Ds. B. Labee - Hosea 11 : 8 - 9

Gods eenzijdige liefde voor Israël

Hosea 11
Wat Israël heeft verdiend
Wat de Heere heeft beloofd

Hosea 11 : 8 - 9

Hosea 11
8
Hoe zou Ik u overgeven, o Efraim? u overleveren, o Israel? Hoe zou Ik u maken als Adama, u stellen als Zeboim? Mijn hart is in Mij omgekeerd, al Mijn berouw is te zamen ontstoken.
9
Ik zal de hittigheid Mijns toorns niet uitvoeren; Ik zal niet wederkeren om Efraim te verderven; want Ik ben God en geen mens, de Heilige in het midden van u, en Ik zal in de stad niet komen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 31: 5
Lezen : Hosea 11
Zingen : Psalm 103: 1, 5, 7
Zingen : Psalm 106: 4, 24
Zingen : Psalm 130: 4

Gemeente, als uitgangspunt voor deze voorbereidingspreek op het te houden Heilig Avondmaal nemen we Hosea 11, de verzen 8 en 9:

 

Hoe zou Ik u overgeven, o Efraïm, u overleveren, o Israël? Hoe zou Ik u maken als Adama, u stellen als Zeboim? Mijn hart is in Mij omgekeerd, al Mijn berouw is tezamen ontstoken.

Ik zal de hittigheid Mijns toorns niet uitvoeren; Ik zal niet wederkeren om Efraïm te verderven; want Ik ben God en geen mens, de Heilige in het midden van u, en Ik zal in de stad niet komen.

 

We schrijven onder onze tekst: Gods eenzijdige liefde voor Israël.

 

Een tweetal hoofdgedachten:

1. Wat Israël heeft verdiend

2. Wat de Heere heeft beloofd

 

1. Wat Israël heeft verdiend

 

Het Bijbelboek Hosea is niet eenvoudig. Toch hoop ik dat je het niet overslaat. Juist ook  in dat kleine, moeilijke profetenboek, dat zo weinig zegt als je het oppervlakkig leest, ligt  zo onnoemelijk veel onderwijs. De Heilige Schrift moeten we niet oppervlakkig lezen, zoals de krant, maar we moeten haar bestuderen. Daar moet je de tijd voor nemen en proberen na te gaan: wat wil de Heere met deze woorden tot mij zeggen?

 

Hosea 9 wordt heel vaak verbonden met Hosea 11. Daar wordt een oogstfeest gevierd. Vermoedelijk heeft de goddeloze koning Jerobeam dat ingevoerd als vervanging van het Loofhuttenfeest.

Jongens en meisjes, jullie weten wel wat dat Loofhuttenfeest was. Dan werd er een hutje gebouwd van takken en bladeren van loofbomen, en daarin leefde men gedurende een week. Het volk Israël herdacht dan de grote daden van de Heere. Hoe het volk uit Egypte was uitgeleid, hoe zij in de woestijn in tenten gewoond hadden en dat de Heere hen geleid had naar het land Kanaän. Het was een feest om de daden van de Heere te gedenken en de vreugde te ervaren die er is in de liefdedienst van de Heere.

De wereld houdt van andere feestjes en daarom hadden ze er in de tijd van Hosea een ander feest van gemaakt. Een werelds feest met heidense trekjes, oppervlakkige  vrolijkheid, brooddronkenheid, hoererij en eerbetoon aan de afgoden.

Het is aangrijpend hoe de wereld, al dan niet gestimuleerd door de sociale media, probeert om ook in onze samenleving onrust te stoken, Gods Naam te lasteren en de orde te verstoren.  

 

Dan ineens, tijdens dat feest, is hij er weer. Die spelbreker Hosea met zijn oordeelsprediking; want daar kwam het voornamelijk op neer. Altijd hetzelfde!

Hosea predikte: ‘Volksgenoten, er is helemaal geen reden om feest te vieren. Want nog even en er zal geen koren meer zijn om te oogsten en geen druiven om wijn van te maken. Israël zal verdreven worden. God komt de zonde bezoeken en er is geen ontkoming.’

 

Gewis, daar is een God Die leeft,

En op deez’ aarde vonnis geeft.

 

Hosea is een wachter op Efraïms muur. Hij moet van Godswege waarschuwen en wij met hem. Het is voorbereiding en daarom stellen wij u van Godswege de vraag: gemeente, jongeren, hoe lang bent u, hoe lang zijn jullie al onbekeerd?

