Ds. H. Paul - Lukas 7 : 14 - 15

De opwekking van de jongeling te Naïn

Lukas 7
De ontmoeting van de Levensvorst met de dood
De overwinning van de Levensvorst over de dood
Het getuigenis dat van het Leven wordt gegeven

Lukas 7 : 14 - 15

Lukas 7
14
En Hij ging toe, en raakte de baar aan; (de dragers nu stonden stil) en Hij zeide: Jongeling, Ik zeg u, sta op!
15
En de dode zat overeind, en begon te spreken. En Hij gaf hem aan zijn moeder.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 77: 8
Lezen : Lukas 7: 1-23
Zingen : Psalm 42: 3, 5
Zingen : Psalm 146: 5, 7
Zingen : Psalm 56: 6

Gemeente, onze tekst vindt u in het gedeelte van het Woord van God, dat u is voorgelezen, uit Lukas 7, en daarvan de verzen 14 en 15, waar we Gods Woord en onze tekst lezen:

 

En Hij ging toe en raakte de baar aan (de dragers nu stonden stil) en Hij zeide: Jongeling, Ik zeg u, sta op. En de dode zat overeind en begon te spreken; en Hij gaf hem aan zijn moeder.

 

Deze tekst spreekt ons van: De opwekking van de jongeling te Naïn.

 

We vragen uw aandacht voor drie gedachten:

1. De ontmoeting van de Levensvorst met de dood

2. De overwinning van de Levensvorst over de dood

3. Het getuigenis dat van het Leven wordt gegeven

 

1. De ontmoeting van de Levensvorst met de dood

 

Gemeente, de Heere Jezus zegt: Ik ben de Opstanding en het Leven (Joh.11:25). Hij is uit de dood opgestaan. Ieder jaar wordt ons tijdens de paasdagen gepredikt: De Heere is waarlijk opgestaan (Luk.24:34). Hij had Zich in de dood overgegeven en heeft de dood overwonnen. Daarom verrees Hij uit het graf. Hij heeft alles betaald wat nodig was om zondaren met God te verzoenen, opdat God Zijn kinderen Zijn liefde zou tonen en hen in Zijn vrede en gunst zou doen delen.

De Heere Jezus ís niet alleen opgestaan, Hij dóet ook opstaan. Hij brengt tot opstanding, niet alleen lichamelijk, maar ook geestelijk. We weten dat Hij drie doden heeft doen opstaan: het dochtertje van Jaïrus, de jongeling te Naïn, en ook Lazarus, de broer van Maria en Martha.

Nu is het voor ons allemaal nodig dat ook wij opgewekt worden uit onze geestelijke dood. Want wij zijn, door onze zonden, aan de geestelijke dood onderworpen. De wonderen die de Heere Jezus op de aarde heeft verricht, zijn tekenen, oftewel bewijzen, dat Hij ook machtig is uit de geestelijke dood op te wekken.

Reeds onder het Oude Testament onderwees de Heere Israël dat Hij machtig was de band van de dood te breken. Denk aan het visioen van Ezechiël over de dorre doodsbeenderen. Daarbij moest hij spreken: Gij dorre beenderen, hoort des Heeren woord (Ez.37:4). Op dit machtswoord werden ze levend. Ook de zoontjes van de weduwe te Zarfath en van de Sunamitische vrouw zijn er het bewijs van.

 

De wonderen die de Heere Jezus op aarde verrichtte wijzen op het feit dat Hij door de Vader gezonden is als de beloofde Messias. Want blinden zouden ziende worden en doven zouden horen. Ja, zelfs de doden zouden opgewekt worden, zo profeteerden de profeten.

De Heere Jezus is het Leven, Dat de dood opzoekt, om die dood te overwinnen. Daarbij is Hij de Eerste.

 

Dat zien we ook bij het wonder dat Hij in Naïn verrichtte. We zien ook hierbij dat Hij de Eerste is. Hij ging vanuit Kapernaüm naar Naïn.

