Ds. B. Labee - 1 Thessalonicenzen 4 : 16 - 18

Opnemen in Uw heerlijkheid

Opstanding
Inzameling
Vertroosting

1 Thessalonicenzen 4 : 16 - 18

1 Thessalonicenzen 4
16
Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem des archangels, en met de bazuin Gods nederdalen van den hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan;
17
Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met den Heere wezen.
18
Zo dan, vertroost elkander met deze woorden.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 20: 1, 3
Lezen : 1 Thessalonicenzen 4
Zingen : Psalm 45: 1, 5, 7
Zingen : Psalm 7: 4
Zingen : Psalm 73: 12

We willen u in deze dienst bepalen bij het u voorgelezen Schriftgedeelte uit de eerste brief aan de Thessalonicenzen, het vierde hoofdstuk, en daarvan de verzen 16 tot en met 18. Wij lezen daar:

 

Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem des archangels en met de bazuin Gods nederdalen van de hemel. En die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan.

Daarna wij die levend overgebleven zijn, zullen tezamen met hen worden opgenomen in de wolken, de Heere tegemoet in de lucht. En alzo zullen wij altijd met de Heere wezen.

Zo dan, vertroost elkander met deze woorden.

 

Wij schrijven onder onze tekst, en daarmee boven de preek: Opnemen in Uw heerlijkheid.

 

De tekst bepaalt ons bij drie gedachten, drie kernwoorden:

1. Opstanding (vers 16)

2. Inzameling (vers 17a)

3. Vertroosting (vers 17b en 18)

 

1. Opstanding

 

Gemeente, u weet waarschijnlijk wel dat de apostel Paulus tijdens zijn tweede zendingsreis de Griekse stad Thessalonica bezocht heeft.

Daaraan ging een wonderlijke weg vooraf. Aanvankelijk wilde hij naar Azië reizen, maar de Heilige Geest verhinderde dit voornemen. Want in Troas sprak de Heere tot hem in een visioen, waarin een Macedonisch man hem dringend verzocht naar Europa over te komen: Kom over in Macedonië, en help ons (Hand.16:9). 

Toen Paulus de Bosporus overgestoken was, bleek het strand echter leeg. Niemand wachtte hem op, ook niet die Macedonische man die zo’n behoefte leek te hebben aan Gods Woord.

 

Gemeente, er zit nooit iemand te wachten op het Woord. De mens is er immers helemaal niet van gediend dat het Woord gebracht wordt. Paulus moest dat leren.

Toen hij tenslotte in Filippi aankwam, werd daar niet een Macedonisch man bekeerd, maar een vrouw. Wonderlijk! De eerste vrouw in Macedonië. Haar naam was Lydia. De Heere opende haar hart, zodat zij acht nam op wat Paulus zei.

Daarna liep de weg dood. Paulus werd in de gevangenis geworpen. Maar door een wonderlijke bevrijding door de Heere, door een aardbeving, kon hij zijn reis weer vervolgen.

Tenslotte is de apostel  in Thessalonica aangekomen. Daar heeft hij op drie sabbatten het Woord verkondigd. Na deze prediking organiseerden de Joden een volksoploop, waarna de inwoners van Thessalonica de apostel Paulus wegjoegen.

 

Toch droeg zijn werk vrucht. De apostel schrijft later in zijn zendbrief aan de Thessalonicenzen: Want ons evangelie is onder u niet alleen in woorden geweest, maar ook in kracht, en in de Heilige Geest, en in veel verzekerdheid (1 Thess.1:5).

Maar Paulus werd wel beproefd. Je zult als zendingsarbeider maar na drie weken al weg moeten uit een stad, waar je nog maar zo kort gepreekt hebt. Weliswaar door de hand des Heeren verder geleid, maar wel tegen zijn zin in verjaagd…

 

Kunt u zich de zorgen van Paulus voorstellen, die hij zich na verloop van tijd maakt? Wat zou er geworden zijn van dat handjevol gelovigen in Thessalonica?  

Zeker, Paulus mag weten dat God in Thessalonica gewerkt heeft. Het Woord heeft kracht gedaan. Misschien heeft dat kleine groepje gelovigen een huisgemeente gevormd. Maar wat zal daarvan terechtkomen als er niemand is om onder hen te dienen? Hoe zal dat zonder ambtelijke leiding gaan, zonder iemand die hen onderwijst?