Hosea staat daar temidden van zijn volk en hij wijst met zijn vinger: ‘Jullie dwaze, brooddronken, feestvierende menigte, die doorleeft alsof er niets aan de hand is.’

Hoe lang zijn we nu al onbekeerd, gemeente? Hoe vaak is het nu al voorbereiding geweest terwijl u wist: ‘Het is niet voor mij’?

 

Onbekeerden in ons midden, ik hoop dat u niet uitbreekt in de zonden. U zit in de kerk – dat is trouwens het beste dat u kunt doen – maar toch moet u zeggen: ‘Ik hoor niet bij dat volk wiens God de Heere is, want ik mis de ontdekking aan mijn verlorenheid en ik mis de kennis aan Jezus. Ik ken het nieuwe leven niet, dat oprecht in heiligmaking doet wandelen in al de geboden van de Heeren, onberispelijk en met een vurig verlangen, in vrede met al mijn naasten.’

Gemeente, houdt u nog altijd vol dat u niets aan uw bekering kunt doen? Maar dan wil ik u vragen: heeft u, heb jij er al alles aan gedaan?

 

Wat is het treffend wat Hosea zegt. In Hosea 9 vers 10 lezen we dat de Heere zegt: Ik vond Israël als druiven in de woestijn, Ik zag uw vaderen als de eerste vrucht aan de vijgenboom in haar beginsel.

Bent u wel eens in een woestijn geweest? In een zandwoestijn, of in de woestijn van Judea, die zo rotsachtig en onherbergzaam is? In zo’n woestenij kun je van alles vinden, maar natuurlijk geen tros druiven. Druiven werden in Israël in wijngaarden gekweekt en daar was water voorhanden. Druiven hebben namelijk veel water nodig. Er werd veel zorg aan de wijngaarden besteed.

De eerste vruchten van de vijgenboom zijn zoete lekkernijen. De Heere zegt: ‘Zo heb Ik u gezien.’ Psalm 135 zingt er van:

 

Want de Heer’ heeft Israël

Zich ten eigendom geschikt;

Jakob door Zijn heil verkwikt.

 

De Heere zegt nu bij monde van Hosea: ‘Ik heb u gevonden als druiven in de woestijn. Israël, Ik heb u gevonden en opgeraapt, en geplant in Mijn wijngaard. Ik heb in Mijn verkiezend welbehagen iets in u gezien. Ik heb u in Mijn gunst gebracht in het land Kanaän.’

 

Hosea staat te midden van het volk Israël en hij klaagt: Zij hebben zich zeer diep verdorven, als in de dagen van Gibea; Hij - dat is de Heere - zal hunner ongerechtigheid gedenken, Hij zal hun zonden bezoeken (Hos.9:9).

De dagen van Gibea herinneren aan de tijd van de richters. Toen deed iedereen wat goed was – niet in het oog van de Heere – maar in eigen oog. In zo’n tijd leefde Hosea ook en daarom moest hij preken. In zo’n donkere tijd leven ook wij nu, in de eenentwintigste eeuw. Het was in de tijd van Hosea niet veel anders.

Diep verdorven, als in de dagen van Gibea. De mensen waren bezig met geld en goed en met genot. Daarom sprak de Heere: ‘Ik zal uw ongerechtigheid gedenken, Ik zal uw zonden bezoeken.’

 

Gemeente, als je onbekeerd leeft, dan is het alsof de Heere zegt: ‘Waarom toch?’ Je bent niet geboren in de wildernis van deze wereld. Je bent niet geboren in een moslimland. Je zou dan wellicht nooit het evangeliewoord gehoord hebben. Maar je bent geboren op het erf van het verbond, of je bent er misschien gebracht door adoptie of pleegzorg, of misschien door Gods bijzondere voorzienigheid.

Als de Heere het volk Israël in het gericht brengt, zegt Hij: ‘Jullie hebben het verdorven. Ik heb voor jullie gezorgd. Ik heb jullie omtuind; als het ware in een wijngaard geplant. Dan mag Ik toch verwachten dat er vruchten van bekering en geloof zijn? Dan mag Ik toch verwachten dat je iets kent van het leven in de gemeenschap met Mijn Zoon, dat je iets kent van de werkingen van de Heilige Geest in je hart? Je moet dan toch de vruchten van de Geest openbaren, zoals liefde, blijdschap en geloof en goedheid? Ik vind er niets van in je leven!’