Het stadje Naïn ligt bij de vlakte van Jizreël, op een heuvel, een dagreis van Kapernaüm. Naïn betekent: de liefelijke. Het was een heel mooie plaats. Maar, al is het er nog zo mooi wonen, ook in die plaats zijn er de zorgen, de moeite en het verdriet. Die zijn niet buiten de stad te houden.

Ook daar waar het zo mooi wonen is, zijn de begraafplaatsen. Want ons allen geldt: Alle vlees is gras en al zijn goedertierenheid als een bloem des velds. Het gras verdort, de bloem valt af, als de Geest des Heeren daarin blaast (Jes.40:6-7).

 

We zien dat, als we bij die plaats komen. Want de poort van de stad gaat open. Er komt een hele stoet mensen naar buiten. Het is een begrafenisstoet. Voorop lopen de klaagvrouwen, wenend en roepend: ‘Ach, mijn broeder, ach, mijn broeder!’ Daar achter lopen de fluitspelers met hun treurmuziek. Zo waren de gewoonten in die tijd.

Dan komt de baar, waar een jonge man op ligt. Het is een jongeling, de enige zoon van een weduwe. Deze weduwe heeft al eerder deze gang gemaakt. Misschien wel jaren terug, of nog maar kort geleden. We weten niet hoe lang dat geweest is. Maar het is gebeurd. Haar man is óók gestorven. Toen liep zij óók achter die baar. Nu loopt zij daar voor de tweede keer! Haar zoon, die voor haar zorgde, de enige nakomeling, werd plotseling, of na een ziekbed, door de dood weggenomen. Ook in dat liefelijke, mooie Naïn, was er verdriet en gemis door de zonde.

 

Voor die weduwe was haar zoon de hoop van haar leven. Het voortbestaan van haar geslacht was door zijn dood afgesneden. Daarmee ook het deel hebben aan het beloofde land dat de Heere Zijn volk had gegeven. Wie zou er voor haar zorgen in haar oude dag? Het verlies van een enige zoon is het beeld van de diepste smart. In Jeremia 6 vers 26 lezen we: Maak u rouw eens enigen zoons, een zeer bitter misbaar.

Toen haar man was overleden had men wellicht gezegd: ‘Gelukkig heb je je zoon nog.’ Dat was wel waar, maar hij kon het verlies van een geliefde man niet wegnemen. Die tere liefdesband was door de dood verbroken. Al was het een grote zegen om haar zoon te hebben. Maar nu is ook hij haar ontvallen. Hij laat een grote lege plaats achter.

Hij wordt door vrienden of buren op een baar gedragen, omwikkeld door het linnen dat daarvoor gebruikt werd. Het hoofd omwikkeld met een zweetdoek, maar zo, dat het gezicht onbedekt bleef. Daarachter kwam de weduwe, gesluierd, bitter schreiend. Een toonbeeld van smart. Zo gaat deze stoet de stad uit.

 

Maar deze stoet ontmoet een andere stoet! Want de Heere Jezus was uit Kapernaüm naar Naïn gegaan. In Kapernaüm had Hij de knecht van de hoofdman over honderd genezen. Daarin had Hij Zijn almacht getoond. De volgende dag reist Hij naar Naïn. Waarom is hij daar naar toe gegaan? Niemand wist dat. Velen waren met Hem meegegaan. Een grote schare kwam achter Hem aan, om de wonderen en de tekenen te zien. Misschien ook wel om te horen wat Hij sprak.

Christus weet wel waarom Hij naar Naïn gaat. Hij is gekomen om de wil van Zijn Vader te doen. Daarom ging Hij naar deze plaats. Niet omdat men in Naïn naar Hem gevraagd had. Niet omdat die weduwe om Hem verlegen was geweest. Maar Hij kwam toch en ging naar haar toe.

Daarom kan het zijn dat wij nu in de kerk zijn, zonder dat wij naar Hem gevraagd hebben, maar dat Hij toch komt. Hij is altijd de Eerste! Ik ben gevonden van hen die naar Mij niet vraagden, Ik ben gevonden van degenen die Mij niet zochten; tot het volk dat naar Mijn Naam niet genoemd was, heb Ik gezegd: Zie, hier ben Ik, zie, hier ben Ik (Jes.65:1).

