Ds. J.S. van der Net - Ezechiël 37 : 1 - 14

Het gezicht bij de dorre doodsbeenderen

Een aangrijpend gezicht
Een moeilijke vraag
Een onmogelijke opdracht
Een teken van hoop
Een goddelijk wonder

Ezechiƫl 37 : 1 - 14

Ezechiël 37
1
De hand des HEEREN was op mij, en de HEERE voerde mij uit in den geest, en zette mij neder in het midden ener vallei; dezelve nu was vol beenderen.
2
En Hij deed mij bij dezelve voorbijgaan geheel rondom; en ziet, er waren zeer vele op den grond der vallei; en ziet, zij waren zeer dor.
3
En Hij zeide tot mij: Mensenkind! zullen deze beenderen levend worden? En ik zeide: Heere HEERE, Gij weet het!
4
Toen zeide Hij tot mij: Profeteer over deze beenderen, en zeg tot dezelve: Gij dorre beenderen! hoort des HEEREN woord.
5
Alzo zegt de Heere HEERE tot deze beenderen: Ziet, Ik zal den geest in u brengen, en gij zult levend worden.
6
En Ik zal zenuwen op u leggen, en vlees op u doen opkomen, en een huid over u trekken, en den geest in u geven, en gij zult levend worden; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben.
7
Toen profeteerde ik, gelijk mij bevolen was, en er werd een geluid, als ik profeteerde, en ziet een beroering! en de beenderen naderden, elk been tot zijn been.
8
En ik zag, en ziet, en er werden zenuwen op dezelve, en er kwam vlees op; en Hij trok een huid boven over dezelve, maar er was geen geest in hen.
9
En Hij zeide tot mij: Profeteer tot den geest; profeteer, mensenkind! en zeg tot den geest: Zo zegt de Heere HEERE: Gij geest! kom aan van de vier winden, en blaas in deze gedoden, opdat zij levend worden.
10
En ik profeteerde, gelijk als Hij mij bevolen had. Toen kwam de geest in hen, en zij werden levend en stonden op hun voeten, een gans zeer groot heir.
11
Toen zeide Hij tot mij: Mensenkind! deze beenderen zijn het ganse huis Israels; ziet, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord, en onze verwachting is verloren, wij zijn afgesneden.
12
Daarom, profeteer en zeg tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal uw graven openen, en zal ulieden uit uw graven doen opkomen, o Mijn volk! en Ik zal u brengen in het land Israels.
13
En gij zult weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik uw graven zal hebben geopend, en als Ik u uit uw graven zal hebben doen opkomen, o Mijn volk!
14
En Ik zal Mijn Geest in u geven, en gij zult leven, en Ik zal u in uw land zetten; en gij zult weten, dat Ik, de HEERE, dit gesproken en gedaan heb, spreekt de HEERE.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 84: 1
Lezen : Ezechiël 37: 1-14
Zingen : Psalm 105: 5, 6
Zingen : Psalm 85: 1
Zingen : Psalm 85: 2
Zingen : Psalm 85: 3

Gemeente, onze tekstwoorden voor deze dienst bestaan uit het Schriftgedeelte dat we samen gelezen hebben, Ezechiël 37 vers 1 tot en met 14. Wij lezen u alleen nog het veertiende vers:

 

En Ik zal Mijn Geest in u geven, en gij zult leven, en Ik zal u in uw land zetten; en gij zult weten dat Ik, de Heere, dit gesproken en gedaan heb, spreekt de Heere.

 

De verzen 1 tot en met 14 van ons teksthoofdstuk bepalen ons bij: Het gezicht bij de dorre doodsbeenderen.

 

Wij staan stil bij een vijftal aandachtspunten:

1. Een aangrijpend gezicht

2. Een moeilijke vraag

3. Een onmogelijke opdracht

4. Een teken van hoop

5. Een goddelijk wonder

 

1. Een aangrijpend gezicht

 

De profeet Ezechiël is weggevoerd in ballingschap naar Babel en woont met zijn gezin aan de rivier de Kebar. In opdracht van God profeteert hij daar.

Op een zeker ogenblik krijgt Ezechiël een aangrijpend visioen.

Meisjes en jongens, dat visioen is wel wat afschrikwekkend.