De apostel Paulus stuurt dan Timotheüs naar Thessalonica, om de gemeente te bezoeken.

Als deze terugkomt blijft er echter maar één ding over: verwondering! Want Timotheüs kan Paulus meedelen: ‘Paulus, God heeft rijk gewerkt in Thessalonica. Er is een gemeente ontstaan, en haar leden dienen de levende God.’

 

De apostel Paulus is hartelijk verblijd over dit bericht. Hij grijpt de pen en schrijft de eerste brief aan de Thessalonicenzen. Het is dan vermoedelijk rond het jaar 50 na Christus.

Waarschijnlijk ligt dus met de eerste Thessalonicenzenbrief het oudste geschrift van het Nieuwe Testament, en de eerste brief van de apostel Paulus, voor ons.

Paulus schrijft in zijn brief over twee dingen die hij van Timotheüs gehoord heeft.

Het eerste lezen we in de verzen 9 en 10 van het eerste hoofdstuk: Want zijzelven verkondigen van ons hoedanige ingang wij tot u hebben. En hoe gij tot God bekeerd zijt van de afgoden, om de levende en waarachtige God te dienen.

Er zijn in Thessalonica dus mensen die tot God bekeerd zijn en die de levende en de waarachtige God dienen.

We lezen vervolgens: En Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten, Dewelke Hij van de doden opgewekt heeft, namelijk Jezus, Die ons verlost van de toekomende toorn.

Wat een heerlijk getuigenis geeft de apostel over de gemeente van Thessalonica! Er zijn inwoners die de afgoden vaarwel hebben gezegd en tot God bekeerd zijn. Zij verwachten de Heere Jezus en zien reikhalzend uit naar Zijn tweede komst.

 

In de Thessalonicenzenbrief gaat het nu vooral over dat uitzien naar de wederkomst van de Heere Jezus. Paulus gaat nader onderwijs geven over deze toekomstverwachting.

Maar de gelovigen in de gemeente van Thessalonica zijn er zo intensief mee bezig dat ze hun dagelijks werk nalaten.

Want als de Zaligmaker spoedig zal wederkomen, waarom zou je dan nog met je werk bezig zijn? Als Zijn komst aanstaande is, waarom zou je nog een opleiding volgen en studeren? Als Hij morgen komt, moet je je toch maar over één ding druk maken: ben ik er wel op voorbereid?

Maar Gods kinderen in de gemeente van Thessalonica waren ook bitter bedroefd.

Weet u waarom?

Wel, door de Heere bekeerd, leefden zij in de verwachting van een spoedige wederkomst, maar toch stierven er kinderen van God en werden begraven.

De achtergebleven gelovigen dachten echter dat deze godvrezende mensen, die tijdens hun leven zo vurig naar die laatste ogenblikken van het wereldbestaan verlangd hadden, de tweede komst van Jezus niet zouden meemaken! 

 

Paulus hoort dit alles en gaat dan in zijn brief aan de Thessalonicenzen nader onderwijs over de wederkomst geven. We lezen in het vierde hoofdstuk van zijn brief: Doch, broeders, ik wil niet dat gij onwetende zijt van degenen die ontslapen zijn, opdat gij niet bedroefd zijt gelijk als de anderen, die geen hoop hebben (1 Thess.4:13).

Het is alsof Gods Geest Paulus inspireert om dit onderwijs te geven. We lezen immers in het voorafgaande vers van onze tekst: Want dat zeggen wij u door het Woord des Heeren… (1 Thess.4:15).

Er zijn verklaarders die geen keuze durven te maken tussen de uitleg dat de Heere aan Paulus bijzonder onderwijs gaf, of dat hij dit op grond van zijn inzicht in de Schrift verkondigt.

Ik denk dat het eerste het geval is. De Heere heeft Paulus bijzonder licht gegeven.

Hij geve ook ons het licht van Zijn Heilige Geest om onze tekstwoorden met onze ziel te mogen verstaan.

 

Paulus wil in vers 13 als het ware zeggen: ‘Wanneer er kinderen van God sterven, zult u dan niet overmatig bedroefd zijn?’

O, wat een smart kan er zijn! Ongetwijfeld zijn er hier weduwen en weduwnaars, of mensen die een vader of moeder, een opa of oma naar het graf hebben gebracht. Maar als u weten mag dat ze in Christus ontslapen zijn, zult u dan niet overmatig bedroefd zijn?

