Ds. W. Visscher - Kolossenzen 3 : 16

De vroegchristelijke kerk of de gemeente Gods

Het woord van Christus dat in de gemeente Gods woont
Hoe in de gemeente Gods mensen elkaar leren en vermanen
Hoe het woord van de Heere in de gemeente ook wordt gezongen

Kolossenzen 3 : 16

Kolossenzen 3
16
Het woord van Christus wone rijkelijk in u, in alle wijsheid; leert en vermaant elkander, met psalmen en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende den Heere met aangenaamheid in uw hart.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 22: 4
Lezen : Kolossenzen 3
Zingen : Avondzang: 1, 2, 6, 7
Zingen : Psalm 118: 7
Zingen : Psalm 133: 1

Gemeente, u weet ongetwijfeld allemaal dat Gods kerk op aarde ‘het lichaam van Christus’ wordt genoemd. De Heere heeft in deze wereld Zijn gemeente gebouwd. Die gemeente heeft in de eerste plaats een onzichtbare zijde. Dat betekent dat de Heilige Geest verborgen werkt in de harten van Zijn kinderen, en dat de Heere weet wie de Zijnen zijn. Aan de andere kant heeft de gemeente Gods ook een zichtbare zijde. De kerk komt openbaar in belijdenis en levenswandel.

Er zijn verschillende soorten gemeenten. Als we daarover nadenken, dan zijn daar allerlei typeringen voor. Je hebt bijvoorbeeld gemeenten in een dorp en die noemen we dan dorpsgemeenten. Er zijn ook kerken in een grote stad en die noemen we dan stadsgemeenten. Je hebt gemeenten die vergrijzen. Er zijn ook gemeenten waar juist veel jongeren zijn. Er zijn vacante gemeenten. Je hebt gemeenten met veel verenigingen en gemeenten met weinig verenigingen. Zo kunnen we doorgaan en allerlei dingen opnoemen die horen bij de zichtbare gemeente Gods.

 

We gaan in deze dienst stilstaan bij de dingen die de Heere belangrijk vindt voor Zijn zichtbare gemeente in deze wereld.

 

We willen uw aandacht bepalen bij Kolossensen 3 vers 16. We lezen daar in Gods Woord het volgende:

 

Het woord van Christus wone rijkelijk in u, in alle wijsheid; leert en vermaant elkander met psalmen en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende de Heere met aangenaamheid in uw hart.

 

We kunnen onder deze tekst schrijven: De vroegchristelijke kerk of de gemeente Gods.

 

We staan stil bij drie gedachten:

1. Het woord van Christus dat in de gemeente Gods woont

2. Hoe in de gemeente Gods mensen elkaar leren en vermanen

3. Hoe het woord van de Heere in de gemeente ook wordt gezongen

 

1. Het woord van Christus dat in de gemeente Gods woont

 

Gemeente, we staan in deze dienst stil bij één van de brieven van de apostel Paulus. Het is niet eenvoudig om de gemeente te leren wat de apostelen hebben geschreven in hun brieven. Het gaat vaak over hele diepe dingen.

Nu zouden we geneigd kunnen zijn om die dingen uit de brieven van de apostelen dan maar over te slaan en tegen elkaar te zeggen: ‘We vinden het veel fijner om naar de geschiedenis van Simson te luisteren.’ Dat is op zich wel begrijpelijk, maar toch niet goed, want er zit in de Bijbel een hele duidelijke lijn.

In de Bijbel werkt de Heere naar een hoogtepunt. Het hoogtepunt in de Bijbel is het middelaarswerk van Christus en de grote betekenis daarvan. De betekenis daarvan wordt vooral beschreven in de brieven van de apostelen. Daarom is het heel belangrijk om veel bij die moeilijke gedeelten uit de Bijbel stil te staan. Misschien zegt u: ‘Waarom heeft God nu zulke moeilijke dingen op laten schrijven? Als ik de brief aan de Kolossenzen doorlees, dan kom ik van de ene moeilijkheid in de andere terecht.’

 

Gemeente, u moet weten dat de brief zoals Paulus die heeft gestuurd naar de gemeente van Kolosse, niet zomaar eens een keertje werd gelezen, maar dat die brief iedere week weer aan de mensen werd voorgelezen. Dus iedere week hoorden de mensen in Kolosse weer die brief van de apostel Paulus voorlezen. En dan geleidelijk, stukje bij beetje, werd het onderwijs van de Heilige Geest in die brief duidelijker.

U moet ook altijd onthouden dat niet alle dingen in de Bijbel op één dag worden geleerd. Helaas komen we die gedachte wel eens tegen. Gods kinderen hebben voortdurend onderwijs uit de Schrift nodig. Vandaar dat we elke zondag naar de kerk gaan en we elke dag de Bijbel moeten lezen.