Want de Heere neemt Ezechiël in dat visioen mee naar een dal dat een weerzinwekkende en afstotende aanblik biedt. Het ligt vol met doodsbeenderen. Het lijkt op een soort massagraf, of een verlaten slagveld. Het negende vers van ons hoofdstuk spreekt namelijk over mensen die daar gedood zijn.

 

Vroeger heeft in dit dal waarschijnlijk een veldslag plaatsgevonden. Het ziet eruit of er toen een leger helemaal in de pan gehakt is, en de dode soldaten onbegraven zijn blijven liggen en uiteindelijk tot ontbinding zijn overgegaan. Door de felle oosterse zon zijn hun beenderen helemaal uitgedroogd en verbleekt.

Onmogelijk dat er in die overal verspreide botten en schedels en die verbleekte knekels nog het minste teken van leven zit.

Meisjes en jongens, je kunt niet eens meer spreken van skeletten. Al die geraamtes zijn  volledig uiteengevallen. Hier een ellepijp, daar een scheenbeen, daar een schedel, daar een rib... Alles ligt schots en scheef door elkaar en biedt een totaal levenloze aanblik. En, staat er in onze tekst, het waren er zeer veel.

 

Meisjes, jongens, jullie begrijpen wel dat als er maar een enkel geraamte zou liggen, het nog wel mogelijk zou zijn ze met mensenhanden als een puzzel bij elkaar te leggen.

Maar er liggen te veel beenderen, en alles ligt door elkaar. Er is geen uitzoeken meer aan. Geen sterveling kan hier nog iets van maken. Het is een afgesneden zaak; volkomen hopeloos.

Bovendien wordt er nog speciaal bij vermeld: En ziet, die beenderen waren zeer dor.

Eigenlijk wil dit zeggen: de dood heeft zo lang over deze beenderen geheerst, dat er geen greintje leven meer in zit.

 

Daar staat Ezechiël dan. Hij is met stomheid geslagen als de Heere hem door dit dal van onreinheid en dood voert.

Overal om hem heen is die beklemmende stilte van de dood. Geen vogel zingt, geen grassprietje schiet nog op in dit afschuwelijke knekelveld.

 

Gemeente, ziet u het voor u? Wat denkt u? Waar zou dit visioen van die beenderen nu een beeld van zijn?

Ik hoor iemand zeggen: dit is nu een beeld van hoe de mens van nature is.

U hebt gelijk, dat is zo!

Dit is nu een beeld van de mens, zoals u en ik van nature zijn.

Maar laten we nu eerst eens luisteren naar wat God over dit alles tegen Ezechiël zegt.

Wat wij dan horen is nauwelijks te geloven, maar toch is het waar!

God zegt het wel tot drie keer.

In het elfde vers klinkt het: ‘Ezechiël, dat knekelveld met die zeer vele verdroogde en verbleekte doodsbeenderen, dat is… Mijn volk Israël, Mijn uitverkoren volk.’

Gemeente, daar word je toch stil van?

Dat hadden we toch zeker niet gedacht?

‘Mijn volk’, zegt God, ‘Israël; zo erg is het er aan toe! Dor en dood, en liggend onder het oordeel.’

 

Als we dit hoofdstuk lezen, valt het direct op dat God Zelf de uitleg geeft. In veel Bijbels leest u als opschrift boven dit hoofdstuk: Israëls opstanding en hereniging. Zoals we in het elfde vers lezen is dat dal met al die knekels en botten het beeld van Israël dat in ballingschap verkeert. Babel is voor Israël als een graf en de Heere zal het volk uit dat graf terugbrengen naar hun thuisland.

 

Maar we lezen nog meer in ons teksthoofdstuk. In het tweede gedeelte zegt God dat het tienstammenrijk Israël en het tweestammenrijk Juda weer verenigd zullen worden.

U weet waarschijnlijk wel uit de bijbelse geschiedenis dat het tienstammenrijk – op een enkele inwoner na – nooit in zijn geheel uit de ballingschap is teruggekeerd. Als de Heere in vers 21 dan zegt dat ze overal – uit het oosten en westen, uit het noorden en zuiden – vandaan zullen komen, dan kan dit niets anders betekenen dan dat dit het beeld is van de terugkeer uit de diaspora, de verstrooiing van het Joodse volk.

God haalt ze terug uit het oosten en het westen, uit het noorden en het zuiden.

Daarvan hebben we toch de laatste tientallen jaren iets van zien gebeuren?