De gelovigen in de gemeente van Thessalonica spraken echter over hun gestorvenen alsof ze hen nimmer zouden terugzien. Alsof het een definitief verlies zou zijn.

Maar een kind van God dat sterft en afreist naar de gewesten van de eeuwige gelukzaligheid, zijn we niet kwijt. Ze gingen niet verloren, maar ze zijn voor eeuwig in Jezus’ handen. Ze zijn veilig. Ja, met recht: veilig in Jezus’ armen!

 

Kinderen van God, we weten toch wel waar ze zijn? Voor eeuwig verenigd met Hem, die onze Hoop is.

In deze wetenschap schrijft de apostel Paulus: Broeders, ik wil niet dat gij onwetende zijt van degenen die ontslapen zijn. Hoort u het? Ze slapen alleen maar. Opdat gij niet bedroefd zijt als de anderen, die geen hoop hebben.

Als de Heere gekend mocht worden, is er hoop en mag er daarom geen overmatige  droefheid zijn.

 

Gemeente, bent u nog altijd buiten de Zaligmaker? De ernst van dit ogenblik is dat als u onbekeerd sterft, er geen hoop en geen verwachting voor u is. U bent dan voor eeuwig verloren.

Wat zal dat zijn. Sterven zonder God!

Zult u nooit uitspraken doen over waar iemand voor wie geen hoop scheen te zijn, na het sterven zal zijn?

De Bijbel doet er geen uitspraak over. Zelfs wanneer wij het ergste vrezen staat er niet dat ze naar de hel gaan, maar ‘naar hun plaats’; naar de bestemming waar ze eeuwig zullen verkeren. Wij moeten maar niet op die rechterstoel gaan zitten; er is er maar Eén Die oordeelt, en dat is God.

Voor degenen die in de Heere gestorven zijn, geldt echter dat ze ontslapen zijn. Wij behoeven dan niet te treuren als degenen die geen hoop hebben. Want de apostel schrijft: Indien wij geloven dat Jezus gestorven is en opgestaan, alzo zal ook God degenen die ontslapen zijn in Jezus, wederbrengen met Hem (1 Thess.4:14).

 

Jezus is gestorven en Gods kinderen zullen ontslapen. Het is een zekere parallel die de apostel Paulus hier schetst. Maar er is ook een groot onderscheid. Hij, de Borg van Sion, heeft de dood aangegrepen en al zijn verschrikkingen ondergaan. Hij betaalde daarmee aan Gods recht en kocht Sion vrij.

De dood van Jezus heeft mijn dood daarom veranderd in een slaap.

Kinderen van God, de dood is de koning der verschrikking, de laatste vijand die tenietgedaan moet worden. Gods kinderen zijn die strijd te boven als ze ontslapen zijn.

Tot de grote dag van de wederkomst waakt de Koning van Sion over het stof van zijn Sionieten. En als ze dan straks ontwaken, zullen ze voor eeuwig met Jezus verenigd zijn. ‘Blij vooruitzicht dat mij streelt!’

 

De apostel Paulus spreekt vervolgens over wat straks bij de wederkomst zal gebeuren.

In Thessalonica was er een levende verwachting, maar tegelijk droefheid omdat de achtergeblevenen geloofden dat hun gestorven medegelovigen de wederkomst niet mee zouden maken.  

Paulus troost hen daarom in vers 16 en zegt: Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem des archangels en met de bazuin Gods nederdalen van de hemel. En die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan.

De apostel wijst in dit vers naar de Kurios; de Heere, de opgestane Zaligmaker.

Hij Die dood is geweest en Die leeft tot in alle eeuwigheid, zal eens met een grote stem neerdalen van de hemel.

 

Gemeente, wij vragen uw aandacht voor drie dingen in vers 16:  

Jezus komt ten eerste met een geroep;

ten tweede met de stem van een archangel en met de klank van een bazuin; 

en ten derde staat er dat die in Christus gestorven zijn het eerst zullen opstaan.

 

Ten eerste lezen we dus dat Jezus zal weerkomen met een geroep. Wat moeten we ons daarbij voorstellen?

Ik denk dat we dit zo moeten verstaan, dat als de Koning Zijn stem zal verheffen, deze alom hoorbaar zal zijn.   