Hebt u ook dat onderwijs uit de Schrift nodig? En leest u daarom ook dagelijks de Bijbel? Jesaja klaagt in Jesaja 55 vers 2: Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen geen brood is, en uw arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan? Hoort aandachtiglijk naar Mij. Hoor toch naar de Heere en naar Zijn Woord en naar wat Hij zegt. Laten we de Bijbel lezen en er diep over nadenken en biddend voor de Heere brengen.

Dat is de weg die de Heere wijst.

 

Hoofdstuk 3 uit de brief aan de Kolossenzen is een nieuw gedeelte in het onderwijs van de apostel Paulus. In hoofdstuk één en twee werkt Paulus de christelijke leer uit. In het derde hoofdstuk van deze brief gaat Paulus schrijven over het christelijke leven.

Het is een belangrijke vraag: Welke roeping heeft de christelijke gemeente in een heidense samenleving? Dat is de vraag die Paulus in het tweede gedeelte van deze brief aan de orde stelt. Ook voor vandaag is dit een belangrijke boodschap. Welke roeping heeft de christelijke kerk?

 

We lezen in dit hoofdstuk eerst iets over het zoeken van de dingen die boven zijn (vers 1). Hemelse zaken moeten gezocht worden.

Verder lezen we over het doden van de leden die op de aarde zijn (vers 5). Paulus maakt dat doden heel concreet. Hij noemt onder andere: hoererij, onreinheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid, en de gierigheid, welke is afgodendienst. Als je zo’n tekst leest, dan geeft dat vragen. Gingen de christenen daar dan naar prostituees? Zijn het gierige mensen? U moet weten, dat daar in dat deel van Turkije de afgodsdienst van Diana erg belangrijk was. Dat zette een stempel op heel het dagelijkse leven. Bij die dienst aan Diana of Artemis van de Efeziërs, was ook losbandigheid en overspel een heel belangrijk element. Dat is meestal bij afgodendienst. Vandaar dat Paulus waarschuwt tegen de volkszonde van hoererij, onreinheid en schandelijke beweging. Hij waarschuwt hier eigenlijk tegen de volkszonde van die dagen.

In onze tijd zouden we dit bijvoorbeeld kunnen vervangen door een waarschuwing tegen het materialisme. Dat is een belangrijke volkszonde van onze dagen. Hoeveel kerkmensen leven er niet voor hun banksaldo, hun huis en hun auto? En ze gaan daar helemaal in op. Kijk, dan wordt het duidelijk wat Paulus bedoelt, namelijk dat de christelijke gemeente totaal anders in deze wereld moet staan.

Paulus zegt dat we gramschap en toornigheid moeten afleggen, en dat we de nieuwe mens aan moeten doen. In vers 10 lezen we: En aangedaan hebt de nieuwe mens, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld Desgenen Die hem geschapen heeft.

 

In de tweede plaats lezen we in dit hoofdstuk van vers 12 tot en met vers 17 iets over de onderlinge liefde. We lezen daarover in vers 14: En boven dit alles doet aan de liefde, dewelke is de band der volmaaktheid.

De liefde tot God en de liefde tot onze naaste is de allerbelangrijkste vrucht van de Geest. De vrucht en het gevolg van de zonde is haat. Kaïn sloeg zijn broer Abel dood omdat hij God en zijn broer haatte. De allerbelangrijkste vrucht van Gods genade is liefde. Liefde tot God en liefde tot je medemensen. Geen eigenliefde, maar liefde tot de Heere en tot Zijn dienst.

Kijk, als God door Zijn genade in ons leven komt, dan krijgen we een hartelijk verlangen om de Heere te dienen en om in Zijn wegen te wandelen. Dan worden we oprecht gemaakt en komt er een begeerte om in de wegen en de inzettingen van de Heere te wandelen.

Vervolgens schrijft Paulus in vers 15 over de vrede Gods. Genade in ons hart brengt de vrede met zich mee.

 

En tenslotte horen we in vers 16 over het woord van Christus.

Vers 16 is een opmerkelijke tekst. Het gaat over de christelijke kerk; de kerk die na de uitstorting van de Heilige Geest is ontstaan in de heidenwereld. Wat was er nu zo belangrijk in die gemeente? Wat krijgt door de kracht van de Heilige Geest concreet gestalte in die gemeente en in de harten van zondaren? Wel, dat het woord van Christus rijkelijk in u wone!

 

Het woord van Christus.

Daar wordt mee bedoeld de leer van het evangelie dat ons door Christus is verkondigd, en verkondigd wordt, niet alleen in het Nieuwe, maar ook in het Oude Testament.

Het woord van Christus is dus: de leer van het evangelie, de leer van zonde en genade, de leer van dood en leven, de boodschap van het koninkrijk van God.

De Heere Jezus heeft daarop gewezen in de bergrede. Het woord van Christus wijst daar op de burgers van het koninkrijk. Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het koninkrijk der hemelen (Matth.5:3).

