Ds. J.S. van der Net - Ezechiël 9 : 4 en 11

De Man met de inktkoker

Hij is de Hoofdpersoon en gaat voorop
Hij ontvangt een treffende opdracht
Hij keert terug en brengt verslag uit

Ezechiƫl 9 : 4 en 11

4. En de HEERE zeide tot hem: Ga door, door het midden der stad, door het midden van Jeruzalem, en teken een teken op de voorhoofden der lieden die zuchten en uitroepen over al die gruwelen die in het midden derzelve gedaan worden. 11. En ziet, de Man Die met linnen bekleed was, aan Wiens lendenen de inktkoker was, bracht bescheid weder, zeggende: Ik heb gedaan, gelijk als Gij Mij geboden hadt.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 82: 1
Lezen : Ezechiël 9
Zingen : Psalm 82: 2, 3, 4
Zingen : Psalm 18: 8
Zingen : Psalm 18: 15
Zingen : Psalm 56: 5

Onze tekstwoorden voor deze biddag staan in Ezechiël 9 vers 4 en 11, waar we lezen:

 

4. En de Heere zeide tot hem: Ga door, door het midden der stad, door het midden van Jeruzalem, en teken een teken op de voorhoofden der lieden die zuchten en uitroepen over al die gruwelen die in het midden derzelve gedaan worden.

 

11. En ziet, de Man Die met linnen bekleed was, aan Wiens lendenen de inktkoker was, bracht bescheid weder, zeggende: Ik heb gedaan, gelijk als Gij Mij geboden hadt.        

 

Deze Schriftwoorden prediken ons: De Man met de inktkoker.

 

Drie gedachten:

1. Hij is de Hoofdpersoon en gaat voorop

2. Hij ontvangt een treffende opdracht

3. Hij keert terug en brengt verslag uit

 

1. Hij is de Hoofdpersoon en gaat voorop

 

Gemeente, wat heeft de Heere geduld gehad met het volk van Juda! Juda, dat ondanks talloze waarschuwingen keer op keer van de Heere wegliep en tot afgoderij verviel.

Wat is er zoal gebeurd, als we letten op het bredere verband van onze tekstwoorden?

 

De Heere had een gedeelte van het volk van Juda al laten wegvoeren naar Babel. Onder die ballingen bevond zich de profeet Ezechiël. Een gedeelte van het volk van Juda was echter nog achtergebleven in Jeruzalem, waar de tempel stond en waar de tempeldienst plaatsvond. We lezen dat Ezechiël dan al zes jaar in Babel is en samen met de weggevoerden uit Juda aan de rivier de Kebar woont.

 

Jongens en meisjes, het achtste hoofdstuk vermeldt dat Ezechiël in zijn huis een gesprek voert met de oudsten van de verbannen inwoners van Juda. Terwijl Ezechiël nog met hen zit te praten valt er opeens een stilte.

Hoe komt het dat Ezechiël opeens geen aandacht meer heeft voor wat de oudsten vertellen?

We lezen dat in het achtste hoofdstuk. De hand van de Heere valt op hem. De Geest van God grijpt Ezechiël aan. Ezechiël krijgt een visioen. In dat visioen wordt hij naar de tempel gebracht, waar op dat moment de eredienst nog gewoon doorgang vindt. Ezechiël beschrijft vervolgens hoe de tempel er in het visioen uitziet.

Voor zich ziet hij de wit gepolijste muren van de tempel. Wij zouden zeggen: prachtig wit geschilderd. Geen smet of vuil op te ontdekken. Dat betekent dat uiterlijk alles in orde is.

 

Allereerst krijgt Ezechiël de opdracht om een opening te maken in de witte muur van de tempel. Als hij dat gedaan heeft, moet hij een blik naar binnen werpen.

Ezechiël schrikt wanneer hij in de tempel kijkt!

De wanden van de tempel zijn niet versierd met cherubs en engelen, palmbomen en bloemen, zoals de Heere bevolen had. Nee, ze zijn versierd met afbeeldingen van afschuwelijke beesten; met monsters die in de heidense godsdiensten werden vereerd.