 

Het is goed dat we letten op deze tekenen van de tijd. Want die gebeurtenissen hangen samen met het laatste der dagen, met de eindtijd, die met Pinksteren is begonnen.

In 1948 is de staat Israël gesticht; een historische gebeurtenis die veel te zeggen heeft.

Het is het begin van Israëls nationale herstel.

Alle oorlogen hebben de Joden tot nu toe gewonnen. Wie had dat gedacht, na alle gruwelen van de Tweede Wereldoorlog, van het nationaalsocialisme, de concentratiekampen, de gaskamers…?

Wie had dat gedacht, na de massamoord bij de verwoesting van Jeruzalem door Titus en zijn leger in het jaar 70 na Christus?

Is het niet heel opvallend dat na eeuwenlange Jodenvervolging en tweeduizend jaar verstrooiing het Joodse volk niet ten onder is gegaan? Door de eeuwen heen hebben zij in den vreemde hun identiteit bewaard en zijn ze niet geassimileerd.

Dat is toch de trouw van God?

 

Maar hoe zal die terugkeer uit de verstrooiing precies plaatsvinden? Met deze vraag komen we bij onze tweede gedachte:

 

2. Een moeilijke vraag

 

De Heere stelt Ezechiël een moeilijke vraag: Mensenkind, zullen deze beenderen levend worden?

Wat een indringende vraag!

Nieuw leven in die beenderen? Dat strijdt toch met elke ervaring?

Dat is toch het toppunt van onmogelijkheid?

Het is toch dwaas om zoiets te durven hopen?

Hoe kun je zoiets vragen?

Kijk eens rond; alles om Ezechiël heen is toch één en al dood? Alle verwachting is afgesneden.

Wat zou u te midden van al die knekels en botten zeggen?

Maar toch klinkt die vraag van de Heere: Zullen deze beenderen levend worden?

 

Gemeente, op de vraag of die beenderen tot leven kunnen komen, kun je twee dingen antwoorden:

‘Ja’, als we op God zien; want God is de Almachtige bij Wie alle dingen mogelijk zijn.

Het antwoord is ‘nee’ als je naar beneden kijkt, naar al die botten en die schedels. Dan moet je zeggen: ‘Nee, Heere, onmogelijk. Zoiets bestaat niet!’

Wie immers goed bij zijn verstand is, kan alleen maar zeggen: ‘Nee, onmogelijk. Dood is dood!’

Vers 11 zegt het immers duidelijk: Onze beenderen zijn verdord, onze verwachting is afgesneden.

Ja, vroeger zat er leven in, maar nu is het een onmogelijke en hopeloze zaak.

Ezechiël, zullen deze beenderen levend worden?

Van ‘s mensenkant bekeken: nee!

Van Gods kant bezien: ja!

 

Maar, gemeente, jongens en meisjes, let nu eens op Ezechiël.

Hij legt de vraag of er leven zal komen in de beenderen, als het ware terug in de hand van de Heere. Hij zegt geen ja en geen nee. Zijn antwoord is: Heere, Heere, Gij weet het.

Wat een prachtig antwoord!

Als Ezechiël op zichzelf ziet en op Israël, dan moet hij zeggen: ‘Nee, Heere, dat kan niet, dat is afgesneden.’

Toch durft Ezechiël dat niet te zeggen.

Waarom niet?

Vanwege de Naam des Heere!

Want kijkt u maar in uw Bijbel, wat er staat in het derde vers? Heere, Heere, Gij weet het.

Heere… Hij is de Adonai, de Almachtige.

En – met hoofdletters geschreven –  Heere. Hij is Jahwe, de Verbondsgod.

 

Heere, Heere. Hij is dan toch de God van Wie we alles mogen verwachten?

Je zou het zo kunnen zeggen: Ezechiëls hart verlangt ernaar om te mogen geloven dat God het zal doen, maar hij weet tegelijk dat God niet alleen machtig is, maar ook vrijmachtig.

En daarom legt Ezechiël de vraag maar terug in de hand van de Heere, want Hij alleen weet het.

 

Gemeente, profetieën hebben soms verschillende lagen van vervulling.

Bij deze profetie is dat ook het geval.

De eerste laag is: Israël komt uit Babel terug.

De tweede laag is: Israël komt in de twintigste eeuw vanuit heel de wereld, uit de verstrooiing terug in het land der vaderen.