Hij heeft dit tijdens Zijn omwandeling op aarde voorzegd: Verwondert u daar niet over; want de ure komt in welke allen die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen (Joh.5:28).

Wonderlijk, straks zal Iemand komen Die Zijn stem verheft, en dan zullen alle doden over de gehele aarde Hem horen. Bekeerde mensen en onbekeerde mensen. Atheïsten en kerkelijk meelevenden. Mensen die de Heere vreesden en die Hem niet vreesden. Wij zullen allen, gestorven of niet, Zijn stem horen.

Jezus komt roepend. Denk maar aan de opwekking van Lazarus.

Wat riep de Heere Jezus toen?

Lazarus, kom uit! (Joh.11:43)

En hij kwam uit. Gewikkeld in grafdoeken. Hij stond op uit het graf en hij stond daar voor de Zaligmaker.

Alle graven zullen geopend worden.

Want Jezus komt met een geroep, en de levenden en doden zullen Zijn stem horen. 

 

Ten tweede vernemen we uit vers 16 dat met Jezus’ komst de stem van de archangel en de bazuin Gods zal klinken.  

Een archangel is een belangrijke engel. Een aartsengel wordt hij ook wel genoemd.

We moeten deze archangel wel onderscheiden van het Hoofd van de engelen: Jezus Christus. Hij wordt ook wel eens vergeleken met een archangel. Maar hier gaat het om een andere engel: een aartsengel, zoals Michaël.

Wat zal de taak zijn van de archangel die vers 16 noemt?

Wel, hij zal samen met Jezus komen op de wolken, en hij zal met de bazuin Gods nederdalen uit de hemel.

De kanttekening bij deze tekst zegt dat de Schrift deze stem of bazuin niet nader verklaart. We moeten er wel de grote macht en heerlijkheid van Christus in Zijn tweede komst in zien. Hij zal als een legeroverste komen, vergezeld door Zijn engelen, met trompetgeluid en groot geschal.

Jezus’ tweede komst zal daarmee verschrikkelijk zijn voor Zijn vijanden.

Wat zal het ontzettend zijn om pas dan wakker te worden!

Onbekeerd te moeten meemaken wat hier in onze tekst staat…

Wij allen, of we nu God kennen of buiten Hem staan, zullen de stem van de Zoon van God horen, en de bazuin van de archangel.

Verschrikkelijk als ik dan onbekeerd ben. Maar heerlijk als ik behoor tot het volk dat die Koning lief heeft gekregen en nu niet meer hoeft te vrezen. Al hebben Gods kinderen nog zo vaak getwijfeld, de mist van het ongeloof zal dan voorgoed optrekken.

 

Ten derde staat in vers 16: En die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan.

Paulus zegt hier als het ware: ‘Thessalonicenzen, jullie behoeven niet te treuren; de gestorven heiligen zijn niet voorgoed tot stof vergaan, maar ze zijn veilig in Jezus’ armen. Gods kinderen die gestorven zijn, zullen die grote dag meemaken. Ze zullen zelfs als eersten opstaan. Alle graven gaan open, alle doden zullen de stem horen van de Zoon van God, en het geluid van de archangel.’

Maar we zien wel een onderscheid.

Mensen die onbekeerd zijn moeten nog even in het graf blijven liggen.

Want degenen die in Christus ontslapen zijn, zullen eerst opstaan.

Zo worden Gods kinderen in Thessalonica, die zo bedroefd waren om hun gestorven medegelovigen, door Paulus’ woorden vertroost.

Want hun opstanding is zeker! Zij zullen zelfs als eerste van allen opstaan.

 

Gemeente, nu denken Gods kinderen op aarde wel eens vergeten te worden.

Maar dat is niet waar. De grote Schepper aller dingen weet waar hun stof in de aarde rust. Zij zullen zeker opstaan.

De Heere weet ze allemaal te vinden; de verdronkenen, de mensen die vermist zijn, de martelaren die verbrand zijn… Allen die in Christus ontslapen zijn, zullen eerst opstaan.

Op Pasen was er een leeg graf. Maar op de dag van Jezus’ tweede komst zijn de graven van Gods kinderen ook leeg!

Met Christus zullen zij dan eeuwig leven.