En tot zijn ontsteltenis ziet Ezechiël in de tempel zeventig ouderlingen die een wierookoffer brengen aan die monsters.

Wat een vreselijk tafereel!

 

Maar Ezechiël krijgt in het visioen nog meer te zien. Aan de poort van de tempel bewenen vrouwen de Thammuz. Dat is een heidense afgod die in Juda werd vereerd. Wanneer het koren gemaaid werd, weenden die vrouwen over deze korengod, die moest sterven onder de sikkel van de maaiers, waarna hij moest afdalen in het rijk van de duisternis. Dit ging gepaard met zedeloze seksuele handelingen.

 

Vervolgens moet Ezechiël op het bevel van God naar buiten gaan, naar de voorhof van de tempel. Dit is de plaats waar het brandofferaltaar staat. Bij dat altaar staan vijfentwintig  mannen met hun rug naar de tempel gekeerd.

Dat is veelbetekenend; want deze mannen staan in feite met hun rug naar God, en met het gezicht naar de zon. Het zijn aanbidders van de Perzische zonnegod, en zij knielen neer voor de zon.

Ezechiël treft dus in dit visioen alle afgoderijen aan die binnen Jeruzalem en zelfs binnen de tempel, het huis van God, werden bedreven. Om al deze zonden zal God nu het oordeel over Juda brengen.

 

Maar de werkelijkheid is nog vreselijker. Het visioen toont niet alleen de zonde van afgoderij, maar ook de algemene zonde van Juda. De verwording van het sociale leven,  het overtreden van het gebod van de naastenliefde, en het benadelen van elkaar.

Zo was het in Juda en in de tempel gesteld.

 

Gemeente, we hebben gezien dat de tempel vervuld was met de afgoderijen van vreemde volken. Hoe is dat onder ons, in het Jeruzalem van de kerk? Het kan bij ons ook zo zijn dat de muren wit gepolijst zijn. De vorm is wel indrukwekkend en blinkend van eigengerechtigheid, maar hoe is het aan de binnenkant? Het gevaar is groot dat we verstrikt raken in allerlei zonden, die we niet eens meer zelf opmerken.

We zagen dat er in Juda ook sprake was van overtreding van het gebod van de naastenliefde. Hoe is dat onder ons? Leg uw leven er eens naast. In de praktijk staan we voor de waarheid zo vaak in vuur en vlam, maar we vergeten de onderlinge liefde en vertreden zo gemakkelijk het gebod van de naastenliefde. Net als die schooljongen die op zijn rapport een 10 voor rekenen heeft, maar een 3 voor gedrag.

Doen wij niet hetzelfde? Hoe is het in kerkelijk Jeruzalem? Onze muren zijn wit gepolijst, maar grauwheid ligt over Sion gespreid.

 

We gaan weer terug naar het visioen. Om al de zonden van Juda is het oordeel aanstaande. We lezen daarover in hoofdstuk 9 vers 1 en 2: Daarna riep Hij voor mijn oren met luider stem, zeggende: Doet de opzieners der stad naderen, en elkeen met zijn verdervend wapen in zijn hand. En ziet, zes mannen kwamen van de weg der Hoge poort, die gekeerd is naar het noorden, en elkeen met zijn verpletterend wapen in zijn hand.

Begrijpt u het al? In het visioen treden er op bevel van de Heere zes mannen aan. Het zijn zes verderfengelen. We lezen dat ze uit het noorden komen. Het zijn waarschijnlijk Babyloniërs. Ze komen als de straffende roede van God. Allen hebben een zware knots in de hand en krijgen de opdracht om allereerst Jeruzalem te verwoesten.

Het oordeel begint bij het huis van God.

Die zes mannen moeten het gericht van de heilige God voltrekken.  

 

Maar, gemeente, leest u eens wat Ezechiël in het tweede gedeelte van vers 2 ziet: En een Man in het midden van hen was met linnen bekleed, en een schrijvers-inktkoker was aan Zijn lendenen; en zij kwamen in, en stonden bij het koperen altaar.