Maar u kunt ook nog aan een andere laag denken: de opstanding uit de geestelijke dood. Want het is ook waar dat het beeld van die vallei verwijst naar onze geestelijke dood en  hopeloosheid.

Als zodanig is dit gezicht voor u, voor jou en voor mij even onthullend en onthutsend als voor Israël. Want God heeft ons niet geschapen als doden, maar heeft ons geschapen als levenden. Om te leven tot eer van Zijn Naam.

Maar wij hebben Hem verlaten en hebben de dood boven het leven verkozen. En in die staat zijn wij niet lijdelijk, zegt de Bijbel, maar actief dood in de zonden en in de misdaden.

Dat is geen tragiek, maar dat is schuld voor God.

God schiep ons naar Zijn beeld en gelijkenis en Hij plaatste ons in de gemeenschap met Hem. We waren aangelegd op de gemeenschap met God. Dat was het ware leven!

Maar, meisjes en jongens, jullie weten ook wat er gebeurd is: we hebben God verlaten en hebben de dood boven het leven gekozen. Onze beenderen zijn verdord en onze verwachting is afgesneden.

Niemand heeft van nature God lief en onze harten zijn steenkoud!

Wij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid van God.

 

In het gezicht van dat dal vol dorre doodsbeenderen, in dat beeld van Israël, wordt ons een spiegel voorgehouden.

Gelooft u dat? En jullie, jongens en meisjes?

Ach, ik weet wel dat er velen zijn die in hun rechtzinnigheid zeggen: ‘Ja, dat geloof ik wel.’ Maar in de praktijk geloven ze er niets van, want dan zouden ze zich bekeren!

Meisjes, jongens, zo zijn we van nature zonder wedergeboorte.

Dat is toch het ergste wat er is? Dat heel je leven niet beantwoordt aan het doel waartoe God het gegeven heeft? Zijn we daarover wel eens verontrust? Of zijn we nog steeds bezig ons het Woord van het lijf te houden? Dit is nu de moeilijke vraag van onze tweede gedachte.

 

Voor we bij onze derde gedachte stilstaan, zingen we uit Psalm 85 vers 1:

 

Gij hebt Uw land, o Heer’, die gunst betoond,

Dat Jakobs zaad opnieuw in vrijheid woont;

De schuld Uws volks hebt G’ uit Uw boek gedaan;

Ook ziet Gij geen van hunne zonden aan;

Gij vindt in gunst, en niet in wraak, Uw lust;

De hitte van Uw gramschap is geblust.

O heilrijk God, weer verder ons verdriet,

Keer af Uw wraak, en doe Uw toorn te niet.

 

Onze derde gedachte is:

 

3. Een onmogelijke opdracht

 

Welke opdracht krijgt Ezechiël?

Als we het niet zojuist gelezen hadden in Ezechiël 37, zou ik bijna zeggen: dat raadt u nooit!

Ezechiël, zo lezen we in vers 4, moet gaan profeteren tegen al die knekels, die botten en die schedels. Deze wonderlijke opdracht krijgt Hij rechtstreeks van de Heere. Hij moet zeggen: Gij dorre doodsbeenderen, hoort des Heeren woord!

Jongens en meisjes, is dat nu geen grote onzin? Dat is toch de dwaasheid gekroond?

‘Dorre doodsbeenderen’ – knekels, botten en schedels – ‘hoor het woord van de Heere!’

Dat is verloren moeite! Want in die doodsbeenderen zit geen greintje leven meer.

Ezechiël moet profeteren, maar zijn gehoor bestaat uit menselijke, uiteengevallen skeletten.

Je kunt je de moeite wel besparen.

Voor hem liggen dorre doodsbeenderen waar geen greintje leven meer in zit.                 

Maar nu zegt God: ‘Profeteer tegen deze doodsbeenderen, hoor des Heeren woord!’

Meisjes en jongens, dat is toch onzinnig?

Stel je eens voor: een dominee die een preek gaat houden op een kerkhof!

Nee, niet voor de familie die bij een geopend graf staat, want dat heeft wel zin. Maar als hij op het kerkhof gaat preken voor botten, schedels en knekels, waar geen vonkje leven meer uit te halen is… dan ben je toch niet helemaal goed bij je hoofd?

En toch zegt God: ‘Ezechiël, profeteer!’

‘Ja, maar er is geen gehoor om te luisteren. In dat dorre doodsdal is er geen mens die vraagt om een preek!’

