 9

Psalmen 45
7
Uw troon, o God! is eeuwiglijk en altoos; de scepter Uws Koninkrijks is een scepter der rechtmatigheid.
8
Gij hebt gerechtigheid lief, en haat goddeloosheid; daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met vreugdeolie, boven Uw medegenoten.
9
Al Uw klederen zijn mirre, en aloe, en kassie; uit de elpenbenen paleizen, van waar zij U verblijden.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 89: 9
Lezen : Psalm 45
Zingen : Psalm 45: 3, 4
Zingen : Psalm 101: 2, 3, 4
Zingen : Psalm 133: 2, 3

Gemeente, de tekst voor deze dienst vindt u in het gedeelte van het Woord van God dat u is voorgelezen, Psalm 45 de verzen 7 tot en met 9:

 

Uw troon, o God, is eeuwiglijk en altoos; de scepter van Uw Koninkrijk is een scepter der rechtmatigheid.

Gij hebt gerechtigheid lief en haat goddeloosheid; daarom heeft U, o God, Uw God gezalfd met vreugdeolie, boven Uw medegenoten.

Al Uw klederen zijn mirre en aloë en kassie; uit de elpenbenen paleizen, vanwaar zij U verblijden.

 

Onze tekst spreekt van: De heerlijkheid van Sions Koning.

 

Deze heerlijkheid blijkt uit:

1. De vastheid van Zijn troon

2. De grondslag van Zijn bewind

3. De gaven Hem geschonken

 

De heerlijkheid van Sions Koning blijkt uit de vastheid van Zijn troon: Uw troon, o God, is eeuwig en altoos.

De grondslag van Zijn bewind, want: De scepter van Uw Koninkrijk is een scepter der rechtmatigheid. Gij hebt gerechtigheid lief en haat goddeloosheid.

En tenslotte de gaven Hem geschonken: Daarom heeft U, o God, Uw God gezalfd met vreugdeolie boven Uw medegenoten.

 

1. De vastheid van Zijn troon

 

Gemeente, Psalm 45 is een koningslied, een lied waarin de heerlijkheid van de koning wordt bezongen. Ook Psalm 21 is zo’n koningslied, evenals Psalm 72, waarin de heerlijkheid van de koning bezongen wordt.

 

Psalm 45 is gedicht ter gelegenheid van het huwelijk van de koning. Daarin wordt niet alleen zijn grootheid bezongen, maar er is ook sprake van een bruid, van een koningin. En daarom staat er boven deze psalm: ‘Een bruiloftslied’.

 

De vraag is: naar aanleiding waarvan is deze psalm gedicht? Velen nemen aan dat dit is geschied ter gelegenheid van het huwelijk van koning Salomo met de Egyptische prinses. Toch zijn er ook elementen in deze psalm die dat schijnen te weerspreken. En daarom gaat het er niet in de eerste plaats om bij welke gelegenheid deze psalm gedicht is, welke koning het geldt, van Israël of van Juda, maar we zien in deze psalm toch vooral een profetie van de heerlijkheid van de Koning der koningen en de Heere der heren, de Heere Jezus Christus. Want de heerlijkheid van déze Koning, Die hier wordt bezongen, overstijgt ver die van de aardse koning. Het is een profetisch lied van Christus’ heerlijkheid en schoonheid, van Zijn overwinningen en Zijn regering.

In Hebreeën 1 worden de tekstwoorden van vers 8 aangehaald en toegepast op Christus. Dus het is voor ons duidelijk dat het hier gaat over de Koning der koningen, de Heere Jezus Christus. Zijn heerlijkheid wordt bezongen; Zijn grootheid en majesteit wordt in het licht gesteld.

 

En wie de dichter is? Men denkt aan David, maar het kan ook een ander zijn. Het gaat er in ieder geval om dat het een profeet is. Een profeet door God gezonden, een profeet door God verlicht, door Gods Geest geleid. Die profeet mag dus zien de heerlijkheid van de komende Zaligmaker, de Heere Jezus Christus. De Heilige Geest verlicht zijn verstand en scherpt zijn oog. En dan mag hij steeds grotere heerlijkheid zien in deze Koning, Die komen zou.

Want dan geldt hier wat de dichter zegt:

 

Mijn mond vindt, tot Uw lof,

gedurig ruimer stof,

en zal Uw recht en heil ontvouwen.

 

Met welk een eerbied spreekt hier de dichter van de heerlijkheid van de Koning, van Zijn persoon, van Zijn gaven! Zijn hart wordt gaande gemaakt: Gij zijt veel schoner dan de mensenkinderen. Maar dan mag hij ook zien hoe deze Koning Zijn Koninkrijk tot stand brengt en Zijn vijanden aan Zich onderwerpt. Dat is nog een grotere heerlijkheid.

Onder Israël was een koning bijzonder groot als hij veel vijanden had verslagen. Denk aan Saul. Ze gaven hem duizenden, maar David tienduizenden verslagenen. Ze gaven hem dus meer eer dan Saul; zijn heerlijkheid blonk méér uit omdat hij veel meer vijanden had verslagen. Welnu, zo is het ook hier. Hier wordt de Held de overwinning toegebeden: Gord Uw zwaard aan de heup, o Held, en rijd voorspoedig in Uw heerlijkheid, op het Woord der waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid.