Zo is het nog. Wij bidden wel om Zijn komst in ons leven. Ook om een nieuw hart, kinderen. Blijf dat doen, het is naar Gods Woord. Maar het echte bidden leert de Heilige Geest.

 

Wij zien dat de dood en het Leven elkaar ontmoeten. Hoe zal die ontmoeting aflopen? Het is nodig om dat te weten. Als de dood en het Leven elkaar ontmoeten, hoe gaat het dan? Het is nodig dat ook voor ons persoonlijk te weten. Want wij mogen bij de lichamelijke dood niet blijven staan. Wij allen dragen de dood in ons. Wij allen zijn, zegt Gods Woord, dood in zonden en misdaden. Als we dat verstaan en als we dat geloven, dan gaan we rouwklagen over onze dood.

Door onze schuld en door onze zonden zijn wij aan de geestelijke dood onderworpen. Als we dat gelóven, gaan we vragen naar het Leven. Daarom is het zo nodig te weten hoe het gaat als de dood en het Leven elkaar ontmoeten.

De Heere Jezus zoekt de dood op om hem te overwinnen. Daartoe kwam Hij in deze wereld. Om te zoeken en zalig te maken dat verloren is. Om de werken des duivels te verbreken. Daar hoort de dood ook bij. Wie zal bij deze ontmoeting de sterkste zijn? Dat is een vraag die ook voor ons van het hoogste belang is. Als we beseffen wie we door de zonde geworden zijn, gaan we rouwklagen over onze zonden. Dat wordt een levende rouw. Jeremia schrijft: Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden (Klaagl.3:39). Wat een wonder is het dat er Eén gekomen is om de dood te overwinnen en de zonde te verzoenen.

Welnu, dat zien we hier in Naïn, dat bij die ontmoeting het Leven de dood overwint.

 

2. De overwinning van de Levensvorst over de dood

 

We lezen in vers 13: En de Heere haar ziende, werd innerlijk met ontferming over haar bewogen, en zeide tot haar: Ween niet. Dat is het beslissende moment. Lukas gebruikt hier voor het eerst de Naam ‘Heere’. Hij is de Heere der heren en de Koning der koningen. Hij heeft de bevoegdheid en de macht over alle dingen. Ook  over de dood. Hij Die het Leven is, zal de dood overwinnen. Dat gaat niet buiten Hem om. Want als de Heere Jezus daar komt en die stoet ziet, is Hij met innerlijke ontferming bewogen. Hij is God en Hij is óók mens. Hij kwam om de wil van Zijn Vader te doen. Dat deed Hij met een bewogen hart en met ontferming. Hij is vatbaar voor menselijke aandoeningen.

Wij zien daarin dat Hij wáár mens is. Dat Hij gevoelig is voor smart, voor verdriet. Hij is dat veel meer dan wij. Wij zijn zo vaak afgestompt. Maar Hij ziet in de dood de zonde, de opstand tegen God. Hij ziet daarin de toorn van God over de zonde. Hij doorziet daarin hoe God de mens gemaakt heeft en wat er nu, door onze schuld, van overgebleven is. Hij heeft smart over de zonde en over de gevolgen van de zonde.

In Hem zien we ook het hart van de Vader. We lezen in Genesis 6 vers 6: Toen berouwde het de Heere dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart. Bij de Sinaï heeft Hij uitgeroepen: Heere Heere, God, barmhartig en genadig; lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid (Ex.34:6).

 

Niemand zag de smart van dit sterven dieper dan Christus. Hij zag in deze begrafenis het loon op de zonde. Hij zag er de ontluistering van de schone schepping in. Wij spreken wel van een eervolle begrafenis. Maar het is geen eer voor ons mensen, dat we aan het stof der aarde worden toevertrouwd, waar we weer tot stof weerkeren. Dat behoort bij de straf op de zonde. De aanwezigheid van veel belangstellenden bij een begrafenis mag als een eerbetoon aan de overledene en de familie en als een eer bezien worden, maar op zichzelf is de begrafenis van iemand geen eer. Al is het nog erger als er ook nog geen meeleven is.