Het woord van Christus wijst op het wonder van genade. We lezen in Johannes 5 vers 25: De ure komt en is nu, wanneer de doden zullen horen de stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben, zullen leven. Het woord van Christus wijst op vergeving en vernieuwing. Het wijst op Zijn Persoon en Zijn werk.

Daar gaat het om, gemeente. Laten we dat toch vasthouden. Het woord van Christus, daar mogen wij niets aan toevoegen, daar mogen wij ook niets van afdoen.

 

Het woord van Christus wone rijkelijk in u.

Wonderlijk eigenlijk dat Paulus niet zegt: ‘Daar moet u naar luisteren.’ Het is natuurlijk ook belangrijk dat we naar het Woord van God luisteren, maar Paulus spreekt over ‘wonen’. Waarom zegt hij dat eigenlijk: Het woord van Christus wone rijkelijk in u?

Wel, Paulus heeft met dat woordje ‘wonen’ iets bijzonders op het oog. Ook onze kanttekenaren wijzen daarop, als in kanttekening 38 wordt gezegd: ‘Dat is, zijt daarmede veel bezig; want waarmede men woont, daar spreekt men en verkeert men veel mede.’

We wonen allemaal in een huis. Jonge mensen wonen bij hun ouders. Een man woont bij zijn vrouw. Waar we wonen hebben we onze vaste verblijfplaats. Daar gaan we met elkaar om. Paulus zegt: ‘Zo moet het woord van Christus ook niet ver weg zijn.’ Daar moeten we niet af en toe over denken. Nee, het moet net als uw woonplaats zijn: u bent er iedere dag, u verlangt er steeds naar, u hebt er uw vaste plaats en bent er geheel eigen mee.

 

Zo behoort het ook te zijn met het woord van Christus. Woont dit woord ook in ons? We praten vaak over predikanten en kerken, maar hebben we het ook over het woord van Christus? Is dat belangrijk in ons leven? Is dat waar het ons echt om gaat, als we op zondagmorgen naar de kerk gaan? De kanttekenaar zegt niet voor niets: ‘Wees veel bezig om het woord te overdenken en te onderzoeken.’

 

Hoe krijgt het woord kracht in ons leven? Dat is aan de ene kant door Gods genade. De Heere zet zondaren stil, arresteert hen, zoals de apostel Paulus. Als de Heere ons stilzet, dan worden we bedroefd naar God. Jong en oud, dan wordt God echt realiteit in ons leven. Dan komt de Heilige Geest wonen in ons hart. We worden dan heel onrustig. Ons hart schreeuwt naar God. Dat is het werk van de Heere.

 

We moeten daarbij niet vergeten dat wij verantwoordelijke mensen zijn. Het hart van Lydia werd niet geopend toen ze lag te slapen. Het werd geopend onder de prediking van Paulus. Gemeente, dat wijst op onze verantwoordelijkheid. We moeten het Woord biddend onderzoeken. We hebben het Woord nodig. We kunnen zonder dat Woord geen dag leven.

Is de Heere dan aan u en mij iets verplicht? Nee, natuurlijk niet. Maar de Heere wil dat gebruiken. Niet alleen uitwendig, maar ook inwendig, zodat dat woord van Christus gaat wonen onder ons. Dan worden zondaren verbroken. Dan krijgen we de Heere nodig in ons leven. Dan schreeuwt ons hart naar God.

Dan staat er nog een woordje in de tekst: rijkelijk.

Het woord van Christus wone rijkelijk in u.

Nu kunnen we het woord ‘rijkelijk’ betrekken op ‘het woord van Christus’. Sommige vertalingen hebben het ook wel vertaald als: ‘Het woord van Christus wone in zijn volle rijkdom onder u.’ We kunnen het woord ‘rijkelijk’ ook zien in relatie met ‘in u’. Dat betekent dat het woord ‘rijkelijk’ in zondaren zou wonen. Beide zijn mogelijk.

De eerste gedachte is natuurlijk treffend: het woord van Christus in Zijn rijkdom. We kunnen denken aan de opstanding van Christus, toen Hij de dood heeft overwonnen. We kunnen denken aan het bloed van Christus, waardoor de zonde is vergeven en weggedaan. We denken dan aan de hemelvaart van Christus, waardoor Hij nu zit aan ’s Vaders rechterhand. Dat zijn de grote rijkdommen van het evangelie.

‘Het woord van Christus wone in zijn rijkdom onder u.’

 

Maar we mogen ook zeggen: ‘Het wone rijkelijk in u.’ Dit drukt uit dat we de diepe betekenis van dat woord van de Heere voor ons persoonlijk gaan verstaan. En dat niet alleen in het begin, maar ook in de verdere voortgang.