 

Het gaat in het Koninkrijk van God, gemeente, jongens en meisjes, niet om een zwaard waarmee vijanden elkaar treffen, maar het gaat om het zwaard van het Woord.

Rijd voorspoedig op het Woord der waarheid.

Daar bouwt Hij Zijn Koninkrijk door. Daarom is het zo’n voorrecht dat we in Gods huis mogen zijn onder de verkondiging van het Woord. Vraag maar veel, gemeente, of de Heere het licht in uw leven wil doen opgaan, dat u nodig hebt tot zaligheid. Want Hij rijdt voorspoedig op het Woord der waarheid in rechtvaardige zachtmoedigheid.

En dan - en dat komt in deze tekst tot uiting - komt de heerlijkheid van de Koning nog rijker uit in Zijn regering. Wie Hij is als persoon, hoe Hij overwint, maar tenslotte hoe Hij regeert. En wat is dat een voorrecht om zo, zoals deze psalmdichter, oog te hebben voor de heerlijkheid van deze Koning! Rutherford zegt ergens dat hierin juist de doodstaat van de mens openbaar komt, dat we in Hem geen heerlijkheid zien.

Maar nu is deze dichter daarvan zó doordrongen en er zó door ingenomen, dat hij uitroept:

 

Mijn hart, vervuld met heilbespiegelingen,

Zal ‘t schoonste lied van ene Koning zingen.

 

Er wordt veel gezongen door de wereld, ook door de godsdienstige wereld, veelal liederen waarin de mens, ook de vrome mens, centraal staat. Veel liederen van de wereld, waarin de zonde verheerlijkt wordt.

Maar hier wordt een lied aangeheven waarin de Koning der Koningen centraal staat en Zijn heerlijkheid wordt bezongen. Voor Hem was in het hart van deze dichter plaats gemaakt. Want ook van deze dichter geldt het: Als wij Hem aanzagen, zo was er geen gestalte dat wij Hem zouden begeerd hebben (Jes.53:2). Maar hij is er voor ingewonnen. En dat kan niet anders, gemeente, dan in een weg waarin hij tot een niet, tot een nul geworden is, waarin hij tot zondaar voor God geworden is. Je kun nooit zo heerlijk van deze Koning zingen als je in jezelf niet tot een niet en nul bent geworden, tot een schuldenaar, maar van het wonder van genade mag leven!

 

Dit lied wordt geboren in de diepte van ootmoed en verwondering. En daarom is juist Zijn persoon, Wie Hij is en wat in Hem is, het houvast in zijn leven. Dat is hij in zichzelf kwijtgeraakt, dat is hij kwijtgeraakt in zijn godsdienst, kwijtgeraakt in alles wat hij dacht te hebben om voor God aangenaam te kunnen zijn. Dat is hem allemaal ontnomen. En er bleef maar één zaak over, die hem bekendgemaakt werd, die hem geopenbaard werd. En daar vond hij zijn leven in. Dat gaf hem de blijdschap. Dat gaf hem de verwondering. Dat gaf hem ook de heilige begeerte en de heilige drang om zo van Hem te mogen zingen:

 

Mijn mond vindt, tot Uw lof,

gedurig ruimer stof,

en zal Uw recht en heil ontvouwen.

 

En dan roept hij het uit: Uw troon, o God, is eeuwig en altoos! U ziet hier al dat het de aardse koning ver overstijgt. Hij spreekt hier de Zoon van God aan als Middelaar, Die een troon ontvangen heeft als loon op Zijn arbeid. Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd en heeft Hem Naam gegeven, welke boven allen naam is (Filipp.2:9). En opdat elke mond Zijn grootheid zou loven.

 

Deze Koning ontvangt een troon, gemeente. Een troon, dat is een plaats, waar een koning of koningin op gezeten is, om vandaar te regeren. Zoals bij het absolute koningschap het geval was. Daar vaardigde hij wetten uit, decreten, van daar gaf hij bevelen, van daar sprak hij recht. De troon was dus de plaats vanwaar het recht moest worden gehandhaafd en vanwaar de koning zijn gezag en heerschappij kon uitoefenen.

Hij zit op de troon. Maar dat heeft wat gekost, gemeente! ‘Hij heeft Zich vernederd’, zegt de apostel Paulus. Hij is gehoorzaam geworden tot de dood des kruises. Hij heeft die troon verdiend. Daarvoor was Zijn wieg een kribbe en Zijn troon op aarde was een kruis. Als schuld overnemende Borg, als Degene Die de zonde toegerekend kreeg van allen Hem van de Vader gegeven. Hij heeft Zich diep moeten vernederen in Zijn voortdurend lijden van kribbe naar kruis. Hij is aan het kruis in de Godverlatenheid ingedaald. Het leek afgelopen met Zijn koningschap. Zijt Gij dan een Koning?, vroeg Pilatus hem. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik der waarheid getuigenis geven zou, zo antwoordde Hij hem (Joh.18:37).

 

En zo is Hij door God uitermate verhoogd. De verhoging had reeds plaats in de opstanding, maar bijzonder in de hemelvaart en in Zijn zitten ter rechterhand Gods. En daarom een wonder dat Hij, Die de hemelse heerlijkheid verlaten heeft, Die arm geworden is, nu die troon ontvangen heeft van de Vader, de Oprichter van Zijn Koninkrijk, bij de uitvoering van Zijn macht, naar Gods welbehagen.