Daarom hebben Jozef van Arimathea en Nicodémus de Heere Jezus geëerd door Hem te begraven. Al was het de vierde trap van Christus’ vernedering. Maar Hij is ook weer uit het graf opgestaan en heeft daarmee getoond de dood te hebben overwonnen. Hij kan herstellen wat door de dood is verwoest. Dat doet Hij door Zijn machtswoord.

 

Hij zegt eerst tot de weduwe: Ween niet (vers 13). Uit ieders mond zou dit woord onredelijk geklonken hebben. Maar de Heere mag dit uitspreken als de Overwinnaar over de dood. Hij zal de oorzaak van haar verdriet wegnemen en daarmee het verdriet zelf. De kanttekenaren schrijven hierbij: ‘Daarmee wil Christus niet verbieden allerlei wenen over de dood, maar te kennen geven dat Hij de oorzaak van haar wenen wil wegnemen.’

Het betekent dus niet dat wij niet mogen schreien, als iemand gestorven is. O nee, dat mag wel. Maar Hij kan de oorzaak van het verdriet wegnemen. Daarbij moet de weduwe Hem eerst geloven vóór zij ziet wat Hij doet. Zijn woord moet haar evenveel waard zijn als Zijn wonder, dat Hij verricht. Dat hoort bij het koninkrijk Gods. Zij moet dus ook de grondwet van het koninkrijk Gods leren om door het geloof tot aanschouwen te komen. Niet ‘eerst zien en dan geloven.’ Zalig zijn zij die niet zullen gezien hebben en nochtans zullen geloofd hebben (Joh.20:29), lezen we. Het Woord van de Heere zegt het en Zijn Woord is de waarheid. Hij alleen kan dat werken. Want als Hij spreekt, dan geeft Hij wat Hij vraagt. Hij kan het ook bij deze vrouw zó maken, dat zij met geloof op Hem ziet en dat haar tranen drogen. Want Hij spreekt met macht en majesteit. Op zee sprak Hij tot de wind en de golven: ‘Wees stil!’

Maar Hij spreekt niet alleen; Hij doet méér. Als Hij gezegd heeft: Ween niet, dan loopt Hij op de baar toe. Dan staan de dragers stil.

Een begrafenisstoet tegenhouden mag alleen Hij doen, Die ook de macht heeft de dood tegen te houden. Nu staat de dood stil voor het Leven! Het is bij ons andersom. Dan staat het leven stil voor de dood. Als de dood komt, houdt het leven op. Zo is het ook in het maatschappelijk verkeer. Als er een begrafenisstoet aankomt, dan staat alles stil. Zo is het op de dorpen nog. In de stad zien we dat niet meer. De trams rijden door, de auto’s gaan door. Maar vroeger, als er een begrafenisstoet aankwam, stond alles stil. Dat was eerbiedig.

Maar hier staat de dood stil. De dragers nu stonden stil. Wie mag een begrafenisstoet stil houden, dan alleen Hij aan Wie de dood onderworpen is? Dat mogen wij niet.

 

Dan gaat Hij spreken. Hij spreekt: Jongeling, Ik zeg u, sta op. Dan staat die jongeling op.

Vroeger werden de mensen niet begraven in een kist, maar in doeken gewikkeld, in het graf gelegd. Ook deze jongeling was in lijnwaad gewikkeld. Daarbij was bij hem een zweetdoek om het hoofd gedaan, waarbij alleen het gezicht nog bloot was. Dan staat de jongeling op. Christus heeft macht! Jongeling, Ik zeg u, sta op. Hij heeft macht over de dood.

Die macht had Elia niet. Elia heeft eens gebeden of de zoon van de weduwe te Zarfath mocht leven. Hij bad tot de Heere. Elia kon geen dode levend maken. Ook Elisa niet.