En het zegt ook dat het volle werk van Christus in zondaren openbaar zal komen.  Misschien moet ik daar ook nog wat over zeggen. Dat is toch wel belangrijk in onze dagen. Kijk, als God een mens stilzet, dan wordt de rust in zijn zondige leven opgezegd. Dan zeg je niet: ‘Wat fijn dat ik daarvan ook mag weten.’ Nee, dan komt er een diepe onrust over de eeuwige dingen. Je moet sterven en God ontmoeten en dat kan zomaar niet. Echt niet, gemeente! Dan wordt het soms heel bang in ons leven. We krijgen vergeving en verlossing van de zonde nodig.

 

Hoe kom je daar nu aan? Sommigen zeggen: ‘Jezus is de Zaligmaker. Dat is genoeg.’ Maar we kunnen veel gehoord hebben over Christus en over het evangelie, en dat is groot, rijk en ruim, maar daarmee hebben we er nog geen deel aan. Daarmee heb je Christus nog niet toegeëigend door een waar geloof.

Het is een grote worsteling en een knagende onrust: hoe krijg je daar nu deel aan? En dan wijst de Heere ons op dat echte geloof. U dan, die gelooft, is Hij dierbaar. (1 Petr.2:7). Christus moet in een zondaar geopenbaard worden. En daar waar Hij Zich openbaart, daar wordt Hij door het geloof toegeëigend. Het woord van Christus wone rijkelijk in u, betekent dat we door het geloof Christus hebben gezien en toegeëigend.

Denk erom, gemeente, op dat zich toe-eigenen komt het aan! We moeten persoonlijk en ondervindelijk de Heere Jezus leren kennen. Wat is dat groot en heerlijk als Christus Zichzelf zo komt te openbaren! Dan wordt de ziel zeer verblijd.

Dacht u dat de herders niet blij waren, toen ze gebogen hebben bij de kribbe en het Kind hebben gezien? Toen hebben ze kerstfeest gevierd en ze hebben dat nooit meer vergeten.

Dacht u dat Thomas niet blij was, toen de Heere hem na zeven dagen weer opzocht en hij door genade mocht uitroepen: Mijn Heere en mijn God (Joh.20:28)? Dan gaat dat woord van Christus ‘rijkelijk in u wonen’. Dan zingen we het de psalmdichter na: ‘Ik heb het zelf uit Zijn mond gehoord.’

 

Zeg, kent u daar ook wat van? Is die gezegende Middelaar gekomen in uw leven? Heeft Hij Zijn doorboorde handen geopend en mocht u iets zien van Zijn grote liefde? Is Hij afgedaald in de verlorenheid van uw bestaan en heeft Hij u toegeroepen: ‘Ziet, hier ben Ik, Ik ben uw heil alleen’?

Gemeente, dat zijn dingen die Gods kinderen niet vergeten. Bovendien worden ze begerig om daar steeds meer van te mogen leren. Niet alleen voor het eerst, maar ook opnieuw.  

 

Het woord van Christus wone rijkelijk in u, en onder u. Het eerste kenmerk van de ware christelijke gemeente is dat het woord van Christus een blijvende plaats gaat innemen in ons leven en in onze ziel.

‘Hier weidt mijn ziel met een verwonderend oog.’

 

We gaan nu naar onze tweede gedachte. Maar eerst gaan we samen zingen en dat doen we uit Psalm 118 vers 7:

 

De Heer’ is mij tot hulp en sterkte;
Hij is mijn lied, mijn psalmgezang;
Hij was het, die mijn heil bewerkte,
Dies loof ik Hem mijn leven lang.
Men hoort der vromen tent weergalmen
Van hulp en heil ons aangebracht;
Daar zingt men blij, met dankb’re psalmen:
Gods rechterhand doet grote kracht. 

 

2. Hoe in de gemeente Gods mensen elkaar leren en vermanen

 

De gemeente van Christus is dus in de eerste plaats een gemeente waar het woord van Christus rijkelijk in de harten van mensen woont. De schapen van Christus zijn daar veel mee bezig, als het goed is.

 

In de tweede plaats lezen we in onze tekst: In alle wijsheid; leert en vermaant elkander.

Dit stukje van de tekst nemen wij bij elkaar. Het stukje ‘in alle wijsheid’ kun je voegen bij het eerste gedeelte, maar vanuit de grondtekst kun je het ook voegen bij het middelste gedeelte. En dan vertalen we het dus als: ‘Leert en vermaant elkander in alle wijsheid.’ Dit is het tweede kenmerk van de christelijke gemeente.

Er staan eigenlijk vier dingen in dit gedeelte van de tekst. We gaan eerst maar eens naar dat woordje elkander kijken, dan naar het woordje leren, daarna het woordje vermanen en tenslotte naar in alle wijsheid.

 

Elkander.

Gemeente, de eerste christengemeenten waren heel opmerkelijk van samenstelling. Paulus heeft het over Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, barbaar en Scyth, dienstknecht en vrije (vers 11). Dan heeft hij het over de gemeente. Die mensen kwam je dus allemaal tegen in die vroegchristelijke kerk.