Satan had gedacht het te winnen. Satan had de heerschappij genomen ook in onze harten. Alles zou voor eeuwig ten verderve gaan. De ganse schepping zou onder de vloek blijven. Het totale mensengeslacht zou in de eeuwige ondergang belanden. Dat was satans toeleg. Maar God zond Zijn Zoon, als een hulpeloos Kind in de kribbe, bij Wie God hulp besteld heeft. Dan wordt de schepping gered. En een schare die niemand tellen kan wordt behouden.

Die Koning maakt hen onderdanen van dat Koninkrijk, dat tot stand komt, ondanks het woeden van de wereld en de macht van de satan. En ondanks het eigen vlees dat geen onderdaan wil zijn van deze Koning. Want, gemeente, zullen we onderdaan zijn van dat rijk, dan moet ons eigen ‘ik’ van de troon, en ook satan die we zo’n hoge plaats in ons hart gegeven hebben. Het is nodig in uw en mijn leven en in jullie leven, jongens en meisjes, dat God heerschappij voert in ons hart en leven, door de werking van Zijn Woord en de werking van de Heilige Geest. Dan worden we vernederd, dan worden we verootmoedigd, dan worden we schuldenaar voor God. Dan leren we vragen: Wat wilt Gij dat ik doen zal? (Hand.9:6). Die hartelijke onderworpenheid aan de Heere en aan Zijn Woord en Zijn wil kenmerkt de onderdanen die Hij verwerft.

 

Hij maakt uit alle geslachten der aarde onderdanen. Dat is nog mogelijk! Hoewel we het allen verzondigd hebben, hoewel we allen vrijwilligers zijn in de dienst van de zonde en van het eigen ‘ik’, toch kunnen we nog onderdaan worden van die Koning en van het rijk dat Hij opricht in de harten van mensen. En daarom, gemeente, laat Hij het Woord nog verkondigen. Want Hij zit op die troon, Hem van de Vader gegeven. Hij zit er als Koning, maar ook als Priester. Ja, als Hogepriester. En als Profeet laat Hij de boodschap van Zijn Woord nog uitgaan. Hij zendt Zijn dienaren om in Zijn Naam te bidden: Laat u met God verzoenen (2 Kor.5:20).

Beseft u dat wel, gemeente? Hij spreekt vandaag nog van Zijn troon tot u, wie u ook bent. Dat is Zijn profetische bediening. Hij laat u vandaag nog waarschuwen, ja nodigen: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden (Jes.45:22). Wat een wonder dat Hij zo laag neerdaalt! Laat dan toch de bediening van de Heilige Geest benodigd worden, waardoor dat Woord kracht krijgt, waardoor doden de stem van de Zoon van God horen. En die ze gehoord hebben zullen leven.

 

Hij is ook de enige Hogepriester. Zo gaat Hij ook tussentreden voor een schuldig volk, dat steeds meer erkent en belijdt wie ze is en blijft in zichzelf voor God. Schuldenaar! Zondaar! Maar als dan het Woord weerklinkt in het hart: Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude (Luk.22:32), dan krijgen we een oog buiten onszelf, gemeente. Gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij (Joh.14:1).

Dan is Hij heengegaan om plaats te bereiden. Laten we de ernst ervan nooit vergeten. Het is geen vrijblijvende zaak! Eenmaal zullen wij staan voor Zijn troon. Zijn we dan bereid? Voor die troon zullen we rekenschap moeten afleggen, ook van het Woord dat in Zijn Naam tot ons is gebracht. Niemand kan zich verontschuldigen. Niemand kan zeggen: ‘Ik heb het niet geweten.’ En wat we nodig hebben om in waarheid ons tot Hem te bekeren, kan en wil Hij schenken. Er blijft geen excuus over. En daarom, als wij volharden en doorgaan in eigen wegen, zal Hij eenmaal zeggen: Doch deze mijn vijanden, die niet hebben gewild dat ik over hen koning zou zijn, brengt ze hier en slaat ze hier voor mij dood (Luk.19:27).

 

Hij is Koning, Hij regeert. Hij is ook Degene Die als Priester tussentreedt. Uw troon, o God, is eeuwiglijk en altoos. Aardse tronen wankelen. Vele vorstenhuizen zijn ballingen. Maar deze Koning regeert eeuwig. En eenmaal zal er een schare zijn die niemand tellen kan, die Hem de lof en de heerlijkheid, de wijsheid en de dankzegging, de ere en de kracht en de sterkte toebrengt in der eeuwigheid.

 

Gemeente, één vraag die ons wel mag bezighouden is: hoe staan wij straks voor die troon? Hij is Koning. Houdt u niet staande, u verliest het. Gelukkig als je je leven mag verliezen; dat is een winst die eeuwig blijft. Overwonnen door Hem, tot onderdaan gemaakt van Zijn rijk, Wiens juk zacht is, Wiens last licht is. Dan zal ook niet ontbreken wat de vrucht is van Zijn regeren in gerechtigheid.

Want in de tweede plaats staan we stil bij:

 

2. De grondslag van Zijn bewind

 

Er staat in onze tekst:

De scepter van Uw Koninkrijk is een scepter der rechtmatigheid. Gij hebt gerechtigheid lief en haat goddeloosheid.

Een kenmerk van Zijn regering. Torn daar maar niet aan, verzet u daar niet tegen. Zijn scepter is een scepter der rechtmatigheid.