Te midden van die zes mannen staat een zevende. Deze Man is echter niet als een militair gekleed, maar met een linnen gewaad. Zo’n linnen gewaad droeg de hogepriester. Het is duidelijk dat die zevende Man niet, zoals die andere zes, gekomen is om te doden, maar om te schrijven. Want er hangt een inktkoker aan Zijn lendenen.

Die zevende Man is onmiskenbaar de Hoofdpersoon. Hij staat in het middelpunt, zo staat er in de tekst. Hij heeft de leiding over de verderfengelen. Maar we zullen zien dat Hij een eigen taak heeft.  

 

Wie is deze Man? Weten jullie het, meisjes en jongens? Deze Man is de Heere Jezus en Hij draagt hier een priesterlijk gewaad. Want Hij is de grote Hogepriester over het huis van God. Als Priester heeft Hij de zaligheid op Golgotha verworven en als Priester is Hij ook Degene Die door Woord en Geest de zaligheid toepast aan zondaarsharten.

Ezechiël ziet de Heere Jezus Christus. Wat is dat een troost! Want hij ziet hoe Christus voorop gaat. Christus gaat voor het gericht uit en Christus is in het gericht. Hij heeft de leiding.

 

Gemeente, zo is het vandaag nog. Christus staat in het midden van de zes verderfengelen. Hij heeft de leiding over de gerichten die over de aarde gaan. Want de Vader heeft alle dingen in Zijn hand gegeven. Hij heeft het boek genomen uit de rechterhand van Zijn Vader, Die op de troon zit.

De Vader heeft Hem dat boek gegeven. Dat wil zeggen: de Vader heeft de Heere Jezus Christus het bestuur gegeven over alle dingen. De teugels van het wereldbestuur en van de kerk liggen in de handen van de Man, Die met linnen bekleed is.

Wat een troost voor de Zijnen!

Hij houdt alles in Zijn hand.

Zijn werk gaat voort!

Het eindgericht zal niet voltrokken worden voordat Christus Zijn werk voltooid heeft.

 

Waaruit Zijn werk bestaat zullen we zien in onze tweede gedachte, maar we zingen eerst uit Psalm 18, het achtste vers:

 

Hun zijt Gij goed, die goedertieren hand’len;

Oprecht bij hen die in oprechtheid wand’len;

Gij houdt U rein bij hen die rein zijn; maar

Verkeerden toont Gij U een worstelaar.

Want Gij verlost het volk, door druk gebogen;

Maar werpt ter neer, die groot zijn in hun ogen.

Door U, o Heer’, geeft mijne lamp haar licht;

Mijn God verdrijft de nacht uit mijn gezicht.

 

Onze tweede gedachte is:

 

2. Hij ontvangt een treffende opdracht

 

Wat houdt nu de opdracht in, die de Man met linnen bekleed en met de inktkoker, van de Heere krijgt?

In onze tekstwoorden zegt de Heere tegen Zijn Zoon: Ga door, door het midden der stad, door het midden van Jeruzalem. Dus de Vader zegt tegen Christus: Ga door.

 

Gemeente, dat is ook de opdracht voor vandaag. Ga door, ook midden door het Jeruzalem van Zijn gemeente.

Wat moet de Man met linnen bekleed dan doen?

Dat lezen we verderop in onze tekst: En teken een teken op de voorhoofden der lieden die zuchten. Eigenlijk staat er in het Hebreeuws: Teken een ‘tau-teken’.

‘Tau’ (je schrijft het met a-u) is de laatste letter van het Hebreeuwse alfabet en deze letter heeft de vorm van een kruis. Dus de Heere Jezus krijgt van Zijn Vader de opdracht om een kruisteken aan te brengen aan voorhoofden van mensen.

Dat is ook vandaag nog Zijn opdracht, want de Heere Jezus gaat vandaag nog door de stad, ook door het Jeruzalem van de gemeente.