Elisa, die de zoon van de Sunamitische weer tot leven gebracht heeft, kon dit niet van zichzelf. Maar de Heere Jezus brengt tot leven. Hij is de Opstanding, Hij is het Leven. Hij dóet ook leven.

 

De daad die de Heere Jezus hier doet is ook een daad van zelfopofferende liefde. Want de dood brengt onreinheid aan. Hij kwam daarmee onder het oordeel van de wet. Naar die wet was Hij zeven dagen ceremonieel onrein. Maar Hij werd er niet door verontreinigd. Daarom kon Hij melaatsen aanraken en Zijn machtswoorden uitspreken.

Altijd zijn er mensen geweest die zeiden: ‘Aan dode zondaren kan het evangelie niet gebracht worden.’ Maar we moeten niet wijzer willen zijn dan de Heere. Zijn Woord is met macht. Nu zegt Hij ook: Ik zeg u. Zo hebben Zijn dienaren in gehoorzaamheid ook te spreken in Zijn Naam: ‘Alzo spreekt de Heere’, en de uitkomst aan Hem over te laten.

 

Ik zeg u, sta op. Dan begint de jongeling te spreken. Dat is een teken van leven, Zo is het ook bij ons. Wanneer de Heere ons geestelijk opwekt, gaan we ook spreken. Dan gaan we anders spreken dan vroeger. Wat gaan we dan zeggen? ‘Geloofd zij de Heere God’? Als de Heere ons geestelijk levend maakt, dan zeggen we: O God, wees mij zondaar genadig (Luk.18:13).

Dan gaan we spreken van het wonder dat God ons nog gespaard heeft. Dan zeggen we: ‘Heere, wat een wonder dat ik er nog ben, dat ‘s morgens de zon nog opgaat in het oosten en dat ik nog bij Uw Woord mag zijn. Wat een wonder!’

Dat spreken van een geestelijk levend gemaakte, wordt gewerkt door de Heilige Geest. De Heilige Geest maakt dat we smart hebben over de zonde. Dan verstaan we dat we geestelijk dood zijn. Dat we onszelf niet levend kunnen maken. Maar dan vragen we: ‘Heere, maak mij levend naar Uw Woord. Wilt U mij levend maken?’ Zo werkt de Heere. Dan doet Hij spreken en smeken: ‘Genâ, o God, genâ, vergeef mij al mijn zonden.’

Zo zien we dat de Heere ook deze jongeling doet spreken. Wat heeft hij gezegd? Dat weten we niet. Wat heeft Lazarus gezegd toen hij levend gemaakt was? Wij weten het niet. Wat heeft het dochtertje van Jaïrus gezegd? Ook dat weten wij niet. Het gaat niet om de mens. Het gaat om Hem Die doden levend maakt, opdat wij zullen weten dat Hij almachtig is.

 

Dan geeft Hij die jongen ook terug aan zijn moeder. Die jongeling was van Hém, want Hij had deze dode jongen levend gemaakt. Die moeder was haar jongen al kwijt. Nu heeft de Heere Jezus hem levend gemaakt en geeft Hij hem terug aan zijn moeder.

Zo maakt de Heere Jezus weer één wat verbroken was. Waar scheiding gekomen is, brengt Hij het weer bijeen. Dat is Zijn werk. Het werk van de zonde is uit elkaar scheuren en verwoesten. Maar het werk van de Heere Jezus is bijeenvoegen wat bij elkaar hoort. Zo is het ook hier. Hij geeft hem terug aan zijn moeder. Hij is het Die het recht der armen, der verdrukten gelden doet, Die uit liefderijk erbarmen hongerigen mild’lijk voedt.

Zo brengt Hij ook geestelijk doden weer terug naar God, naar de Heere. Wanneer Hij geestelijk doden levend maakt, dan zijn ze van Hem. Dan zijn zij het eigendom van Jezus Christus, met ziel en lichaam, beide in leven en in sterven. Dat is de enige troost.

Kennen wij die troost? Dan zijn wij niet van onszelf, maar dan zijn wij het eigendom van Jezus Christus.