Een scepter is een attribuut dat een koning ontvangt bij de kroning. Een staafvormig voorwerp, teken van zijn bevoegdheid, om macht uit te oefenen, teken van bevoegdheid tot bewindvoering. Een scepter.

De Heere Jezus ontving op aarde een rietstok, die moest een scepter uitbeelden. Spottend, honend gaf men deze Koning een rietstok, waarmee men wilde zeggen: ‘Dat is nu Uw scepter.’ Dwaasheid van de mens, brute vijandschap. Goddeloos!

 

Maar hier staat in het Woord van God: De scepter van Uw Koninkrijk is een scepter der rechtmatigheid. Of zoals Hebreeën 1 zegt: een rechte scepter. Dat betekent dat het volkomen beantwoordt aan hetgeen Hij beveelt naar het recht van God. Het wordt daardoor bevorderd. Hij bevordert recht en gerechtigheid. Geen willekeur. De kanttekenaren zeggen: een scepter van billijkheid. Hij heerst naar het zuiverste recht, naar het Woord van God, naar wat recht en wat billijk is. Dat is de grondstructuur van Zijn regering.

 

Een scepter der rechtmatigheid.

Dat kun je niet van elke koning zeggen. Dat is van elke troon zo niet waar geworden. Van veel tronen zijn bevelen uitgevaardigd die krom waren, die niet naar het Woord van God waren, naar willekeur. Maar van deze troon wordt alleen bewind gevoerd dat het recht van God bevordert, dat volkomen beantwoordt aan de heilige eisen van het recht van God. Hij leidt vanaf die troon de Zijnen op het rechte spoor, in het spoor der gerechtigheid.

Dat wil niet zeggen dat het altijd gaat zoals wij denken dat het gaan moet. Als Hij Zijn onderdanen vanaf de troon regeert, kunnen het weleens wegen zijn waar vlees en bloed tegen gekant zijn. Dat is het veelal. Heeft Hij het niet gezegd: In de wereld zult gij verdrukking hebben; maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen (Joh.16:33).

 

Asaf kon niet denken en geloven dat het de scepter der rechtmatigheid was die over zijn leven gelegd werd. Hij werd boos op God. Hij kwam in opstand tegen de weg die God met hem ging. De goddelozen ging het voor de wind, maar zijn bestraffing was er alle morgens. Is dat de rechte weg? Dan kan het vlees wel eens zuchten: ‘O Heere, is dat Uw weg? Moet ik deze weg gaan? En ook dat er nog bij?’

Dat zijn geen vreemde zaken, gemeente. Maar als de Heere inwint voor Zijn weg en dan het hart doet buigen onder de scepter van Zijn rechtmatigheid, worden het rechte wegen. Dan zijn het wegen waarin God het niet verkeerd gedaan heeft. Dan leren we het zien dat het een weg is die ik nodig had tot kruisiging van mijn vlees, tot beproeving, tot loutering. Dan heeft Hij juist betoond er in mee te komen. Dan kunnen die omstandigheden wel eens zo zijn dat je mag ervaren dat Hij het kruis helpt dragen. Dat je later nog weleens terugverlangt naar die tijd. Niet vanwege het kruis, maar naar de zoete vertroosting in die weg ondervonden. Wat was het toen goed! Het was wel moeilijk, maar de Heere was er bij! En als dat waar is, gemeente, dan is het goed wat God doet. Dan kastijdt Deze ons tot ons nut, al gaat het door de diepe wegen heen, vleeskruisigende wegen soms. We kunnen er onder kreunen en zuchten, maar als de Heere ons er voor inwint is het waar: ‘Het is goed, o God, Uw weg is goed.’

 

Gij zult mij leiden door Uw raad,
O God, mijn heil, mijn Toeverlaat,
En mij, hiertoe door U bereid,
Opnemen in Uw heerlijkheid.

 

Maar waar de Heere rechte wegen gaat en Hij daarvoor inwint, is het verlangen aanwezig om zelf die gangen ook te gaan. Om zo door die scepter te mogen geleid worden in het rechte spoor van het Woord. Om ook in die weg naar Gods Woord te mogen handelen en daarin te mogen wandelen. Calvijn zegt ervan: ‘Want, omdat Hij gerechtigheid bemint, zo maakt Hij dat ze in de Zijnen regeert.’ Kort gezegd: ‘Hij maakt dus dat de gerechtigheid ook in de Zijnen regeert.’ Dan wint Hij in om rechte wegen te gaan. Dan laat Hij het gebed oprecht bidden:

Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten. En zie, of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op de eeuwige weg (Ps.139:23-24).

‘Hoe het ook gaan mag, Heere, dat ik toch bewaard mag worden voor de zonde, dat ik de rechte weg van het Woord mag gaan. Leid U mij.’

 

Leer mij naar Uw wil te handelen,

‘k Zal dan in Uw waarheid wandelen;

Neig mijn hart, en voeg het saâm,

Tot de vrees van Uwen Naam.

 

Dan krijgt de Heere vrijwilligers in Zijn dienst, zelfs ook in kruis- en drukwegen. Dan zingen Paulus en Silas Gode lofzangen in de nacht.

 

De scepter Uws Koninkrijks is een rechte scepter; Gij hebt rechtvaardigheid liefgehad en ongerechtigheid gehaat (Hebr.1:9).