 

Onze tekst zegt dat de Man, Die met linnen gekleed is, dat kruisteken moet zetten op de voorhoofden der lieden die zuchten en uitroepen over al die gruwelen die in het midden derzelve gedaan worden.

Er staat in de grondtaal eigenlijk dat het teken gezet moet worden op het voorhoofd van mensen die de twee Hebreeuwse woordjes ‘anachen‘ en ‘anak’ uitroepen. Deze woorden zijn eigenlijk niet goed naar het Nederlands te vertalen, want in het Hebreeuws zijn het klanknabootsingen; om uit te drukken hoe bedoelde mensen vervuld waren van ‘ach en wee’ roepen. In onze Bijbel zijn de beide woorden vertaald met ‘zuchten’ en ‘uitroepen’.

 

Het is dus, ook vandaag nog, de opdracht van Christus om een teken aan te brengen op de voorhoofden van hen die zuchten.

Gemeente, nu persoonlijk… Mag ik u vragen of u ook bij dergelijke mensen hoort?

Bent u zo’n man of vrouw die op deze biddag zuchtend in de kerk zit?

Meisjes en jongens, ik vraag het ook aan jullie: zuchten jullie ook wel eens?

 

Nu moeten we wel goed onderscheiden welk zuchten hier wordt bedoeld. Er zijn mensen die altijd maar zuchten. Ze hebben de mond vol over het kwaad, dat ze buiten zichzelf waarnemen. Maar dat is werk van het natuurlijke hart.

Er zijn ook mensen die alsmaar zuchten en roepen dat er nog nooit zoveel goddeloosheid is geweest als in deze tijd: ‘Hoe kan God het allemaal gedogen?’ En dan spreken ze ook nog over de breuk en het verval van de kerk. Maar ondertussen klinkt in hun hart de echo: ‘Ik dank U, dat ík zo niet ben.’

Bij zulke ‘ijveraars’ wordt helaas wel het voornaamste gemist. Het wordt zo gemakkelijk vergeten dat de breuk in ons hart ligt. Dat halen ze wel aan, maar dat is alleen om zich in te dekken.

 

Gemeente, u begrijpt wel dat deze mensen niet de zuchters zijn die hier bedoeld worden en die dat ‘tau-teken’ op hun voorhoofd ontvangen. Bedenk dat er een nagemaakt zuchten is. Wij kunnen voor het oog van mensen vroomheid en godsdienst aanwenden, om wat te lijken. Een mens kan zuchten over de schadelijkheid en de schandelijkheid van de zonde, hij kan zijn gezicht in een godsdienstige plooi strijken en zelfs de woorden van de godvrezenden overnemen.

Ik las van Huntington, dat hij ergens preekte en dat er man voorin de kerk zat met het hoofd diep gebogen. Deze man zat maar te zuchten en te zuchten. Huntington onderbrak zijn preek even, wees naar de man en zei: ‘Daar zit iemand die een gezicht trekt alsof hij ieder ogenblik opgehangen kan worden, maar van de bevinding die ik preek, verstaat hij niets.’ U begrijpt wel dat dergelijke zuchters hier ook niet bedoeld worden.

 

Wat voor zuchters worden dan bedoeld? De Heere zegt in onze tekst tegen Zijn Zoon: ‘Mensen die zuchten onder de gruwelen die in Jeruzalem gedaan worden.’ Ze zuchten omdat God in Jeruzalem onteerd wordt. Omdat God gesmaad en gekrenkt wordt door de ongerechtigheden van Jeruzalem en de zonden van Juda. Het zijn dus mensen die de eer van God en God Zelf hebben lief gekregen, en die er smart over hebben dat de eer van God zo gekrenkt wordt.

 

Bent u zo’n zuchter? Of ben jij zo’n zuchter? Zulke zielen zuchten niet alleen bij de aanvang, maar ook bij de voortgang. Ze zuchten niet zo luid dat de mensen het kunnen horen, maar ze zuchten tot God in de stilte van de binnenkamer.