Laat ik het wat toespitsen naar vandaag de dag. Dan hebben we het over:

Autochtone mensen, allochtone mensen.

Mensen die geboren zijn in de gemeente en ook gedoopt.

Ook niet-gedoopte mensen, niet-besneden mensen.

Mannen, vrouwen, slaven, vrije mensen, voorname mensen, arme mensen.

Ook in Kolosse was de gemeente Gods een heel gemêleerd gezelschap. Zij vormden samen de vroegchristelijke kerk.

 

Bij ons is dat wat anders. Wij zijn veelal mensen van de middenklasse. We zijn blank. En we hebben zo ongeveer allemaal dezelfde gewoontes.

Dat was in die vroegchristelijke kerk heel anders. Daarom was het ook zo opmerkelijk dat er een gemeenschap ontstond uit de meest verschillende mensen. Al die verschillen vielen daar helemaal weg. Daar waren dus niet-besneden mensen, de heidenen, maar ook besneden Joden. Er waren barbaren en Scythen. En zij waren één in Christus. Ze vormden een gemeenschap.

 

Het was dus niet zo dat Paulus zei: ‘De Joden hebben een streepje voor bij de heidenen.’ De rijke mensen keken ook niet neer op de armen. Hij zei niet: ‘De mensen die vroeger in hoererij hebben geleefd, die moeten op een andere bank gaan zitten dan de mensen die dat niet hebben gedaan.’

Dat zijn onderscheidingen die wij misschien wel aanbrengen. Laat ik een voorbeeld geven. Stel dat hier een aantal allochtonen in de kerk komt zitten. We zouden dat misschien niet zo fijn vinden. Allochtone mensen, mensen met een andere huidskleur en andere gewoonten… ‘Nee, zij liever niet bij ons in de kerk.’ De gedachte zou zomaar kunnen opkomen: ‘Laat ze maar naar hun eigen kerk gaan’ of: ‘Laten ze maar ergens anders heengaan.’ We vinden het gewoon lastig. Dus: ‘Liever niet. Nee, die buitenlanders, daar heb ik niet veel mee.’

 

We zijn allemaal individualisten geworden. Het individualisme is ook een volkszonde in onze tijd. Ik heb zo-even al het materialisme genoemd en nu het individualisme. Dat is ook een hele nare zonde in de samenleving. We zien het zelfs in het regeringsbeleid. Iedereen heeft recht op zijn eigen leven. Ook in de kerk. ‘Denk je dat ik met die mensen in één kerk wil zitten? Nee dominee, daar wil ik niets mee te maken hebben.’

Paulus ziet dat toch wel een beetje anders. Hij zegt: ‘Voor God is er helemaal geen onderscheid tussen besnijdenis en voorhuid, barbaar en Scyth.’ Die barbaren konden nog niet eens goed Grieks praten of verstaan. Die brabbelden maar wat. Barbaar, daar komt het woord ‘brabbelen’ ook vandaan.

Wij kennen ook genoeg mensen die niet eens fatsoenlijk Nederlands kunnen praten. Maar een kerk vormt een gemeenschap. Daar moet alle vorm van individualisme en discriminatie eigenlijk uitgebannen zijn. Het mag niet zijn van: ‘Ik weet het beter en ik ben beter.’ Nee: ‘Elkaar…’

 

Een gemeenschap… Dat houdt ook in dat de één de ander moet vermanen.

‘Ja maar, die leeft in zonde.’ Wel, dan is er een belangrijke taak om daar eens op te wijzen en daar met de ander over te spreken.

‘Ja maar, die bedriegt zichzelf.’ Het is een belangrijke taak om die persoon dan eens te ontmoeten en te vragen hoe dat komt.

Elkander… Dat is een heel belangrijk woordje in de tekst. Dan worden niet alleen mensen bedoeld die elkaar fijn en leuk vinden. Nee: ‘Elkaar…’

We geloven één algemene, christelijke kerk, een gemeenschap der heiligen.

 

En dan: elkaar leren…

Daar zit het woord didactiek in dat wij kennen. Paulus bedoelt met het woord ‘leren’ vooral ‘elkaar onderwijs geven over de goede leer’. Over de Bijbelse leer. Dus elkaar de Bijbelse boodschap leren en voorhouden. Het gaat dan over de leer van zonde en genade.

We moeten elkaar nog op iets uit de tekst wijzen. Elkaar leren, dat zijn dingen die voortdurend gedaan moeten worden. We kunnen natuurlijk iets één keer zeggen, maar het moet ook herhaald worden. Waarom? Opdat we de diepte en de grote ernst daarvan zullen verstaan. De Heilige Geest wil dat zegenen. Het moet niet bij één keer blijven. Het moet voortdurend herhaald worden.