Dat is het kenmerk van Zijn bewind. Hetgeen recht is, hetgeen naar Zijn Woord is, dat bemint de Heere. En Hij haat goddeloosheid. Hij is een God Die liefheeft en ook gelijktijdig een God Die haat.

Kan de Heere dan haten? Kan de Heere Jezus dan haten? Hij, Die het land doorging goeddoende, kan Hij haten? Gemeente, Hij haat de ongerechtigheid. Hij haat de goddeloosheid. Maar Hij haat de zondaar niet. Hij haat ook het schepsel, als schepsel, niet. Hij haat wel de zonde. Hij haat wel de goddeloosheid. Laten we daarvan diep doordrongen zijn.

 

Er zijn veel mensen die alles zetten op de noemer van Gods liefde. God is liefde. En het wordt zó benadrukt dat veel uit de Bijbel kan worden geschrapt. Alles wat er niet mee overeenkomt, dat wordt niet aanvaard. God is liefde. Alles wat er van de mens is, daar lijdt God onder. Een machteloze God Die eronder lijdt.

Maar, gemeente, dat is tegen het Woord van God in. Zijn troon is vast en onbewogen en Hij haat de goddeloosheid in u en in mij. Hij haat wat van Gods Woord afwijkt. Zolang er ongerechtigheid is tegenover gerechtigheid, haat Hij de ongerechtigheid met een volkomen haat. En gerechtigheid heeft Hij lief. Hij kan als de Heilige met de zonde geen gemeenschap hebben. Wat heeft Christus op de aarde geleden onder de goddeloosheid, hetzij vroom of werelds! Hij heeft ze gehaat. En dat doet Hij nog.

En daarom is het zo’n groot wonder dat mensen, die enkel zondaar zijn, nog genade kunnen ontvangen. Dat er bij God nog vergeving te verkrijgen is voor zondaren die van zichzelf niet anders hebben gedaan dan God getergd met hun schuld, met hun zonde, met hun goddeloosheid.

Laten we beseffen wat het avondmaalsformulier zegt: dat God, eer Hij de zonde ongestraft liet, Hij ze strafte aan Zijn eniggeboren Zoon. Zo ernstig neemt God de zonde. En zo ernstig neemt Gods Zoon de zonde. Hij ziet ze niet door de vingers. Hij is niet zomaar een goede God Die het wel op een akkoordje gooit met de zonde. Nee, gemeente, Hij eist ons terug zoals Hij ons geschapen heeft. Volmaakt. Al het onze moet voorwerp zijn van Zijn heilige toorn. God toornt schrikkelijk tegen de aangeboren en werkelijke zonde en wil die met de hoogste straf ook straffen naar lichaam en ziel beide.

 

Daarom mag die wetenschap ons wel op het hart gebonden zijn, dat onze zonden door God niet door de vingers gezien worden, maar dat Hij ze haat en zal bezoeken. Opdat we temeer gedrongen zouden worden, waar het thans nog het heden der genade is, vergeving te zoeken, om genade te verkrijgen, om barmhartigheid te mogen vinden. Het wordt vandaag nog van die troon u bekendgemaakt dat Hij geen lust heeft in onze dood, in onze ondergang, maar dat we ons zouden bekeren en leven. Dat is een wonder!

 

Gij hebt gerechtigheid lief en haat goddeloosheid.

Daarom zal Hij ook gerechtigheid bestellen, zal Hij het kwade tegengaan. Zijn regering kenmerkt zich door het bevorderen van gerechtigheid. Van Hem heeft Jesaja geprofeteerd: Hij zal de armen met gerechtigheid richten en de zachtmoedigen des lands met rechtmatigheid bestraffen; want gerechtigheid zal de gordel Zijner lendenen zijn, ook zal de waarheid de gordel Zijner lendenen zijn (Jes.11:4-5).

Als Knecht des Heeren zal Hij het recht de heidenen voortbrengen en het recht op de aarde bestellen. Hij gaat dus tegen het kwade in en wint in voor gerechtigheid. Dat zal eenmaal volmaakt zijn in het hemels paradijs. Daar zal de wolf met het lam verkeren, en de luipaard en de geitenbok nederliggen; en het kalf en de jonge leeuw en het mestvee tezamen (Jes.11:6).

 

Gemeente, laat het een zaak zijn die ons bij de voortduur aan de troon der genade verbindt. Krachtens onze zonde moet Hij ook ons aanzien met gramschap en toorn. Maar in mededogen laat Hij de boodschap nog uitgaan dat er vergeving te krijgen is en genade voor zondaren.

Zo bevordert Hij een rechte gerechtigheid. Hij zal de verdrukkers verbrijzelen, maar de armen recht doen op hun klacht. Als Hij het recht handhaaft is het ook tot zegen van de Zijnen, is het ook tot behoud en tot verlossing en tot besturing van hun weg.

 

Hij slaat hun zielen gâ,

Als hen geweld en list bestrijden,

Al gaat het nog zo hoog;

Hun bloed, hun tranen, en hun lijden,

Zijn dierbaar in Zijn oog.

 

 

Dus Hij bevordert recht en gerechtigheid. Hij haat het kwade. En zo zal Hij ook in de Zijnen, waar Hij ze vernieuwt naar Zijn beeld, dat verlangen wekken. Dan wordt, door genade, zonde tot zonde voor God, en leren we de zonde zien en haten en vlieden.