Profeteer, Ezechiël!

‘Maar er is geen oor, er is geen oog, er is geen hart, er is geen vraag. Dat is toch paarlen voor de zwijnen werpen?’

Nee, zegt God, dat is geen paarlen voor de zwijnen werpen. Profeteer! Spreek het woord van de Heere!

 

Gemeente, als er ooit een bemoediging in de Bijbel staat, dan is het hier!

Waar alle hoop is afgesneden, zegt God: Daarom, profeteer en zeg tot hen: Zo zegt de Heere Heere: Ziet, Ik zal uw graven openen, en zal ulieden uit uw graven doen opkomen, o Mijn volk, en Ik zal u brengen in het land Israëls.

Daarom!

Ja maar, zegt iemand, dat slaat toch nergens op, dat is toch afgesneden?

Gemeente, het wijst wél ergens op!

Daarom, zegt God!

God haalt redenen uit Zichzelf, niet uit die dorre beenderen, niet uit wat Ezechiël ziet, niet uit de omstandigheden.

Nee, God neemt redenen uit Zichzelf.

Vanwege de belofte van God en Zijn onberouwelijke verkiezing van Israël.

Dat heeft betrekking op wat Hij beloofd heeft aan Abraham.

Daarom. Omdat God het wil, om Gods welbehagen.

Israël komt terug!

 

Gemeente, jongens en meisjes, doden zullen horen…

Kan dat wel?

Ja! Doden zullen de stem van de Zoon van God horen, en die ze gehoord hebben zullen leven. Door de dwaasheid van de prediking maakt de Heere zalig die geloven.

Dorre doodsbeenderen, geestelijk dode zondaren die niet kunnen horen…

En toch, en toch is het Woord van God waar wij vandaag onder zitten, een levenwekkend Woord. Dit Woord is geladen met de opstandingkracht van Christus.

Ezechiël kan niet levend maken, ik ook niet, maar de Heere wel.

Verwacht het daarom van Hem. De prediking is niet zinloos. Het is God Die de doden levend maakt, Die de dingen die niet zijn roept alsof ze waren.

Heel de wereld is een vallei vol dorre doodsbeenderen.

Profeteer mensenkind, verkondig het evangelie aan alle creaturen!

Predik Christus de Gekruisigde, opdat mensen tot geloof zullen worden gebracht.

 

Knechten van God moeten uitgaan om Christus de Gekruisigde te prediken.

En die gekruisigde Christus is Degene die het doet. Door Zijn kracht worden zondaren levend.

Profeteer tot dode zondaars!

Profeteer tot uitgeteerde, uitgemergelde zielen die geen hoop meer hebben.

Profeteer tot stenen harten, want Jezus leeft en Hij heeft beloofd: Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen en – horen jullie dat, jongens en meisjes? – u een vlezen hart geven (Ezech.36:26).

Profeteer, zegt God, predik het Woord. Want God schenkt leven midden in de dood; Pínksterleven, dat in de weg van de profetie en het Woord van God, verwacht en geschonken wordt.

Gemeente, wij hoeven het niet te doen. God doet het.

Ook als alle verwachting is afgesneden. Hij doet het!

 

Ezechiël profeteert. En we zien dat wat onmogelijk is bij de mensen, mogelijk is bij God. Ons vierde punt spreekt daarom van:

 

4. Een teken van hoop

 

Meisjes en jongens, wat onmogelijk lijkt gaat gebeuren…

Ezechiël profeteert. Zoals de Heere bevolen heeft, profeteert hij woorden van leven.

De Heere had beloofd dat de levensgeest die beenderen bij elkaar zou brengen en in de dode lichamen zou komen.

Als u dit hoofdstuk thuis nog eens naleest, moet u er eens op letten dat het woordje ‘geest’ voortdurend met een kleine letter gedrukt staat. Alleen in het veertiende vers niet; daar gaat het namelijk over de Heilige Geest. In de overige verzen wordt de levensgeest bedoeld.

 

Wat God doet gebeurt niet ineens. We zien duidelijk in dit visioen dat de Heere vaak geleidelijk werkt. In etappes, langzamerhand.

Eerst is er een teken van hoop.

Want wat gebeurt er?

Als Ezechiël profeteert ontstaat er beweging. Er klinkt een geluid, een geruis van botten. Eigenlijk staat er in het Hebreeuws dat het een gedreun is.