 

Gemeente, het is voor ons allen voorbereiding; want het kan elke dag eeuwigheid worden. Dat kan als u zestig jaar bent, maar het kan ook als je achttien bent of als je nog maar acht bent.

Jongens en meisjes, zullen jullie het niet vergeten? Het is voorbereiding voor het Heilig Avondmaal, maar het is ook voorbereiding op de Godsontmoeting. Ik hoop dat de Heere het op je hart zal binden, want als het eeuwigheid wordt deze week en je moet sterven, hoe zul je het dan maken? Als je niet voorbereid bent, als je niets weet van je verlorenheid, als je niets weet van Jezus’ dierbaarheid, als je niets weet van het nieuwe leven in gehoorzaamheid, en je sterft, dan is het eeuwig kwijt!

Je leeft maar één keer en je kunt het nooit meer overdoen.

 

Hosea staat tussen die lallende, feestende en oproerige menigte en hij predikt. Hij roept het volk op tot waarachtige bekering.

Misschien zit u in de kerk en mag u zeggen: ‘Ik ben geen vreemdeling van genade.’

Nu, dat is groot. Maar als u terugziet naar de vorige avondmaalsbediening en vooruitziet naar de komende, heeft u het er dan goed vanaf gebracht? Of zit u in de kerk en klaagt alles u aan en moet u het uitroepen: ‘Och, Heere, ga niet met Uw knecht in het gericht, want wie zou bestaan? Er is zoveel wat me aanklaagt. Ik heb Uw Naam niet bedoeld en Uw Zoon heb ik zo weinig benodigd. Er deugt helemaal niets van me.’

Het avondmaalsformulier zegt: ‘Ten eerste bedenke een iegelijk bij zichzelf zijn zonde.’ Dat zijn niet de zonden van je buurman en niet van een ander, maar jouw zonden. Het is heel persoonlijk. ‘En vervloeking…’ Dat is walgen vanwege uw zondebestaan.

 

Wat heeft Israël verdiend? We horen het uit de mond van de Heere in Hosea 11 vers 8:  Hoe zou Ik u overgeven, o Efraïm, u overleveren, o Israël? Hoe zou Ik u maken als Adama, u stellen als Zeboim?

Wat een wonderlijke woorden! Het is alsof de Heere hier met Zichzelf in gesprek is. Het is alsof de Heere hier iets overweegt. Hier wordt door God op een mensvormige wijze gesproken. Hij overweegt als het ware iets. Wat heeft Israël verdiend?

Het is alsof de Heere zegt: ‘Als Ik naar recht zou handelen, dan zou Ik heel Israël moeten verteren, maar als er genade bij Mij gevonden wordt, dan zal Ik Israël goed en nabij kunnen zijn.’

 

Wat heeft Israël verdiend? Het is alsof de Heere bij Zichzelf overlegt. Jonge mensen, het is natuurlijk niet zo dat er iets tegenstrijdigs zou zijn in God, alsof Hij een God is van ‘ja en nee’, want dat is niet waar. God is een God van ‘ja en amen’. Er is bij de Heere maar één wil, één besluit en één raad, en die zijn gericht op de verheerlijking van Zijn Naam.

Het zijn uitdrukkingen naar ons begrip. Ze zijn bedoeld om duidelijk te maken wat Israël verdiend heeft. Er staat in vers 7: Want Mijn volk blijft hangen aan de afkering van Mij.

Zo is Israël. Zij roepen het wel tot de Allerhoogste, maar niet één verhoogt Hem.

Ze bidden wel, ze zijn wel godsdienstig, ze brengen nog wel offers, ze hebben de mond vol over de Heere, maar niet één van hen verhoogt Hem. Er is niemand die zich vernedert en die opziet naar de Heere. Er is geen mens die vraagt om verzoening van zijn schuld en die Hem verheerlijkt, die Hem vreest en liefheeft.

 

Efraïm, wat ben je nu waard? Het is alsof de Heere zegt: ‘Efraïm, volk van Israël, u bent waard om overgegeven te worden als een onverbeterlijke zoon die onterfd moet worden. Laat ik, de hemelse Geneesheer, u dan ook maar als een ongeneeslijke patiënt opgegeven. Ik heb al zoveel arbeid aan u ten koste gelegd. Laat Israël maar als een afkerig lam verscheurd worden door de leeuw Assyrië. Laat ze verteerd worden, omgekeerd zoals Adama en Zeboïm.’