Hoewel we aan de andere kant doorleven dat we in onszelf zondaar zijn en blijven. Dat was ook de strijd van Paulus: Als ik het goede wil doen, dan ligt het kwade mij bij. Het goede, dat ik wil doe, ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? Ik dank God door Jezus Christus, onze Heere (Rom.7:21,19,24,25). Aan de ene kant kende hij zichzelf als een totaal verdorven mens, in wie geen gerechtigheid is. Maar hij mag zich uitleveren aan zijn Koning, opdat Die dat zal bevorderen, opdat Die dat zal uitwerken. Opdat Hij hem zal vernieuwen naar Zijn beeld.

 

Wij moeten leren de zonde te haten. Wat zonde tegen God is, moeten we mijden en vlieden, door de kracht van Zijn genade. Dan zegt Jozef in de tere vreze Gods: Hoe zou ik dan dit een zo groot kwaad doen en zondigen tegen God? (Gen.39:9)

Ons vlees bemint de zonde. Het vlees voelt zich thuis in de zonde, hetzij godsdienstig of goddeloos. Maar, waar het nieuwe leven wordt ontvangen, ontvangen we ook liefde tot gerechtigheid en leren we de zonde haten en vlieden.

Leg je leven daar maar eens naast, gemeente, jongens en meisjes. Hebben we afkeer van de zonde vanwege de gevolgen, vanwege de straf die er op volgt? Proberen we de zonde te laten vanwege de kwalijke gevolgen? Of is zonde, in welk opzicht ook, zonde voor God geworden? En worden zonden in het rechte licht gezien? Dan hebben we de Heere er niet voor over, dat we tegen Hem zondigen. Dan doet het smart in ons hart dat we zo’n gruwelijke zondaar zijn. Want dan vervult droefheid naar God ons hart, als eerste vrucht van Gods genade. En het wordt steeds meer een droefheid naar God over de zonde, die een onberouwelijke bekering tot zaligheid werkt. Waardoor het de keus wordt: ‘Heere, neemt U mij bij hart en hand.’

Dan is er het verlangen te leven naar Gods wil, zoals de dichter daarvan spreekt en wij daarvan zingen uit Psalm 101 de verzen 2, 3 en 4:

 

‘k Zal met verstand de weg betreên der vromen;

Wanneer zult Gij, mijn Bondsgod, tot mij komen?

Ik zal doen zien in al mijn huisbeleid

D’ oprechtigheid.

 

‘k Zal met vermaak naar ‘t kwaad niet overhellen;

Geen godd’loos stuk mijzelf voor ogen stellen;

Ik haat het doen der schend’ren Uwer wet,

En schuw die smet.

 

‘t Verkeerde hart, in wien ‘t mij ook moog’ blijken,

Zal uit mijn huis en van mijn omgang wijken;

Mijn gunst zal hen, die boze wegen gaan,

Nooit gadeslaan.

 

3. De gaven Hem geschonken

 

Met betrekking tot de heerlijkheid van Sions Koning, zagen we de vastheid van Zijn troon en de grondslag van Zijn bewind. Nu letten ook nog op de gaven die Hem geschonken zijn. Want daar spreekt onze tekst ook van: Daarom heeft U, o God, Uw God gezalfd met vreugdeolie, boven uw medegenoten. Al Uw klederen zijn mirre en aloë en kassie; uit de elpenbenen paleizen, vanwaar zij U verblijden.

 

Daarom heeft U o God, Uw God gezalfd, staat er.

Opnieuw wordt de Koning bij de heerlijke Naam genoemd: O God.

‘Uw God heeft U, o God, gezalfd.’ Vanouds is het gezien als een tekst waaruit bewezen wordt dat God uit meerdere personen bestaat. De drie-eenheid die in het Nieuwe Testament zo helder en klaar wordt geopenbaard, was ook onder het Oude Testament geen onbekende zaak. Dat God in meerdere personen bestaat, blijkt ook uit deze tekst. ‘Daarom heeft U, o God, o Koning der koningen, o Heere der Heeren, Uw God gezalfd.’ De Vader zalft de Zoon als Middelaar. Hij is van eeuwigheid af gezalfd geweest. Hij is bij de doop door Johannes in de Jordaan rijk met de Heilige Geest begiftigd.

 

De bekende verklaarder Dr. Owen zegt dat dit hier een zalving is bij de glorieuze verhoging van Jezus Christus, toen Hij plechtig in Zijn Koninkrijk werd ingehuldigd. Hij ziet het dus hier als de rijke zegen van de Heilige Geest, Die Hem is geschonken om die uit te delen. Hij, aan de rechterhand des Vaders verhoogd zijnde, heeft dat uitgedeeld wat gij nu ziet en hoort. Hij heeft de Heilige Geest dus als een inhuldiging ontvangen in nog rijkere mate en deelt er ook gaven van uit. Het is als bij Aäron; toen hij gezalfd werd daalde de olie in zijn baard en zijn klederen, tot op de zoom van zijn kleding toe. En zo is ook hier de Koning gezalfd met vreugdeolie boven Zijn medegenoten.

 

Brakel zegt er van: ‘Dat heeft God gedaan, opdat Hij uit Zijn volheid zou uitdelen ook genade voor genade.’ In Christus is immers een volheid van genade en heerlijkheid. Alles is in Zijn hand gesteld. God heeft Hem gezalfd met vreugdeolie boven Zijn medegenoten. Boven de mensen, boven de engelen, boven die aan Zijn zijde staan.