Dat geldt voor de kennis van de zonde en ook voor de weg van redding in Christus. We moeten het voortdurend herhalen, elkaar wijzen op de goede weg die naar boven leidt. In de gesprekken, in de onderlinge ontmoetingen, in de kerk, in de prediking.

 

Elkaar leren… Gemeente, welke dingen bespreken we met elkaar? Als iemand plotseling sterft, wat is dan het laatste gesprek met hem of haar geweest? Wat zijn de laatste woorden geweest die we hier op aarde met iemand die gestorven is, hebben gewisseld? Hangt het dan van de laatste woorden af? Nee, maar we leven allemaal in de veronderstelling dat we volgende week hier weer komen. Dan is er weer kerkdienst. En over twee weken komen we hier weer bij elkaar en dan luisteren we weer naar een preek. Er zal echter een tijdstip aanbreken dat er geen volgende week meer komt. Leer elkaar die belangrijke dingen steeds opnieuw.

 

Elkaar voorhouden… Niet alleen leerstellig, maar ook bij ondervinding, bevindelijk. Hoe de Heere dat leert en hoe Hij dat werkt. Niet alleen in het begin, maar ook als het bijvoorbeeld gaat over de opstanding van Christus. Welke diepe betekenissen liggen daar allemaal niet in!

Onze Heidelberger geeft daarvan een voorbeeld in Zondag 17:

 

Wat nut ons de opstanding van Christus?

Ten eerste heeft Hij door Zijn opstanding den dood overwonnen, opdat Hij ons de gerechtigheid, die Hij door Zijn dood ons verworven had, kon deelachtig maken. Ten andere worden ook wij door Zijn kracht opgewekt tot een nieuw leven. Ten derde is ons de opstanding van Christus een zeker pand onzer zalige opstanding.

 

Dus bij de opstanding van Christus zijn er een heleboel dingen te leren, te overdenken en ook persoonlijk bevindelijk te leren. Vandaar: Leert elkander. Doen we dat ook? Wat was gisteravond ons gesprek? Wanneer hadden we voor de laatste keer een gesprek over de dingen van het geestelijk leven?

En dan in de derde plaats: Vermaant elkander.

In het woordje ‘vermanen’ zit in de oorspronkelijke taal het woordje ‘terechtwijzen’. Paulus bedoelt eigenlijk: naast de Bijbelse leer elkaar voorhouden ook elkaar aansporen, elkaar vermanen en terechtwijzen, opdat we op de juiste wijze, op een christelijke wijze leven. Dan komen we op het gebied van de levenswandel.

Natuurlijk kan ik daar vanaf de preekstoel wat algemene dingen over zeggen.

Ik zou iets kunnen zeggen over het huwelijksleven, het gezinsleven, het werkzame leven, onze omgang met onze naaste.

Ik zou iets kunnen zeggen over het materialisme dat zo sterk voortwoekert onder ons.

Ik zou ook kunnen spreken over het hoofddeksel van de vrouw in de kerk.

Ik zou iets kunnen zeggen over de haardracht van mannen en vrouwen. Vrouwen hebben lang haar en mannen kort haar. Dat is een Bijbelse gedachte.

Ik zou ook iets kunnen zeggen over het verschil tussen man en vrouw.

Ik zou ook iets kunnen zeggen over de omgang met elkaar en de betekenis van het negende gebod.

Ik zou iets kunnen zeggen over Gods ordeningen in het huwelijk.

 

De Bijbel heeft een heel duidelijke visie op de levenswandel. Vaak staat die visie haaks op de wereld rondom ons. De wereld om ons heen zegt: ‘Pluk de dag, geniet van de aardse dingen!’

De Bijbelse levenswandel staat ook haaks op de begeerten van ons boze hart. Ook kerkmensen leven volop en voluit in de zonde. Materialisme is een groot kwaad in onze dagen. Ons geld geven we graag en veel uit aan vakantie, kleding en lekker eten. Mag dat dan niet? De Bijbel maakt van ons geen kluizenaars. De apostel Paulus zegt: ‘Je mag het aardse gebruiken, maar het moet niet nummer één worden in je leven.’ Het moet een beperkte plaats hebben.

 

Zo wordt de gemeente vermaand. Zo mogen we elkaar ook vermanen. Ouderen de jongeren, jongeren onder elkaar, jongeren de ouderen. Elkaar vermanen en terechtwijzen, zodat we blijven wandelen in het spoor van Gods geboden, in de betrachting van de heilige wet. In Psalm 119 wordt de heerlijkheid van Gods geboden bezongen. Ook voor vandaag nog. Gods kinderen hebben de wet van de Heere van harte lief. Laten we proberen ernaar te leven, uit dankbaarheid, omdat de Heere het waard is.

 

U hebt heel wat om over na te denken in deze week!

 

Tenslotte voegt de apostel er nog een gedachte aan toe.