Adama en Zeboïm zijn twee zustersteden, zoals Sodom en Gomorra. Laat ze maar tot eeuwige verwoesting zijn. De Heilige Schrift getuigt: Dat zijn ganse aarde zij zwavel en zout der verbranding; die niet bezaaid zal zijn en geen spruit zal voortgebracht hebben, noch enig kruid daarin zal opgekomen zijn; gelijk de omkering van Sodom en Gomorra, Adama en Zeboim, die de Heere heeft omgekeerd in Zijn toorn en in Zijn grimmigheid (Deut.29:23).

Israël is nog dieper gezonken dan die spreekwoordelijk goddeloze steden. Jeremia typeert het volk van Israël in Klaagliederen: En de ongerechtigheid der dochter mijns volks is groter dan de zonden van Sodom, die als in een ogenblik omgekeerd werd, en geen handen hadden arbeid over haar (Klaagl.4:6).

 

Gemeente, Israël heeft verdiend om totaal en radicaal vernietigd te worden. Maar we horen in vers 8 het vaderhart van God kloppen. Het volk zal niet vernietigd worden. Het is alsof een vader bij zichzelf te rade gaat, zo klinkt het hier: ‘Hoe zou Ik dat ooit over Mijn hart kunnen verkrijgen? Hoe zou Ik u kunnen overgeven? Zou Ik Mijn weerspannige zoon kunnen verwerpen?’ Hier gaat het om het vaderhart van God. Ouders, dat herkent u toch?

God is liefde. Dat betekent vóór alles dat Hij Zichzelf bemint en dat Hij Zijn Zoon bemint.

Het is alsof de Heere hier zegt: ‘Uit dat volk, dat het zo diep verzondigd heeft, zal toch de Messias, de Zaligmaker voortkomen. O, het is toch onmogelijk dat Ik heel dat volk zal vernietigen, dat Ik met ze zal handelen als Ik eens met Sodom en Gomorra, Adama en Zeboïm heb gedaan? Dat is toch onmogelijk, want het is toch het volk dat Ik van eeuwigheid verkoren heb? Het is toch Mijn volk, waaruit Jezus zal voortspruiten als een rijsje uit de afgehouwen tronk van Isaï? Het is toch het volk, waar Ik nooit van af kan. Ik wil er ook nooit van af!’

 

Gemeente, weet u wat het geheim is? De Heere heeft aan Adam Zijn Zoon beloofd. Hij heeft beloofd Zijn Zoon te geven. In plaats dat Hij Zijn volk overgeeft aan het oordeel, heeft Hij Zijn eniggeboren Zoon overgegeven. Hoort u het geheim? Rechtvaardig zou Israël voor eeuwig moeten worden weggedaan. Hier ligt het geheim, dat het vaderhart van God klopt in Christus.

Dat is ook het geheim in deze dienst. Wat hebben wij verdiend?

We hebben allemaal de dood verdiend. Wij hebben God verlaten.

Hebt u dat ooit doorleefd? Heeft de Heere uw zielsoog geopend voor wie wij geworden zijn in onze diepe val? Bent u er achter gekomen dat in ons, in ons vlees geen goed woont? Dat de allerheiligsten, zolang als ze in dit leven zijn, maar een klein beginsel hebben van de nieuwe gehoorzaamheid, hoewel ze begeren naar al de geboden van God te leven?

We brengen er niets van terecht. Maar Hij weet wat van Zijn maaksel zij te wachten.  

Wat ligt dat teer, gemeente. Wat zijn we klein en zwak! Wat zijn we nietig! Hoe zondig zijn we, hoe verloren zijn we!

Maar hoort u het vaderhart kloppen? Hij heeft Zijn eniggeboren Zoon overgegeven. De apostel Paulus ziet daar iets van en roept uit: Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken? (Rom.8:32)

Nog eens stel ik u de vraag: hebt u uzelf leren kennen als een doorbrenger?

 

Er zijn veel mensen die spreken over de liefde van God en er zijn er velen die zich een kind van God noemen. Maar, gemeente, het is nodig, dat je eerst hebt geleerd hoe groot je zonde en je vervloeking is. Je moet eerst leren dat je een schuldenaar bent. Wij kunnen het alleen maar doorbrengen.