Dit zuchten komt voort uit de liefde tot God en daarom schreien zij in stilte. Deze zuchters voelen een diepe pijn over al die afval. Ze verheffen zich niet als een farizeeër boven een ander. Farizeeërs kunnen ook zuchten; zeker als hun ‘ach-en-wee-geroep’ anderen betreft, en hun eigen onbekeerde leven niet raakt.

 

Ware zuchters hebben zielensmart dat de Heere ook in het Jeruzalem van hun eigen hart zóveel smaad wordt aangedaan en zó diep bedroefd wordt. Ze moeten zeggen: ´Die afgoden van eigen eer, worden ook in mijn hart gevonden en hoe dieper ik graaf, hoe meer gruwelen ik ontdek.’

Bij het ontdekkend licht van de Heilige Geest vinden we zoveel afgoden achter de muur van ons hart – ook na ontvangen genade – dat we moeten zeggen: ‘Al was het alleen om mijn persoonlijke zonden, dan nog zou ik Uw rechtvaardig oordeel en gericht moeten toevallen.’

 

Zitten er zulke zuchters in de kerk? Een man of een vrouw, een jongen of een meisje, dat in stilte zucht over die afgoden van binnen?

Luister dan naar wat de Vader tot de Zoon zegt: Ga door, door het midden der stad, door het midden van Jeruzalem, en teken een teken op de voorhoofden der lieden. Dat betekent dat de zes verderfengelen het oordeel niet ten uitvoer mogen leggen, voordat die zuchters het teken hebben ontvangen, dat hen behoudt in het gericht.

Gemeente, zo is het vandaag nog! Het eindgericht komt niet voordat Christus alle  zuchters getekend heeft; opdat ze niet met de wereld ondergaan.

 

Maar hoe kan het toch, dat God zulke zuchters spaart? Zij zijn het oordeel toch evengoed waardig als die andere mensen? Ze zijn toch ook zondaren?

Ja, dat is waar.

Maar kijkt u dan nog eens naar die scherprechters, die verderfengelen. In hun midden staat een Man met linnen gekleed, Die een inktkoker draagt. Het is de Heere Jezus Christus. Hij is, omringd door scherprechters, vanuit Jeruzalem geleid naar Golgotha. Toen is het gericht over de zonden over Hem voltrokken en is vervuld: Sla die Herder (Zach.13:7).

Buiten Jeruzalem is Hij verbrijzeld.

Maar zo heeft Hij de zonden verzoend en de schuld uit het boek van God weggedaan.

Zo heeft Hij Gods heilig recht bevredigd en de wet voldaan.

Daarom kan God zo’n zuchter sparen.

 

Meisjes en jongens, kijk nu nog eens naar die Man in linnen gekleed. Hij heeft een inktkoker bij Zich. Deze inktkoker is echter niet met inkt gevuld, maar met bloed. Deze koker is gevuld met reddend en zaligend bloed.

Christus brengt met bloed uit die inktkoker een teken van bloed aan op het voorhoofd van zuchtende mensen. Dat ‘tau-teken’ betekent dus Christus in Zijn kruisgestalte en in Zijn bloedgerechtigheid als het enige schild voor armen en ellendigen.

Een schild voor zuchters die zeggen: ‘Gij die het zuchten hoort der armen, wilt U Zich over mij ontfermen? Opdat ik Hem, Die mijn ziel zo dierbaar is, niet langer behoef te missen.’

Dergelijke zuchters leren allen dat ze met hun zuchten geen bestaan voor God hebben. In deze weg worden ze totaal ontledigd. In deze weg raken ze de grond van alle werkzaamheden en alle zuchten kwijt. In het heilig rechtsgeding worden ze het met God eens en verstaan zij dat ze buiten het bloed uit de inktkoker zullen omkomen. Wat wordt het dan een wonder wanneer hun vanuit Gods soeverein welbehagen dat teken wordt geschonken.

 

Wanneer wordt dat teken geschonken?

Als de Vader de pen van de Heilige Geest doopt in die inktkoker, die met het dierbare bloed van Christus gevuld is, en als Hij dan door al hun schuld en al hun zonden een streep trekt.