Als wij van Hem zijn, dan zal Hij ons ook leiden door dit leven, ook met allerlei moeite, kruis en verdriet. Hij zal ons toch leiden. Onze catechismus zegt: ‘Dat mij alle ding tot mijn zaligheid dienen moet.’ Dan krijg ik uit Gods hand wat het beste voor mij is. Ook wat ik niet wil. Ook wat ik liever niet heb. Dat is tóch tot mijn welzijn.

 

Wat doet Hij ook met allen die Hij levend gemaakt heeft? Die brengt Hij terug naar God. Dat zijn Gods kinderen. Daar kunnen jonge kinderen bij zijn. Daar kunnen oudere mensen bij zijn. Dat kunnen heel oude mensen zijn, die dan toch Gods kinderen gemaakt worden. Daartoe is Hij almachtig. Als Hij levend maakt, dan maakt Hij ze tot Zijn eigendom en geeft Hij ze ook terug aan God.

Wat een blijdschap is het voor die moeder, voor die weduwe, dat ze haar zoon terugkrijgt. Wat een wonder! In aanbidding zal ze de Heere wel erkend hebben.

 

Maar dan zien we dat de schare, die er omheen loopt, niet precies begrepen heeft waar het nu om ging. Waarom heeft de Heere Jezus dat teken gedaan? Voor die jongeling, maar ook voor de schare, opdat zij in Hem geloven zouden, als de beloofde Messias.

Is dat de vrucht? Geloven ze allemaal in Hem? Geloven ze in Hem als de Zaligmaker? Ze zeggen: Een groot profeet is onder ons opgestaan, en: God heeft Zijn volk bezocht (vers 16). Het klinkt goed. God heeft Zijn volk bezocht. God krijgt de eer… Een groot profeet is in het midden van ons opgestaan. God heeft Zijn volk bezocht. Dat is niet bezoeken met plagen, maar in ontferming gedenken.

Een groot profeet is onder ons opgestaan. Is Hij een profeet? Ja, Hij is een groot Profeet. Maar Hij is ook Priester en ook Koning. Daar lezen we niet van. Zij denken dat Hij een profeet is, een groot profeet voor Israël. Israël kreeg van God weer een Profeet. Daar waren zij blij mee. Dat was hun trots. Hij kwam echter niet om gediend te worden, maar om te dienen. Waarin zou Hij het meest verheerlijkt worden? Als zij Hem ook nodig hadden als Profeet en als Priester en als Koning.

 

Waarom deed Hij dat wonder? Opdat ook zij een levende behoefte zouden hebben om geestelijk levend gemaakt te worden, opdat Hij ook voor hen de zonden zou wegdragen. Ze moesten Hem smeken: ‘Heere, maak ook mij levend!’ Dat is het grote doel van het onderwijs. Dat is altijd het grote doel van Zijn wonderen, dat Hij Zich openbaart en dat Hij laat zien Wie Hij is en waarom Hij kwam. Opdat wij Hem zouden nodig hebben. Daarin wordt Hij verheerlijkt. Dat hadden de profeten ook geprofeteerd.

Niet dat men zegt: ‘Wat een groot profeet is dat!’ Daar wordt Hij niet in verheerlijkt. Hij wordt er in verheerlijkt als men voor Hem buigt en als men Hem smeekt: ‘Wilt U ook in mijn leven Uw werk grootmaken en verheerlijken?’

De schare spreekt van een groot profeet, maar ze hebben Hem niet gezien als de Messias. Ze hebben Hem niet nodig gehad als de Koning opdat Hij ook hen zou verlossen. Niet om hen te verlossen van de macht van de Romeinen, maar van de macht van de zonden en van het verderf.

 

Voordat we in onze derde gedachte stilstaan bij het getuigenis dat van het Leven wordt gegeven, zingen we eerst Psalm 146 de verzen 5 en 7:

 

‘t Is de Heer’, die ‘t recht der armen,
Der verdrukten gelden doet;
Die, uit liefderijk erbarmen,
Hongerigen mild’lijk voedt;
Die gevang’nen vrijheid schenkt,
En aan hun ellende denkt.