Die her en der op dat veld verspreide botten bewegen zich naar elkaar toe.

Jongens en meisjes, kijk maar: hier zien we een voet in beweging komen, daar een spaakbeen, een aantal ribben die samen een borstkas vormen.

Een schouderblad voegt zich erbij, een schedel, een bekken…

Jawel, alles beweegt zich naar elkaar en er worden complete menselijke geraamtes gevormd. We lezen dat in vers 7: En de beenderen naderden, elk been tot zijn been.

Ziet u het voor u? De schedel van de ene mens komt niet bij de borstkas van de andere mens. Nee, elk been tot zijn been; en zo worden het complete geraamtes.

Het is toch onvoorstelbaar wat hier gebeurt? Er klinkt een geluid, er ontstaat beweging en er vormen zich complete geraamtes. En dat alles door het woord van Ezechiël.

Door de kracht van de profetie wordt de stilte van de dood verbroken, een luid gedruis weerklinkt en die bleke, verdroogde botten worden lichamen van mensen.

Het één komt na het ander. We lezen dat er vlees op de botten komt, er vormen zich zenuwen en een huid. Zenuwen die voor de gevoeligheid gaan zorgen en een huid als bescherming tegen uitdroging. Het worden complete menselijke lichamen.

Lichamen van mensen; wel dood nog, want er is nog geen levensgeest in. De Heere werkt trapsgewijs. Het één volgt op het andere.

 

Maar wat moeten we aan met die dode lichamen?

Gemeente, die moeten levend worden!

En dat doet God! Hij doet uiteindelijk alles.

Ezechiël hoeft niet meer te doen dan God hem beveelt en dan zorgt de Heere dat het voor elkaar komt, naar Zijn belofte, naar Zijn raad en naar Zijn welbehagen.

De gehele vallei is nu bezaaid met dode lichamen; ieder zijn eigen lichaam, want de Heere kent ze bij name.

In lange rijen liggen ze daar, maar ze ademen niet, hun ogen zijn niet open, ze spreken niet en hun hart klopt niet voor God…

Er moet nog een levensgeest in komen, net als bij Adam in het paradijs.

En daarom moet Ezechiël, nadat hij geprofeteerd heeft tot de beenderen, ook tot de geest profeteren, tot de levensgeest, hier weer met een kleine letter.

Ziet u dan het wonder gebeuren? Vanuit alle windrichtingen komt de levensgeest. Die dode lichamen worden weer levend.

Ze vormen een heel groot leger; een grote menigte.

 

Gemeente, ik ga nu niet alles verklaren in relatie tot de wedergeboorte door het Woord van God en de Heilige Geest Die zondaren levend maakt en tot bekering brengt.

Laten we in de eerste plaats de uitleg en de toepassing volgen die de Heere hier Zelf geeft en die we zojuist ook naar voren hebben gebracht.

Israël keert weer uit de ballingschap van Babel, naar Judea, naar Jeruzalem!

De tempel zal worden herbouwd, het nationale volksbestaan wordt tot op zekere hoogte weer hersteld. Dat is de eerste laag in deze profetie.

Maar er ligt meer in. Het gaat hier namelijk over het gánse huis van Israël; de twee rijken, Juda en Israël. De twee en de tien stammen zullen tot een eenheid worden.

We weten dat maar een kleine rest van het volk uit Babel is teruggekomen; alleen uit het oosten. Maar hier is sprake van de vier windrichtingen.

Dat betekent: uit het noorden, uit het oosten, uit het zuiden en uit het westen.

Gemeente, dan heb je toch niet zoveel fantasie nodig…

De uitleg is duidelijk: het gaat hier ook om terugkeer uit de diaspora van het Joodse volk, dat verspreid en verstrooid is over heel de wereld.

Een groot slachtveld: de kruistochten, de pogroms, de Holocaust, en noemt u maar op…

Maar het Joodse volk is desondanks niet uitgeroeid!

God bewaart ze!

 

God verenigt ze daadwerkelijk. We zien ze uit alle werelddelen komen.

Uit het noorden en zuiden, zo profeteert de profeet Jesaja: Ik zal zeggen tot het noorden: Geef; en tot het zuiden: Houd niet terug (Jes.43:6). En ze zijn ook gekomen uit het noorden; uit Rusland. En uit het zuiden; uit Ethiopië. Vanuit alle windrichtingen zijn ze gekomen naar het land van aartsvader Abraham.  