We hebben gaven van de Heere gekregen in het leven van alledag. Maar wat doen we er nu eigenlijk mee? Misschien heeft de Heere u genadegaven gegeven. Wat is de Heere het dan waard om uw leven te besteden in Zijn dienst. Wat doet u eigenlijk met uw gaven?

Gemeente, wij zijn maar doorbrengers en verkwisters van Gods goede gaven.

Het avondmaalsformulier begint met: ‘Ten eerste bedenke een iegelijk bij zichzelf zijn zonde en vervloeking.’ Dan ga ik mijzelf zien als zo’n Israëliet, als zo’n doorbrenger. Dat is zo nodig, opdat ik bij vernieuwing mijn vloek doorleef.

 

Wij zijn uit het paradijs weggestuurd, omdat we gezondigd hebben. Dat maakt scheiding tussen God en onze ziel en zo kan de Heere geen gemeenschap met ons hebben.

Gemeente, kom dan ook niet lichtvaardig aan de dis des verbonds. Want onze God is een verterend vuur en doorbrengers kunnen niet tot de tafel naderen. Je godsdienstigheid baat je niet en je belijdenis evenmin.

Er is maar één ding dat redt, en dat is de gerechtigheid van Jezus Christus.

Een doorbrenger, een afzwerver, een ongerechtige zondaar mag op grond van Christus’ verdienste bidden: ‘Heere, ik heb de eeuwige dood verdiend! Het is duizendmaal verzondigd. Als ik zie op mezelf, op mijn afzwerven, mijn ongerechtigheid, mijn oude bestaan, mijn doorbrengende bestaan, dan kan het nooit meer. Maar, Heere, wilt U mij, een doorbrenger, die het alleen maar verzondigen kan, aanzien in de Volbrenger? Wilt U mij aanzien in Hem, Die geen zonde gekend of gedaan heeft, in de Heere Jezus Christus, Die tot zonde gemaakt is, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem?’

 

Kom, kent u iets van dat bestaan? Weet u wat u verdiend hebt, wat Israël verdiend heeft? De dood! Omgekeerd worden als Sodom en Gomorra, Adama en Zeboïm…

 

Voor we naar de tweede gedachte gaan, zingen we eerst Psalm 106 vers 4 en 24:

 

Wij hebben God op ‘t hoogst misdaan;

Wij zijn van ‘t heilspoor afgegaan;

Ja, wij en onze vaad’ren tevens,

Verzuimend alle trouw en plicht,

Vergramden God, de God des levens,

Die zoveel wond’ren had verricht.

 

Nochtans was God met hen begaan;

Hij zag hun angst, hun tranen aan,

En hunner hateren verwoedheid;

Hij dacht aan Zijn gestaafd verbond,

En had berouw, naar al Zijn goedheid,

Meêdogendheid met Isrels wond.

 

2. Wat de Heere heeft beloofd

 

Gemeente, voor wie is nu het Heilig Avondmaal des Heeren? Het avondmaal is voor mensen die doorleefd hebben dat ze de eeuwige toorn en de eeuwige vloek verdiend hebben.

Maar ook, en dat is het ‘ten tweede’ van het avondmaalsformulier, voor mensen die mogen weten van ‘de gewisse belofte van God’. Die belofte mag klinken, zoals we het lezen in vers 8 en 9: Mijn hart is in Mij omgekeerd, al Mijn berouw is tezamen ontstoken. Ik zal de hittigheid Mijns toorns niet uitvoeren; Ik zal niet wederkeren om Efraïm te verderven; want Ik ben God en geen mens, de Heilige in het midden van u, en Ik zal in de stad niet komen.

 

Jongens en meisjes, Israël heeft straf verdiend. De Israëlieten hebben de Heere verlaten, ze zijn ongehoorzaam geweest, ze hebben vreemde goden gediend. Ze hebben voor zichzelf geleefd, voor het materialisme en voor eten en drinken. Ze hebben straf verdiend en jullie weten wel wat dat betekent.

Misschien heb je ook wel eens straf verdiend en heeft je vader of je moeder toen gezegd: ‘Je hebt het wel verdiend, maar voor deze keer krijg je geen straf.’

Iets dergelijks zegt de Heere in onze tekst. Hij zegt eigenlijk: ‘Israël, Mijn volk, jullie hebben straf verdiend, maar toch geef Ik je niet wat je verdient. Mijn hart is in Mij omgekeerd…

Dit is ‘menselijkerwijze van God gesproken’, schrijven onze kanttekenaren, ‘om de grootheid en onbegrijpelijkheid van Zijn barmhartigheid uit te drukken.’