 

‘t Is de Heer’, die vreemdelingen
Met een wakend oog beschouwt;
Weêuw en wees in twistgedingen
En in kommer staande houdt;
Maar Zijn arm, der vromen hoop,
Stuit de bozen in hun loop.

 

3. Het getuigenis dat van het Leven wordt gegeven

 

We lezen in vers 16: En vrees beving hen allen, en zij verheerlijkten God, zeggende: Een groot profeet is onder ons opgestaan, en: God heeft Zijn volk bezocht. Er ging wat uit van dit wonder. Het bracht het volk in de diepste verwondering. Daar gaven ze God de eer van. Lange tijd waren er geen profeten geweest die door God gezonden waren. En nu was er zelfs een Profeet Die wonderen deed. Daar merkten ze Gods hand in op en ze verheerlijkten Hem. Daar liep het wonder op uit. Het was ook het doel van de wonderen van de Zaligmaker.

Maar laten we deze lofprijzing niet overschatten. Ze zien er geen bewijs in van de vervulling van de profetieën van de beloofde Zaligmaker. Wel zien ze dat God Zijn volk bezocht heeft, maar niet zoals Zacharias door het geloof mocht bezingen: Geloofd zij de Heere, de God Israëls, want Hij heeft bezocht en verlossing teweeggebracht Zijn volke; en heeft een Hoorn der zaligheid ons opgericht in het huis van David, Zijn knecht (Luk.1:68-69).

 

Maar verstaan wíj de noodzaak van Zijn komst en delen wij in de vruchten ervan? Want dat is immers het doel van de komst van de Heere Jezus Christus, de beloofde Messias: dat Hij zondaren zal zalig maken. Want Hij heeft bezocht en verlossing teweeggebracht Zijn volk. Hij heeft bezocht, een bezoek gebracht. Maar dan met die diep ingrijpende betekenis dat Hij in die weg ook de zaligheid van zondaren teweeggebracht heeft. Hij heeft Zijn volk bezocht, er naar omgezien, het in ontferming willen gedenken.

Het woord ‘bezoeken’ kan ook een andere betekenis hebben. We kennen het woord ‘bezoeken’ ook in de betekenis van: bezoeken met straffen. Bezoeken met Zijn roê en bitt’re tegenheên. Dat zou rechtvaardig geweest zijn.

Maar nu bezoekt God Zijn volk met heil. Hij bezoekt het om hen ontferming te bewijzen. Wat is dat een wonder! Wat heeft dat bezoeken gekost? Het heeft Christus’ leven gekost. Hij heeft een menselijke natuur moeten aannemen. Naar het lichaam heeft Hij geleden en is Hij gestorven. Dat was niet omdat Israël het bezoek waard was. Israël en de kerk aller tijden waren het niet waard dat God naar hen omzag. Ze waren gekomen in duisternis, in de macht van de vijand, de zonde kenmerkte hun leven. Zacharias spreekt van het licht, maar ook van de duisternis. De duisternis waarin Israël gekomen was, waarin ook de volken gedompeld waren. Maar dan het grote wonder: Hij heeft Zijn volk bezocht!

We lezen dat de Heere ook Sara bezocht en haar gedacht. Zo moeten we dat ook hier zien. Dat bezoeken is bezoeken met ontferming, dat is het omzien naar. De zaligheid komt vanuit God. Daarom kán het, jongens en meisjes. Daarom kun je nog bekeerd worden. Vraag er ook veel om, ook de ouderen. God heeft Zijn volk bezocht door Zijn Zoon in deze wereld te zenden om zondaren zalig te maken. Om de werken des duivels te verbreken. Dat dient ons met verwondering te vervullen.