Paulus zegt er nog iets bij: In alle wijsheid. In het oorspronkelijke staat er ‘sophia’. Daar bedoelt Paulus mee: ‘Doe dat op een verstandige manier, op een fijnzinnige manier, op een bewogen manier.’ Dat is wel heel belangrijk voor ons.

Elkaar leren, elkaar vermanen, in alle wijsheid… Kijk, we kunnen een ander natuurlijk geestelijk een flinke mep geven en elkaar afkraken. Dat is zo moeilijk niet. U kunt mij als prediker afkraken. Ik kan u afkraken. Dat gebeurt vaak ook.

Paulus wist daarover mee te praten. In Korinthe werden de meest lelijke dingen over hem gezegd. De apostel Paulus wil niet dat we liefdeloos met elkaar omgaan. Dat keurt hij niet goed. Hij wil niet dat we de zonde goedpraten. Hij wil ook niet dat we een ander, die dwaalt, afkraken. Hij wil niet dat we iemand afschrijven. Maar hij wil dat we een jongere of een oudere die afdwaalt van de Bijbelse weg, in alle wijsheid leren en vermanen.

 

Gemeente, dat is best een heel moeilijk punt. In alle wijsheid… Dat betekent dat ik niet boven iemand wil staan, maar dat ik onder de ander wil staan. En dat ik die ander altijd zie als een medereiziger naar de eeuwigheid. Die ander heeft hetzelfde nodig en is arm als hij of zij de genade mist. Het betekent dat ik de ander tracht te winnen met goede woorden en een goed voorbeeld. Dat alles moet in liefde en met geduld gebeuren. Haat en nijd zijn geen vrucht van de Geest. We moeten elkaar dus aanspreken met fijnzinnigheid, met wijsheid. En… Indien iemand van u wijsheid ontbreekt, zegt de Schrift, dat hij ze van God begere, Die een iegelijk mildelijk geeft, en niet verwijt (Jak.1:5).

Als we die wijsheid niet hebben, dan kunnen we maar beter onze mond houden. Als je niet met wijsheid, met voorzichtigheid kunt vermanen, dan is het beter om je mond te houden. Echt, want dan breken we meer af dan dat we goed maken. Dan maken we meer stuk dan dat we het heel maken.

Zo spoort de apostel de gemeente Gods in Kolosse aan: In alle wijsheid, die in Christus is…

 

En dan tenslotte nog een derde kenmerk:

 

3. Hoe het woord van de Heere in de gemeente ook wordt gezongen

 

We lezen in het slot van onze tekst: Met psalmen en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende de Heere met aangenaamheid in uw hart.

Wat bedoelt Paulus nu in het slot van dit zestiende vers? Geestelijke liederen… Is dat een pleidooi voor het zingen van gezangen in de kerk? Dat is zeer de vraag. Wat bedoelt Paulus met dit gedeelte? We moeten proberen eerst heel eenvoudig te luisteren naar de Schrift. In de vroegchristelijke kerk waren er Joodse mensen die christen geworden waren. Zij hadden in de synagoge de psalmen van David gezongen, en die zongen ze nog.

In de vroegchristelijke kerk werden ook lofzangen gezongen. In de oorspronkelijke taal staat: hymnen. Paulus heeft ook hymnen geschreven in zijn brieven. In Kolossensen 1 komen we er één tegen, namelijk van vers 15 tot en met vers 20. In het slot van Romeinen 11 komen we ook een hymne tegen.

Een lofzang wordt gezongen ter aanbidding en tot glorie, tot grootmaking van God. Deze lofzangen werden in de vroegchristelijke kerk, vaak huisgemeenten, gezongen.

In Efeze 5 vers 14 staat ook een hymne: Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten.

Zo werden er in de vroegchristelijke kerk psalmen, lofzangen en geestelijke liederen gezongen. De Bijbel leert dat en zo was het ook de praktijk. Je kunt dat ook wel begrijpen. Er waren vaak kleine groepen mensen, die samen zongen. Men sprak niet alleen, men bad niet alleen, men zong ook. Zingen is het antwoord van de gemeente op de prediking. Het is ook vaak een bede. De vroegchristelijke kerk is een zingende kerk geweest.

De engelen hebben gezongen bij de geboorte van de Heere Jezus: Ere zij God (Luk.2:14). Dat is ook een hymne, een lofzang, een aanbiddingslied. De kerk heeft door de eeuwen heen een schat aan geestelijke liederen gekregen. Ik denk in dit verband aan de Strict Baptists, de gemeenten van de puritein Philpot. In die gemeenten worden de liederen van Joseph Hart gezongen.

Zo zie je dus dat elke tijd en elke situatie een eigen manier heeft waarop de eredienst wordt ingevuld. De vroege kerk was anders dan dat wij nu zijn, hoewel men overwegend psalmen zong. Dat was en is de taal van de Heilige Geest.

 

Nu is er natuurlijk iemand die zegt: ‘Doen wij dat dan ook?’ Nee, wij zingen vrijwel alleen psalmen en enkele gezangen. Is dat nu niet veel minder dan in de Bijbel?