 

Mijn hart is in Mij omgekeerd. Gemeente, wat is dat wonderlijk! Het is alsof de Heere zegt: ‘Mijn hart zou vol toorn moeten zijn, maar het is vol van liefde.’

Heeft u ooit iets van dat wondere geheim geproefd? Daar kennen Gods kinderen iets van. Ze hebben doorleefd: ‘Al Gods gramschap moet over mij heengaan. Dat zou rechtvaardig zijn.’ Maar toen ze als het ware een blik mochten werpen in het hart van God, bleek dat vervuld te zijn met liefde.

Gemeente, dat is wat een zondaar het meest verbreekt. Als de vloek van de wet klinkt, kun je daaronder sidderen. Als je hoort preken over de hel, kun je beven. Het is goed dat er soms over gepreekt wordt. Maar dit, dat God mild is in het schuld vergeven, dat God goedertieren en barmhartig is, dat is een klank die het hart van een arme zondaar, die beeft voor God, het meest raakt, verbreekt en klein maakt. Dat geeft een onuitsprekelijke wederliefde tot een God Die Zijn liefdeshart openbaart. Maar dat is alleen in Christus.

 

Er staat nog zo’n sterke uitdrukking in de tekst: Al Mijn berouw is tezamen ontstoken.

Van Jozef lezen we dat zijn ingewand ontstak over zijn broeder Benjamin. Dat betekent dat zijn gemoed volschoot. Toen hij zijn lieve broer Benjamin zag, kon hij zich niet meer bedwingen. Hij verbrak onder die aanblik.  

Zo wordt er hier heel menselijk door de Heere gesproken: Al Mijn berouw is tezamen ontstoken.

Gemeente, toen Zijn lieve Zoon Jezus Christus kroop in de hof van Gethsémané,  behaagde het de Heere Hem te verbrijzelen. Toen klonken deze woorden niet, hoewel Jezus nooit zonde gekend of gedaan had.

Maar toen het schuldige Israël weggevaagd zou moeten worden, klonk het: Al Mijn berouw is tezamen ontstoken. Mozes vergiste zich niet toen Hij uitriep: Heere Heere, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid (Ex.34:6). Het is alsof Mozes hier zingt Wie de Heere is voor schuldige zondaren.

 

Kom, hebt u uzelf al leren kennen als een doodschuldige zondaar? Daar kom u nooit bovenuit. Aan het eind van ons troostboek, de Heidelbergse Catechismus, in Zondag 52, bidt de levende kerk: ‘Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren.’ Die ‘ons’, dat zijn arme zondaren, doodschuldige en rechteloze zondaren. Hebt u uzelf zo leren kennen?

Maar ook dat tweede. Hebt u iets leren kennen van een barmhartig God, Die mild is in het schuld vergeven? Hebt u iets leren kennen van het geheim: Mijn hart is in Mij omgekeerd, al Mijn berouw is tezamen ontstoken?

 

In vers 9 horen we vervolgens drie dingen die de Heere belooft aan het volk Israël. Het eerste is: Ik zal de hittigheid Mijns toorns niet uitvoeren. Het tweede: Ik zal niet wederkeren om Efraïm te verderven. En ten derde: Ik zal in de stad niet komen.

We lezen eerst: Ik zal de hittigheid Mijns toorns niet uitvoeren. Gemeente, Gods deugden zijn geschonden door Efraïms zondige leven. Zijn brandende toorn moet worden uitgegoten over dat volk. Maar de Heere zegt: ‘Ik zal het niet doen.’ Stapt de Heere dan over de zonde heen? Gaat dat dan zomaar? Nee, de Heere stapt nóóit over de zonde heen!

Zult u, jongeren en ouderen, niet lichtvaardig denken over Wie de Heere is? Er zal geen zand over de zonde gedaan worden. Verre van dat! Het formulier van het Heilig Avondmaal verwoordt het zo: ‘Aangezien de toorn Gods tegen de zonde zo groot is, dat Hij die, eer Hij ze ongestraft liet blijven, aan Zijn lieve Zoon Jezus Christus met de bittere en smadelijke dood des kruises gestraft heeft.’