Al die afgehouwen takken van de olijfboom Israël, die over de gehele wereld verspreid liggen, brengt God weer terug in het beloofde land.

Ze komen uit hun graven. Paulus zegt daarover dat het zal zijn als een leven uit de dood.

 

‘Ja maar’, zegt u, ‘die Joden die nu weergekeerd zijn, zijn toch niet bekeerd? De meeste Joden moeten toch niets van de Heere Jezus hebben?’

Dat is waar; ze zijn nog dood.

Er zijn wel Messiasbelijdende Joden, maar het merendeel is nog blind.

Het is ook overeenkomstig een profetie van Jesaja dat de ogen van de heidenen zullen opengaan, maar die van de Joden blind zullen zijn.  

Ze zijn nog dood, al die lichamen die in de vallei liggen. Eerst komen de beenderen bij elkaar; je ziet ze komen uit de wereld. Vervolgens komt er vlees, huid en zenuwen; ze bezitten de profetie van het Oude Testament. Alleen… ze zijn blind. Het wachten is nu op de vervulling.

 

Hiermee komen we bij ons laatste punt: een goddelijk wonder. Maar we zingen eerst uit Psalm 85 vers 2:

 

Heeft dan, o Heer’, Uw gramschap nimmer end?
Zal z’ eind’lijk niet eens worden afgewend?
Of zal Uw toorn ook op ons nakroost woên?
Zult g’ uit de dood ons niet herleven doen,
Opdat Uw volk zich weer in U verblij’?
Dat toch, o Heer’, Uw goedheid ons bevrij’;
Geef ons Uw heil, en red door Uwe hand,
Uit vrije gunst, het zuchtend vaderland.

 

5. Een goddelijk wonder

 

En Ik zal Mijn Geest in u geven. In het veertiende vers staat nu voor het eerst het woordje ‘geest’ met een hoofdletter; de Heilige Geest Wiens uitstorting we op deze pinksterdag gedenken.

En Ik zal Mijn Geest in u geven, en gij zult leven, en Ik zal u in uw land zetten.

Laten we dan eens op vers 21 letten. Leest u maar in uw Bijbel mee: Spreek dan tot hen: Zo zegt de Heere Heere: Ziet, Ik zal de kinderen Israëls halen uit het midden der heidenen, waarheen zij getogen zijn, en zal ze vergaderen van rondom, en brengen hen in hun land.

In het land waarheen ze gebracht worden, zullen het tweestammenrijk en het tienstammenrijk tot een eenheid worden. Want er staat in vers 22: En Ik zal ze maken tot een enig volk in het land, op de bergen Israëls.

Op de bergen Israëls… Kunnen we die bergen van Israël ook nog vergeestelijken?

Nee. Maar ze zullen wel één Koning hebben. En zij zullen allen tezamen een enige Koning hebben.

Het is duidelijk dat hier de Heere Jezus wordt aangewezen.

Vers 22 besluit met: En zij zullen niet meer tot twee volken zijn, noch voortaan meer in twee koninkrijken verdeeld zijn.

In vers 24 lezen we vervolgens: En Mijn Knecht David – die was allang gestorven in de tijd van Ezechiël – zal Koning over hen zijn; en zij zullen alle tezamen een Herder – de Heere Jezus – hebben.

En dan vers 25: En zij zullen wonen in het land dat Ik Mijn knecht Jakob gegeven heb. Daar hebben we ook van gezongen uit Psalm 105.

Ja, nu mogen ze er weer wonen, zij en hun kinderen en hun kindskinderen.

En Mijn Knecht David zal hunlieder Vorst zijn.

 

Gemeente, de profetie tegen de dorre doodsbeenderen laat duidelijk verschillende lagen van vervulling zien, of verschillende fasen: eerst komen de beenderen tot elkaar en dan komt de levensgeest erin. Zo, zegt God, zal het herstel van Israël zijn.

Dat herstel verloopt ook langs twee fasen: eerst het nationale – één volk zal er wonen: de twaalf stammen van Israël – en dan het geestelijke herstel.

En Ik zal Mijn Geest in u geven.

Wat een rijke profetie van Ezechiël mogen we hier lezen!

Door diezelfde prediking van Woord en Geest worden ook vandaag nog zondaren in de vrijheid gesteld. Zondaren ontvangen vergeving van zonden.