 

Maar, gemeente, om dan eeuwig te leven, moet u in dit leven van dood levend gemaakt worden. Dan moet u weet hebben van dat wondere werk van die nieuwe geboorte, ‘zonder ons in ons’, waarover de  Dordtse Leerregels als volgt spreken: ‘Dit is die wedergeboorte, die vernieuwing, nieuwe schepping, opwekking uit de doden en levendmaking, waarvan zo heerlijk in de Schrift gesproken wordt, dewelke God zonder ons in ons werkt.’

Maar dan moet u wel weten dat u dood was, verloren was, en dat u gevonden bent, behouden bent, en levend gemaakt met Christus.

 

In onze eerste gedachte zagen wij dat alle gestorvenen zullen opstaan.

Wij vragen nu uw aandacht voor onze tweede gedachte:

 

2. Inzameling

 

De apostel Paulus schrijft vervolgens: Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen tezamen met hen opgenomen worden in de wolken, de Heere tegemoet in de lucht.

Er zijn verklaarders die menen dat Paulus hoopte de wederkomst nog levend mee te maken. Ongetwijfeld heeft hij ernaar verlangd.

Maar het gaat erom de gelovigen in Thessalonica te vertroosten: ‘Wees niet te bedroefd, want degenen die uit u gestorven zijn, zullen eerst opstaan.’ Daarna wij, die levend overgebleven zijn…

Paulus mag zichzelf insluiten bij degenen die op goede gronden, door wedergeboorte en geloof, bij Gods kerk behoren.

Wat een wonder als u van dood levend bent gemaakt en Christus door een waar geloof bent ingelijfd. Afgesneden van Adam en ingeplant in Christus.

Daarom mag de apostel zeggen: ‘Wij! Wij die levend overgebleven zijn…’ O, dat wonder, dat ik hoor bij degenen die niet zonder hoop op deze aarde verkeren! 

Zullen er met de wederkomst nog mensen op aarde zijn die de Heere vrezen?

Ja, zegt de Schrift hier. Er zal altijd een kerk zijn, tot aan de jongste dag. Daar hoeven we niet aan te twijfelen.

Wel is het de vraag of u bij deze kerk hoort.

 

De kanttekenaren wijzen erop dat de gelovigen die op de jongste dag nog levend zijn, ‘eruit gerukt, eruit getrokken’ zullen worden. Aan de Korinthiërs schrijft Paulus dat hun lichaam in een punt des tijds, in één ogenblik, aan Christus’ verheerlijkt lichaam gelijkvormig zullen worden. U kunt over dit geheim in 1 Korinthe 15 lezen.  

In een punt des tijds… In het Grieks staat er het woordje ‘atomos’; een ondeelbaar ogenblik. In de Engelse vertaling staat: in a twinkling of an eye – tijdens het knipperen van je ooglid. In één oogwenk zullen al Gods kinderen die nog op aarde zijn, worden veranderd.  

 

Kinderen des Heeren, dat zal wat zijn!

Misschien dat u hier met uw afgetobde lichaam in een rolstoel zit. Misschien lijdt u onder een lichaam met heel veel zonden en gebreken. Of u bent kerngezond, maar moet zeggen: ‘Heere, in mij is er geen enkele gedachte die U behaagt. En ik kan, als U het me niet geeft, geen woord spreken tot Uw eer. Zo ongelukkig ben ik, zelfs na ontvangen genade.’

En dan in één ogenblik, in een punt des tijds, helemaal veranderd worden…?  

Waaruit zal die verandering dan bestaan?

Wel, zeggen onze kanttekenaren, dan krijg ik een verheerlijkt lichaam en ga ik lijken op de  Koning. Dan krijg ik ogen die nooit meer naar de zonde kijken.

Verlangt u daar wel eens naar?

Ik heb dan ogen die altijd zullen zien op God in Christus, die eeuwig zullen zien op de zeven Geesten Die voor de troon zijn.

Daar zal nooit meer ongeloof in mijn ziel zijn.

Eeuwig zal ik Hem mogen dienen; ongestoord en eindeloos.

In een punt des tijds zullen wij allen veranderd worden en op Jezus lijken, Die altijd de wil van Zijn Vader volbrengt en doet wat Hem behaagt.

  

Op de dag des Heeren zullen al Gods kinderen uit alle talen, volken, rassen en natiën, verenigd zijn. Albanezen met Nederlanders en mensen uit Papua; alle onderscheid in ras, geslacht en taal zal wegvallen.  