 

Heeft u dat geheim leren verstaan? Om waardig aan de dis des verbonds te komen, moeten we iets van deze dingen kennen. Niet alleen dat we des doods schuldig zijn, maar ook dat de hitte van Gods gramschap in het middelaarsbloed is geblust. Niet alleen voor anderen, maar ook voor mij.

De hitte van Gods gramschap, waaronder wij eeuwig hadden moeten verzinken, is uitgegoten over het gezegende Hoofd van de kerk, Jezus Christus. Die toorn is uitgestort over de dierbare Heiland, Immanuël, God met ons. ‘Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven.’

 

Die brandende toorn moest ons brengen in de eeuwige verlorenheid. Er is een kerk op aarde, die dat door een geschonken geloof geleerd heeft. Het geloof kun je niet maken, gemeente, dat kun je zelf niet zelf werken in je ziel. God de Heilige Geest plant het in het uur van de wedergeboorte in je ziel, en het gaat zich richten op de gezegende Borg Immanuël.

Gods toorn is voor Zijn Sion vaderlijke toorn. Zo schrijft Jesaja: In een kleine toorn heb Ik Mijn aangezicht van u een ogenblik verborgen, maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij uwer ontfermen, zegt de Heere, uw Verlosser (Jes.54:8). Ik zal de hittigheid Mijns toorns niet uitvoeren (Hos.11:9).

 

De Heere zegt ten tweede ook: Ik zal niet wederkeren om Efraïm te verderven.

De Heere kwam om Sodom en Gomorra en haar goddeloosheid te bezien en ook die van Adama en Zeboïm. Maar nu staat er: ‘Zo zal Ik niet met Efraïm doen. Het zal niet uitlopen op een totale verwoesting. Er zal een overblijfsel zijn naar Mijn vrijmachtige verkiezing.’ Als reden staat er: Want Ik ben God en geen mens.

Het is alsof de Heere hier wijst op Zijn verbond, op het genadeverbond van eeuwigheid, waarvan Christus Hoofd, Borg en Middelaar is. Want bergen zullen wijken, en heuvelen wankelen; maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw Ontfermer (Jes.54:10).

Gemeente, tot de laatste dag toe zullen er zondaren, ontdekt aan zichzelf, geleid worden tot Jezus. Zij zullen horen bij dat Efraïm waarover de Heere Zich zal ontfermen.

Kom, als je daar niet bij hoort en onbekeerd in de kerk zit, zou je dan de Heere niet gaan zoeken?

 

Ten derde staat er in onze tekst: Ik zal in de stad niet komen.

Vindt u dit duistere woorden? Nee, de Schrift zelf is niet duister, maar ons verstand is duister. De kanttekenaren schrijven: ‘Als een vijand die in een stad binnenvalt en alles daarin vernielt, of: Gelijk Ik eertijds in de stad Sodom kwam om die te vernielen.’ Het is alsof de Heere zegt: ‘Ik zal niet in de stad komen om haar voor eeuwig te verderven.’

Wat is daarvan de reden? Dat staat er ook: Want Ik ben God en geen mens, de Heilige in het midden van u.

 

Wat klinkt het tegenstrijdig: ‘De heilige God in het midden van ú.’ Dat kan wel eens in je ziel inslaan. Herkent u dat?

Als de volgende rustdag de avondmaalstafel staat aangericht, dan is het alsof de Heere zegt: ‘Ik, de heilige God, ben in het midden van u, en als u nu één van Mij bent, dan mag u gemeenschap met Mij oefenen.’

Weet u wanneer dat een wonder wordt? Als ik mezelf als een onheilige en goddeloze zondaar ervaar. Als ik voel dat ik tot in de wortel van mijn bestaan zo ongelijkvormig ben aan dat heerlijk beeld van God, dat ik een doelmisser ben. Ik verheerlijk de Heere niet. Mijn beste werken, mijn bidden, mijn Bijbellezen, alles wat ik doe in het overdenken van de Heilige Schrift, tellen voor de Heere niet mee. Ik ben vol gebrek, vol tekort, omdat ik Hem, de levende God, niet kan verheerlijken. Zo diep ben ik gevallen, zo ongelukkig ben ik.

Maar desondanks het wonder: ‘Ik, de Heilige Israëls, wil wonen temidden van een schuldig volk. Ik wil gemeenschap oefenen met verloren zondaren en zondaressen.’ Zondaren, niet opgeknapt, maar aangezien in de Borg Jezus Christus. De psalmdichter zingt daarvan:

 

Zij komen aan, door Godd’lijk licht geleid,

Om ’t nakroost, dat de Heer’ wordt toebereid,

Te melden ’t heil van Zijn gerechtigheid

En grote daden.