 

We zien de Heere Jezus als Degene Die macht heeft over de lichamelijke dood. Zo heeft Hij ook macht over de geestelijke dood. Dat geldt ook nu. Er is uitzicht op de verlossing die in ons leven onmisbaar is. Niet van ons uit, maar vanuit Hem Die van de Vader in deze wereld is gezonden om zondaren te behouden en Zich een gemeente te vergaderen, van eeuwigheid bemind. Dat zien we ook in deze geschiedenis. Hij wekt op uit de tijdelijke dood. Maar het is ook een teken dat Hij uit de geestelijke dood kan opwekken en verlossen. ‘En niemand kan deze tekenen doen zo God niet met Hem is’, zegt Nicodémus.

Daar was veel voor nodig. Om dat te kunnen doen, moest Hij eerst Zelf sterven. Wij weten het. Hij is gestorven voor de zonden van de Zijnen. Hij is ook begraven. Men heeft Hem naar het graf gebracht. Hij is gedragen naar de begraafplaats, naar het graf in de hof van Jozef van Arimathea.

Is dan Hij, de Overwinnaar, overwonnen? Is Hij, Die het Leven is, dan voor altijd gestorven? Is Hij, Die de Opstanding is, dan neergelegd in een graf om daar te blijven? Nee, Hij heeft Zich juist in de dood overgegeven om de dood te overwínnen. Om de banden van de dood te breken.

 

Maar ook om aan Gods recht te voldoen. Want wat zegt de dood? De dood zegt: ‘God is vertoornd over de zonde.’ De dood predikt ons de schuld en de zonde. Want door de zonde is de dood in de wereld gekomen.

Nu moest Christus voor de zonde betalen, voordat Hij de dood kon overwinnen. Hij moest eerst Zichzelf in de dood overgeven. Hij moest Zelf de straf dragen. Hij moest Zelf ondergaan in de drievoudige dood. Ondergaan in de tijdelijke dood, in de geestelijke en in de eeuwige dood. Christus heeft die gedragen. Hij heeft die ook doordragen. Hij heeft die ook overwonnen. Omdat Hij dood is geweest en nu leeft in alle eeuwigheid, kan Hij en wil Hij en zal Hij de dood overwinnen.

Hij heeft eerst alles verdiend. Hij heeft eerst voor de zonden van al de Zijnen betaald. Hij heeft het uitgeroepen: Het is volbracht (Joh.19:30). Er viel niets meer te eisen. Aan Gods gerechtigheid is voldaan. Het verbond der genade ligt vast in Zijn bloed. Daarom kan God nu genade verlenen. Daarom wil God, ook nu, zondaren bekeren. Daarom gaat de boodschap uit: bekeert u en gelooft het evangelie!

Daarom wordt in Zijn Naam gepredikt bekering en vergeving van zonden. In Zijn Naam, met Zijn opdracht en met Zijn volmacht. Waar dat nu in Zijn Naam gepredikt wordt, wil Hij Zelf, door de Heilige Geest, schenken wat Hij vraagt. Wij kunnen onszelf niet bekeren. Maar Hij is de Eerste en de Laatste.

 

Jacobus Revius, een Nederlands predikant en dichter die leefde van 1586 tot 1658, schreef het volgende gedicht:

 

Drie doden hebt Gij, Heer, verwekket tot het leven;

de zoon der weduwe zijn krachten weergegeven;

Jaïrus’ dochtertje en Lazarus daarbij.

Ach Heiland, laat het toe dat ik de vierde zij!

 

Verstaan we dat?

De Heere is nog Dezelfde. Hij is almachtig. Leg u voor Hem neer en zeg: ‘Gij Zone Davids, ontferm U mijner!’

 

Amen.

 

 

 

Slotzang: Psalm 56:6

 

Gij hebt mijn ziel beveiligd voor de dood;

Gij richt mijn voet, dat hij zich nimmer stoot’;

Gij zijt voor mij een schild in alle nood;

Gij hebt mijn smart verdreven;

Uw dierb’re gunst is m’ altoos bijgebleven.

’k Zal, voor Gods oog, naar Zijn bevelen leven;

Zo word’ door mij Zijn Naam altoos verheven;

Zo word’ Zijn lof vergroot.