Laten we voor een goed antwoord op die vraag letten op de kerkgeschiedenis en hoe het komt dat wij ons beperken tot het uitsluitend zingen van psalmen. Dat komt voort uit de Reformatie. Calvijn was er een liefhebber van om de psalmen te zingen. Dat was voor hem de taal van de Bijbel. Voor een deel komt het ook door de Afscheiding.

En waarom dan uitsluitend psalmen en enkele gezangen? Dat staat in onze Dordtse Kerkorde, de orde voor onze kerk. Waarom doen we dat vandaag zo? Wel, het blijkt uit het verleden dat door gezangen soms een verkeerde leer zich indrong in de kerk. Veel liederen hebben een remonstrantse inhoud. Daarom heeft de kerk gezegd: ‘Laten we voorzichtig zijn. Laten we ons in de samenkomsten in de gemeente beperken tot de psalmen en tot enkele gezangen. En laten we niet via het lied allerlei remonstrantse invloeden in de gemeente een plaats geven.’

 

In veel kerken worden opwekkingsliederen en gezangen gezongen en daarin wordt vaak de gedachte gewekt dat de Heere in genade bemoeienis houdt met alle mensen.

‘Boven in de hemel woont de Vader, Die van alle kindjes houdt.’ Dat is een on-Bijbels lied. Daarom heeft de kerk van de Reformatie en de Afscheiding gezegd: ‘Laten we in de gemeente ons beperken tot de psalmen en enkele gezangen.’

Dat neemt niet weg dat we in de huiselijke kring of op de vereniging wel verantwoorde liederen mogen zingen. Denk bijvoorbeeld aan: ‘Eens was ik een vreemdeling voor God en mijn hart’, het bekende lied van McCheyne. Op bijzondere dagen zingen we ook wel het Wilhelmus, ons volkslied.

 

Het is dus niet zo dat er een absoluut verbod ligt op het zingen van liederen. Integendeel. Ook onze vaderen hebben liederen gemaakt. Ook in gezelschappen werden liederen gezongen. Ik denk aan het boek van Groenewegen: ‘De lofzangen Israëls’. Er zijn prachtige liederen die ook vandaag nog gezongen mogen worden.

Maar de gemeente Gods, in de samenkomst, zingt de psalmen en enkele gezangen. Laten we ons, gezien allerlei wind van leer, ook voor de toekomst daaraan vasthouden. Hoewel we dus weten dat in de vroegchristelijke kerk psalmen, lofzangen en geestelijke liederen werden gezongen.

 

Zingende de Heere met aangenaamheid in het hart. Dus gericht op God, de Heere, de Kurios, met dankbaarheid.

 

In de gemeente Gods wordt onderwezen. We komen ook samen om te bidden in een gemeenschappelijk gebed. In de gemeente Gods wordt ook gezongen met aangenaamheid in het hart, met dankbaarheid in het hart. Dat betekent niet alleen met je lippen, maar met heel je bestaan, oprecht. Oprechte dankbaarheid…

 

Hoe kun je nu de diepste dingen van het geestelijk leven het beste verwoorden?

Hoe heeft Maria, de moeder van de Heere Jezus, dat gedaan? Ze heeft gezongen!

Hoe heeft Zacharias dat gedaan, toen Johannes de Doper werd geboren? Hij heeft gezongen!

Wat heeft Christus gedaan, toen Hij naar Golgotha ging? Hij zong de lofzang!

 

In de hemel wordt gezongen. We kennen allemaal wel die uitdrukking van Luther. Als de satan hem vastgreep, als het donker werd in zijn leven, zei hij tegen Melanchton: ‘Laten we zingen van hulp en heil ons aangebracht!’

 

‘Zingende met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen de Heere.’ Gericht op God. Met dankerkentenis. Met oprechte dankbaarheid in ons hart.

 

Men hoort der vromen tent weergalmen

Van hulp en heil, ons aangebracht.

 

Deze tekst heeft ons allen iets te zeggen. Ook vandaag, op deze dag.

Wat woont er in uw leven? Haat en nijd? Twistgierigheid en opstand?

 

Het woord van Christus wone rijkelijk in u. Hoe gaat u met de ander om? Kijkt u neer op een ander?

Elkander lerende en vermanende in alle wijsheid… Wat leeft er ten diepste in uw hart?

 

‘k Zal met mijn ganse hart Uw eer
Vermelden, Heer’,
U dank bewijzen.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 133:1

 

Ai ziet, hoe goed, hoe lief’lijk is ‘t, dat zonen
Van ‘t zelfde huis, als broeders, samen wonen,
Daar ‘t liefdevuur niet wordt verdoofd;
‘t Is als de zalf op ‘s Hogepriesters hoofd,
De zalf, waarmee hij is aan God gewijd,
Die door haar reuk het hart verblijdt.