 

In dat verdorven land, temidden van dat ontaarde volk, heeft de Heere nog een overblijfsel dat Hij heiligt in Christus om Hem te dienen.

 

Gemeente, het is alsof we leven in de tijd van Hosea. Het is niet beter. Maar ook nu is er het wonder: ‘Heere, U wilt nog wonen te midden van Uw volk en nog gemeenschap oefenen met Uw kinderen, die Gij zult hebben tot aan de laatste dag?’

Wat is het geheim hiervan?

In onze tekst staat drie keer ‘Ik zal’. Ik zal Mijn toorn niet uitvoeren, Ik zal niet verderven, Ik zal in de stad niet komen om te verderven.

Wij zien ze komen met smeking en geween. De psalmdichter zegt: Zij zullen aankomen, en Zijn gerechtigheid verkondigen den volke dat geboren wordt, omdat Hij het gedaan heeft (Ps.22:32).

Wie behoren er tot die menigte? Wel, een hinkende Jakob, een kreupele Mefiboseth,  een doodbrakende Heman, een wenende Baruch. Mensen die het niet meer van zichzelf verwachten, maar die hun verwachting hebben leren stellen op de God van het verbond.


Als je altijd nog hebt doorgeleefd onder de evangelieklanken en je denkt: ‘Ik ga gewoon verder, want het is toch niet voor mij’, dan wil ik je waarschuwen met de ernst van Hosea, met de schriftplaats die voor deze voorbereidingspreek centraal staat, en met de woorden van de Zaligmaker, van Jezus Zelf: Doch Ik zeg u, dat het den lande van Sodom verdragelijker zal zijn in den dag des oordeels, dan u (Matth.11:24).

Zult u niet doorleven, ouderen en jongeren?

Kun je jezelf dan bekeren?

Nee, maar heb je er al alles aan gedaan?

Zou je de Heere niet gaan zoeken?

Zou u Hem niet vragen om dat wondere werk zonder u in u?

 

Misschien zitten er mensen in de kerk die moeten zeggen: ‘Wat Israël verdient, weet ik. Wat ik verdien, daar heb ik iets van geleerd. Ik ben doodschuldig. Ik hoor niet aan de avondmaalstafel. Ik heb de eeuwige dood verdiend.’ O, het is alsof de Heere dan tegen u zegt: ‘Bedroefde zondaar, hoor Wie Ik ben!’

Kun je jezelf er niet brengen?

De Heere zegt: ‘Ik zal!’

Kom, zou je dan in de binnenkamer, aan de troon der genade, die God niet aanroepen: ‘Heere, zo doe U ook aan mij’?

 

Kinderen van de Heere, kijk eens terug op je levensweg. Hoe de Heere je heeft opgeraapt uit de modder van de zonde. Dat moet je wel weten om aan de tafel des Heeren te komen. Je moet iets kennen van je nood en dood, iets van een vastgelopen leven, waarin je meent om te komen.

Maar ook iets van het geheim, hoe de Heere de weg opende in het zien op Jezus. Want Ik ben God en geen mens. Hoe lang is het geleden dat de Heere u een blijk van Zijn lieve gunst schonk?

Bedel of de Heere in de week van voorbereiding of op de avondmaalzondag nog eens over wil komen. Dat je zien mag op de Borg, Die blank en rood is en de banier draagt boven tienduizend. Het is Israëls God, Die krachten geeft en je aangevochten, bestreden en zwakke geloof, wil versterken. Bedel of je ervaren mag dat de Heilige Israëls nog temidden van een schuldig zondaarsvolk, te midden van de gemeente, wonen wil.

 

Bid of je bij vernieuwing zou mogen zingen met ziel en mond:

 

Zo ver het west verwijderd is van ’t oosten,

Zo ver heeft Hij, om onze ziel te troosten,

Van ons de schuld en zonden weggedaan.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 130:4

 

Hoopt op den Heer’, gij vromen;
Is Israël in nood,
Er zal verlossing komen;
Zijn goedheid is zeer groot.
Hij maakt, op hun gebeden,
Gans Israël eens vrij
Van ongerechtigheden;
Zo doe Hij ook aan mij.