De kerkmuren in Nederland, de scheiding, de liggingsverschillen… in dat ene ondeelbare ogenblik valt alles weg en zullen al Gods kinderen samen zijn.  

Ze worden dan samengevoegd en verenigd.

Gods kinderen kunnen hier zo naar elkaar verlangen; een gemeenschap die maar niet tot stand komt… Maar straks zal de gemeenschap der heiligen ten volle ervaren worden.  

Ik geloof een heilige, algemene, christelijke kerk. Die ene kerk zal opgenomen worden in de wolken. In de kanttekeningen staat dat die wolken als de wagen van Elia zullen zijn, waarmee Gods kinderen door de lucht tot Christus gevoerd zullen worden.

Zij gaan de Heere tegemoet in de lucht. Daar zal Hij rechtspreken over alle mensen die door de engelen bijeengebracht zullen worden aan Zijn rechter- en linkerhand.

  

De Heere tegemoet… Het zijn woorden die we even oversloegen.

Weet u waar Gods kinderen eigenlijk naar toe reizen?

‘Naar de hemel’, zegt u.

Dat is waar. Maar de hemel als beloning of de hel als straf is eigenlijk niet het belangrijkst.

Weet u waar Gods kinderen naar toe gaan?

Zij gaan de Heere tegemoet! Zij gaan naar de Kurios. Zij gaan naar Jezus.

Hem hebben zij nodig gekregen, Hem hebben zij lief gekregen.

Hier mogen zij Hem wel eens zien als door een spiegel in een duistere rede. Maar straks zullen ze Hem zien van aangezicht tot aangezicht.

Gods kinderen reizen naar God in Christus.

Altijd met de Heere zijn…

Zij zullen zeker hun wens verkrijgen.

 

Maar ‘t vrome volk, in U verheugd,

zal huppelen van zielenvreugd,

daar zij hun wens verkrijgen.

Hun blijdschap zal dan, onbepaald,

door ‘t licht dat van Zijn aanzicht straalt,

ten hoogste toppunt stijgen.

 

Kinderen des Heeren, verlangt u wel eens naar die dag, wanneer u eeuwig bij die gezegende Heere Jezus mag zijn, bij de Middelaar Gods en der mensen?

Ik mag u vandaag meegeven dat deze Bruidegom altijd verlangt naar Zijn kerk: Vader Ik wil dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn die Gij Mij gegeven hebt (Joh.17:24). Hij heeft ze lief met een liefde die van eeuwigheid is; zij zijn van eeuwigheid verkoren en in de tijd getrokken. Hij verlangt er naar om ze ook eeuwig bij Zich te hebben.

Kinderen des Heeren, hoe vaak verlangt u naar die dag?

De gelovigen in Thessalonica verlangden dagelijks naar die dag van Jezus.

Hoe vaak verlangt u naar die grote toekomst?

                                                             

Gemeente, bent u erop voor- en toebereid? Haast en spoed u, want als we ons niet vergissen is die dag aanstaande. Nee, ik ben geen profeet, duizend jaar is als een dag en een dag als duizend jaren, maar nooit eerder was de toekomst des Heeren zo nabij.

Zijn voetstappen worden gehoord!

Kom, verlangt u naar die dag?

De Heere tegemoet in de lucht…!

De hele kerk komt dan thuis, verenigd als een bruid met haar hemelse Bruidegom, Jezus Christus.

De troost die hierin ligt, overdenken we in onze derde gedachte.

 

Maar wij zingen nu eerst Psalm 7 vers 4:

 

Zo zullen zich gehele scharen

Van volken om U heen vergâren.

Beklim dan, boven dit gewoel,

Uw hemeltroon, Uw rechterstoel.

De Heer’ zal al de volken richten,

En ‘t onrecht voor het recht doen zwichten.

Geef dan, o Heer’, dat voor elks oog

Mijn recht en vroomheid blijken moog’.

 

Gemeente, wij zagen de opstanding en inzameling van de heiligen.

Tenslotte letten we op:

 

3. Vertroosting

 

Wat is nu de grootste troost voor de Thessalonicenzen?

Dat alle heiligen ingezameld zullen worden is heerlijk, maar het is niet het grootste.