Hoort u daar ook bij? Hoort u ook bij die medegenoten? Of staan we nog vreemd tegenover Hem? We hebben het toch nodig, gemeente, dat dit waarheid wordt in ons leven, dat we aan Zijn kant vallen, dat we ons onder Zijn regering mogen begeven. Dan zullen we ook gaven ontvangen, die Hij heeft verworven. En ten diepste mogen we zeggen dat juist door Zijn gave van de Heilige Geest dat nieuwe leven gewerkt wordt en dat dit gestalte krijgt in liefde tot God en tot Zijn dienst.

En daarom is het zo nodig dat we daar verlegen om zijn. Brakel zegt: ‘Het is net als bij de weduwe in de tijd van Elisa, die een schuldeiser had die haar zonen voor zich opeiste. Zij moest maken veel lege vaten te hebben. Ze had maar één kruikje olie, maar ze had veel lege vaten. En uit dit ene kruikje olie zijn al die vaten gevuld en haar nood was gelenigd.’ ‘En zo,’ zegt Brakel, ‘moet het ook bij ons zijn: lege vaten, opdat die gevuld zouden worden met de olie van de Heilige Geest.’

 

Hij heeft die olie ontvangen. Hij is er mee gezalfd. Maar ook juist om gaven te nemen en uit te delen. Dat is een groot wonder, gemeente. Gezalfd met vreugdeolie, die blijdschap teweegbrengt. Natuurlijk is er een weg van ontdekking en er is een diepere weg van ontdekking. Maar tenslotte is de vrucht van de Geest toch: liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid en matigheid, zoals Paulus die noemt in de brief aan de Galaten. Dan brengt die olie toch ook vreugde teweeg. En blijdschap die de wereld niet kent. Dat vervult het hart met vrede.

 

Al Uw klederen zijn mirre en aloë en kassie; uit de elpenbenen paleizen, vanwaar zij U verblijden.

Die vreugdeolie werd altijd afgebeeld door olie, gemengd met specerijen. Als een priester gezalfd werd, als een koning gezalfd werd, was er speciale olie. Daar was aan toegevoegd mirre, aloë en kassie, zaken die de olie tot een heilige olie maakten. Daar ging van die olie een heerlijke geur uit. Die speciale olie waarmee gezalfd werd, mocht niet worden nagemaakt, op straffe des doods.

 

En die specerijen hadden hun eigen functie. Daar ging een heerlijke geur van uit, dat was tot verkwikking, maar ook wervend; aantrekkingskracht werd er ook door uitgeoefend. Zo gaat er ook van die gaven van Zijn olie een wervende kracht uit.

Daar zal straks een maagdenstoet zijn die achter Hem aankomt. Maar weet u wat we dan nodig hebben? Een vernieuwd reukorgaan om de heerlijke geur te ruiken die uitgaat van die olie. We hebben een goede reuk voor de zonde en een goede reuk voor hetgeen van de wereld uitgaat. Maar net zo goed als we een verlicht oog nodig hebben en onze oren moeten leren horen, hebben we ook een vernieuwd reukorgaan nodig. Dan snuiven we niet langer met welgevallen de geur van de zonde op. Dan leren we daarvan walgen; het wordt een stank in onze neusgaten, gemeente.

 

En dat is alleen door de kracht van de Heilige Geest. Want wie we zijn en blijven zegt Gods Woord genoeg. Dat we soms zo’n behagen hebben in hetgeen van het Woord afwijkt. Maar als de Heere overkomt, dan geeft Hij een vernieuwd reukorgaan en doet dat werkzaam zijn, waardoor de geuren worden ingenomen die uitgaan van de olie waarmee Hij gezalfd is, die mirre, aloë en kassie. Dan wordt dat hetgeen waarin je je behagen hebt. Dan word je daartoe aangetrokken.

Daar gaat een wervende kracht uit van de Heilige Geest. De Heilige Geest is werkzaam als de Geest van Christus en daarin maakt Hij Hem, die Koning der koningen, beminnelijk en schoon en onmisbaar. Als datgene wat Hij is, en in Zijn Woord ons van Hem bekendgemaakt wordt, geopenbaard wordt, dan maakt Hij dat onmisbaar in ons leven. Daar gaat een heerlijke geur van uit.

 

En het maakt wat gaande, want dat doet uitgaan tot Hem om er meer van te mogen ontvangen. Dat kunnen we dan niet missen. Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk (Hoogl.5:16). Dan zegt de bruid in het Hooglied: Zijn wangen zijn als een beddeken van specerij, als welriekende torentjes; Zijn lippen zijn als leliën, druppelend van vloeiende mirre (Hoogl.5:13). Wie Hij is en al wat van Hem uitgaat, wat Hij spreekt, dat wordt als mirre en aloë en kassie. Dat zijn die welriekende geuren, daar gaat die aantrekkingskracht van uit. Dan wordt aan een zondaar, die aan zichzelf ontdekt is, het vermogen geschonken om daarin te mogen delen.

Gods kinderen kennen het verlangen om daarmee vervuld te zijn, om dat bij de voortduur te ondervinden; om die heerlijke geuren daarvan bij de voortduur te mogen opvangen. Want al wat aan Hem is, is gans begeerlijk.