Moge God door Zijn Geest de vraag in onze harten leggen: ‘Wat moeten we doen om behouden te worden?’ Want we hebben de Messias gekruisigd door onze zonden.

 

Wij zagen al dat er verschillende lagen van vervulling in de profetieën liggen. Er is ook nog de laag van de zogenaamde onvervulde profetieën. Wij noemen dat wel het tegoed van het Oude Testament. Op het nationale herstel van Israël moet nog het geestelijke herstel volgen.

 

Tenslotte is er nog een laag die betrekking heeft op ons, zoals we hier in de kerk zitten. Wij moeten in de tekst ook een boodschap, een algemene geestelijke betekenis voor onze eigen situatie, onderscheiden.

Het veertiende vers zegt: En Ik zal Mijn Geest in u geven

Gemeente, het is Pinksteren. De Geest is in Jeruzalem in overvloedige mate uitgestort.

Die Geest hebben we nu zo nodig in ons kerkelijke en in ons persoonlijke leven.

En Ik zal… zegt God.

Ziet u de zekerheid in die belofte?

Die belofte maakt Hij waar.

De nadruk valt op Ik. In het voorgaande hoofdstuk zegt de Heere dat diverse malen: ‘Ik doe het niet om uwentwil, maar Ik doe het omwille van Mijn grote Naam, opdat die geprezen zal worden.’ En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u (Ezech.36:27).

Die Geest is op de pinksterdag uitgestort, als een onverdiende gave; een geschenk voor uw hart en leven.

 

Die pinkstergave is heel persoonlijk. Want bij de wedergeboorte neemt de Heilige Geest Zijn intrek in het hart van de mens.

Dat is het grootste wonder dat er is!

Die Geest wil wonen in een mensenhart; deze reine Geest neemt intrek in ons hart.

Maar wat vindt Hij daar?

Meisjes, jongens, daar vindt Hij zonde en ongerechtigheid.

Dan vindt de Heilige Geest een hart vol tegenstand en vijandschap. Maar die Geest gaat ons hart innemen, zodat we gaan bukken en buigen en het uitschreeuwen: ‘O God, ik heb tegen U gezondigd!’

En dan komt er ook een tijd in ons leven dat die Geest in ons hart gaat getuigen van Jezus.

In het getuigenis van deze Geest ligt vergeving van zonde en een kennis van de drie-enige God.

O, wat een heerlijke Geest, Die alles doet!

 

Jong en oud, wat hebben wij die Geest allen nodig.

Die Geest, Die overtuigt van zonde, Die het verstand verlicht en ons hart opent.

Die Geest, Die ons buigt en breekt, zodat we onze zonde belijden en laten.

Die Geest verheerlijkt Christus; Hij maakt Jezus dierbaar voor een zondaar die snakt naar de vergeving.

 

Gemeente, ik vraag u op deze pinksterdag: waar leeft u eigenlijk voor?

Meisjes en jongens, wat is jullie antwoord?

Leven we voor ons bedrijf of onze baan?

Leven we voor onze mooie auto en onze mooie caravan?

Ik vraag: waar leven we nu eigenlijk voor?

Als u echt door die Pinkstergeest geleid wordt, dan zegt u en dan zeg jij: ‘Voor God, dat is mijn enige doel, Hem te verheerlijken en Hem lief te hebben.’

Kijk, dát is nu leven!

En als je dat mist, dan is dat de dood.

 

We gaan eindigen.

We hebben iets gehoord over de profetie van Ezechiël tegen dorre doodsbeenderen. Ik hoop van harte dat die Pinkstergeest ook ons zal aanraken, zodat we door Hem het ware leven zullen kennen.

Leven door de Geest, leven uit God. In de heerlijke wetenschap dat u Zijn eigendom bent!

Gemeente, er is er maar Eén Die Zijn Geest kan bevelen, zenden en schenken. En dat is Christus.

Drie-enige God, U zij al de eer!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 85:3

 

Merk op, mijn ziel, wat antwoord God u geeft;
Hij spreekt gewis tot elk die voor Hem leeft,
Zijn gunstgenoot, van blijde troost en vreê,
Mits hij niet weer op ‘t spoor der dwaasheid treê.
Voorwaar, Gods heil is reeds nabij ‘t geslacht,
Hetwelk Hem vreest en Zijne hulp verwacht;
Opdat er eer in onze lande woon’
En zich aldaar op ‘t luisterrijkst vertoon’.