Ik geloof zeker dat Gods kinderen elkaar zullen herkennen. Waarom zou er in de Schrift staan dat ze zullen aanzitten met Abraham, Izak en Jakob, als we hen niet zullen herkennen? Ongetwijfeld zal er herkenning zijn, maar ook dat is niet het grootste.

Dat ik zélf in de hemel ben, dát zal het grootste wonder zijn. Dan zullen al de hemelklokken luiden, schrijft Bunyan.

 

Wat een rijke en onbevattelijke troost proeven we in vers 17. En alzo zullen wij altijd met de Heere wezen. Het gaat er niet om in de hemel te komen, maar om altijd bij de Heere te zijn.  

Wat een troost!

Gods kinderen reizen niet naar een onbekende Jezus. Ze hebben Hem in dit leven leren kennen en Hem lief gekregen. Ze leren Hem meer en meer kennen, de één weliswaar meer dan de ander. Maar allen hebben van deze Persoon enige kennis verkregen.

 

Deze Immanuël bezoekt bij tijd en wijle Zijn kinderen.

Kent u die momenten?

Als Hij Zich openbaart is Gods kerk verheugd en Gods kind verblijd. Maar Rutherford merkt in dit verband op: ‘Waarom zijn nu die bezoeken altijd zo kort? Waarom is Hij altijd als een reiziger die slechts inkeert om te vernachten? Wel, opdat wij gaan verlangen naar het ogenblik dat wij voor altijd met Jezus verenigd zullen zijn.’

Spurgeon roept bij deze tekst uit: ‘Gezegende dag! Wanneer zult ge aanbreken? Verrijs, nimmer ondergaande Zon!’ Waarom? Om te mogen zijn bij de Koning der koningen Die u kocht met Zijn dierbaar bloed, om daar te zijn, waar het hart van al Gods kinderen ligt.

Als het oog van het geloof op Hem mag zien, blijft er maar Eén over – en dat is Jezus. God in Christus, een drie-enig God, die gekend wordt door de Middelaar Gods en der mensen.

 

Bent u op reis naar die toekomst?  

In Thessalonica waren ze zo druk bezig met de wederkomst dat ze hun dagelijks werk neergelegd hadden. Ze dachten alleen nog maar aan Jezus’ komst. Zijn wij er eigenlijk niet te weinig mee bezig?

Hoe is het met uw agenda? Is hij tot en met volgend jaar volgeboekt? Houdt u rekening met Zijn komst?

 

Er is nog tijd om Hem te zoeken. Hij is nog Dezelfde.

Hij openbaart Zich aan mensen die achter gesloten deuren zitten. Aan mensen die denken dat het nooit meer gebeuren zal en die toch op de knieën liggen en smeken: ‘Heere, denk aan mij. Zoek mij, raap mij op. Ik ben verloren zonder U. Heere, wilt U mij vinden en trekken, zoals U al Uw kinderen aan Uw voeten gebracht hebt.’

 

Sion, vertroost elkander met deze woorden.  

Ja, onze tijd is donker. Er worden niet zoveel mensen meer bekeerd. Je hoort zo weinig van  doorbrekend werk. Het lijkt wel alsof in de prediking, in de catechese en met onze jongeren alles fout gaat…

Gemeente, u mag er best over praten. Maar dan vooral op uw knieën in de binnenkamer.

Maar, kinderen des Heeren, de apostel Paulus wijst u een nog uitnemender weg.

Weet u waar u vooral over moet spreken en elkaar mee moet bemoedigen? Zijn komst!

Niet zozeer over dat de wereld spoedig op een eind loopt; spreek daarover maar met de Heere.

Smeek of velen tot de erkentenis van die ene dierbare naam van de Zaligmaker, Jezus, zullen komen.

Ons hartelijk verlangen is of de Heere krachtig wil werken onder de jeugd. Smeek of Hij in onze samenleving een opwekking en een wederkeer wil geven. Bid om de zaligheid van Israël.

Maar vertroost elkaar allermeest met de verwachting dat Jezus komt!

 

En alzo zullen we altijd met de Heere wezen. Zo dan, vertroost elkander met deze woorden.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 73:12

 

‘k Zal dan gedurig bij U zijn,
In al mijn noden, angst en pijn;
U al mijn liefde waardig schatten,
Wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten.
Gij zult mij leiden door Uw raad,
O God, mijn heil, mijn toeverlaat;
En mij, hiertoe door U bereid,
Opnemen in Uw heerlijkheid.