 

U begrijpt wel, gemeente, het is alles beeldende taal; het is allemaal aan aardse omstandigheden ontleend. Maar het heeft zo’n diepe betekenis, het heeft geestelijk zo’n diepe strekking! Het heeft zo’n rijke inhoud in zich, dat al wat van Hem uitgaat, beminnelijk is en schoon en dierbaar. Dat u dat maar zou mogen meenemen, zoals de bruid het uitspreekt in het Hooglied! Dat u dat zou mogen meenemen! Vraag de Heere of Hij plaats wil maken in uw hart voor Hem, voor die genade. Met minder kan het niet.

 

Daar zal Gods Kerk zich eeuwig in verlustigen en vermaken. Dat mag op aarde geen vreemde zaak zijn.

Gemeente, het gaat op een eeuwigheid aan. Wie weet hoe spoedig we het aardse leven moeten verlaten. Jongens en meisjes, wie garandeert ons dat wij oud zullen worden? En al zou je nog twintig, nog vijftig jaar te leven hebben, als je iets kent van die geuren van deze specerijen, als je iets kent van die heerlijkheid die ervan uitgaat, als je daardoor wordt aangetrokken, en je mag het tot je nemen met dat vernieuwde orgaan dat God schenkt, dan mag ik je zeggen: er is niets wat daarmee te vergelijken is!

Dan verliest de wereld haar glans. Dan verliest de wereld haar bekoorlijkheid. Je staat natuurlijk middenin de wereld, je staat met je beide benen in de maatschappij, maar wat heeft de hoogste plaats in je hart? Waar gaat je hart naar uit? We hebben allemaal van nature een behagen in de zonde, we hebben een behagen in datgene wat van de wereld is, wat ons groot doet zijn. Die geuren snuiven we maar op en die betoveren ons. Maar deze geuren en deze heerlijkheid van die Koning, als je die mag inademen, als je die tot je nemen mag, dan is dat een heerlijkheid waar je van verlangt er meer van te mogen ondervinden.

 

De Kerk des Heeren zal er straks eeuwig verzadigd mee zijn. En wat straks volmaakt zal zijn, mag hier op aarde geen onbekende zaak zijn. Dat kan niet. Er moet in beginsel geleerd worden wat straks eeuwigheidswerk zal zijn. Ik weet, God kan kleine kinderen bekeren, de Heere kan ook jonge levens genadig vervullen met Zijn ontferming. Maar als regel leert de Heere dat toch als we tot onderscheid van jaren zijn gekomen. Dan leert de Heere door Zijn Woord, dan geeft Hij Godskennis en zelfkennis. Dan worden we ontdekt aan onze schuld en zonde.

 

Ik zeg op de catechisatie weleens: ‘Jongelui, onthoud het goed: drie o’s zijn nodig in ons leven: opening van je hart, ontdekking aan de zonde en openbaring van Christus.’ En dat in die volgorde. Dat is nodig in ons leven, in ieders leven. Dat wil Hij nog doen vanaf die troon. Vanaf die troon stuurt Hij Zijn dienaren nog uit, laat Hij Zijn Woord nog verkondigen, opdat u mag zien wie u bent voor God. Opdat u mag buigen voor de Heere, uw schuld erkennen en belijden. Vraag maar veel om de werking van die Geest.

 

Maar daar laat de Heere het niet bij. Want Hij verwondt om te helen. Hij doet smarten aan om te verbinden. Dan troost Hij ook van die troon met bemoedigingen. Dan is het ook waar: ‘Zoon, wees welgemoed, dochter, wees welgemoed, uw geloof heeft u behouden.’ Dat spreekt Hij ook van die troon. Hij regeert en leidt ons leven. Dan mogen we door kruis en druk heen, achter Hem aankomen. Dan legt Hij Zijn scepter der rechtmatigheid over ons leven.

Dan heeft Hij het nog nooit verkeerd gedaan, want Hij heeft gerechtigheid lief en Hij haat goddeloosheid. En er gaat van Hem iets uit, gemeente: een geur van nodiging, van opwekking, van trekking. Door de kracht van de Heilige Geest wint Hij harten in en krijgen ze een verlangen tot eer van God te leven, in Zijn gunst en gemeenschap nabij de Heere te zijn, er meer van te ontvangen en het uit te roepen in verwondering: Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk. En om dan zo, onder het heiligend kruis, te reizen naar het erfgoed hierboven, naar het Vaderlijk huis.

 

Mogen we iets kennen van dat verlangen van de dichter om Hem te verheerlijken, om Hem ook groot te maken?

Er is geen rijker werk, er is geen heerlijker werk dan zo ermee in te stemmen, dan zo het lied te mogen zingen van deze Koning:

 

Mijn hart, vervuld met heilbespiegelingen,

Zal ‘t schoonste lied van enen Koning zingen.

 

Hier in beginsel en straks volmaakt.

 

Amen.

 

Slotzang Psalm 133: 2, 3

 

Die liefdegeur moet elk tot liefde nopen,

Als d’ olie, die, van Arons hoofd gedropen,

Zijn baard en klederzoom doortrekt;

Z’ is als de dauw die Hermons kruin bedekt,

Die Sions top met vruchtbaar vocht besproeit,

En op zijn bergen nedervloeit.

 

Waar liefde woont, gebiedt de Heer’ de zegen;

Daar woont Hij Zelf, daar wordt Zijn heil verkregen,

En ’t leven tot in eeuwigheid.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 20)