Hij schrijft er dan met bloed onder: Om Jezus’ wil voldaan!

Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol (Jes.1:18).

 

Gemeente, dan daalt de vrede van God in uw ziel en wordt de liefde van God gesmaakt. Dan hoor je de wet niet meer vloeken. Dan wordt u door het bloed van het kruis van Christus als een getekende ingeleid in de vastheid van het eeuwige verbond.

Wat is het zalig om dat teken te dragen!

Dan bent u veilig en zult u uw ziel als een buit uitdragen.

 

We zingen nu eerst uit Psalm 18 vers 15:

 

Daarom, o Heer’, zal ik U eer bewijzen;

Bij ‘t heidendom Uw naam eerbiedig prijzen

Met psalmgezang, daar ‘t hart door wordt geraakt,

Hij heeft het heil Zijns Konings groot gemaakt;

Hij wil Zijn gunst aan Zijn gezalfde schenken;

Aan David en zijn nakroost eeuwig denken.

 

Onze derde gedachte is:

 

3. Hij keert terug en brengt verslag uit

 

Gemeente, leest u het elfde vers maar mee: En ziet, de Man Die met linnen bekleed was, aan Wiens lendenen de inktkoker was, bracht bescheid weder, zeggende: Ik heb gedaan, gelijk als Gij mij geboden hadt.

Zo zal het zijn aan het eind van de tijd. De wereld wordt nu al gekleurd door het avondrood van de ondergang, maar aan het eind der tijden zal Christus tegen de Vader zeggen: ‘Ik heb gedaan, gelijk als Gij Mij geboden hebt. Ik heb het kruisteken gezet op de voorhoofden van de lieden die zuchten.’

Wanneer de Heere Jezus dat gesproken heeft, zullen de zes scherprechters hun gang mogen gaan. Het volle gericht zal dan voltrokken worden en allen die het kruisteken missen zullen eeuwig omkomen. Slechts degenen die dit teken wel op hun voorhoofd dragen zullen behouden worden.

Mag ik u vragen of u al zo’n getekende bent? Denk er eens over na!

 

Gemeente, vandaag is het biddag en dan staan we erbij stil dat we Gods zegen nodig hebben over ons gehele leven; want zonder Zijn zegen zal niets gedijen. We hebben nodig dat de Heere ons leven spaart en alles schenkt wat we niet missen kunnen.

Wat zijn we gelukkig als we daarin onze afhankelijkheid van Hem mogen beseffen, want in Psalm 127 vers 1 staat: ‘Vergeefs op bouwen toegelegd… Vergeefs, o wachters, is uw vlijt, zo God niet Zelf de stad bevrijdt.’

Voor iedereen, op welke plaats hij ook gesteld is, is aan Gods zegen alles gelegen. Daarom is het nodig dat we zo’n dag als vandaag, zo’n dag van afzondering hebben, om onze afhankelijkheid te belijden en hulp en bijstand van de Heere af te smeken.

 

Ja, we leven in een donkere tijd. Als we de ontwikkelingen om ons heen zien, dan prediken die een ondergaande wereld. De zes verderfengelen staan als het ware gereed om het oordeel te voltrekken.

Maar Jezus gaat voorop!

Hij geeft nog de opdracht: ‘Ga door het midden van de gemeente en teken ze met dat kruisteken op hun voorhoofd.’

Als we dit teken in ons hart dragen, dan wordt het als het ware aan ons voorhoofd gezien. Dat wil zeggen: heel ons leven wordt dan getekend door het teken van Jezus’ kruis, Zijn bloed en Zijn wonden.

Voor ouderen en jongeren is het onmisbaar dat de Heilige Geest dit teken graveert in hun ziel. Want dan worden we van dood levend. Dan wordt daaruit het ware zuchten geboren. Het zuchten onder de zonde, het zuchten vanwege de smart dat we God zo beledigen met onze zonden. Het zuchten van zelfveroordeling, maar ook het zuchten vanwege het heimwee naar God en Christus. We worden door dat kruisteken zó vernieuwd, dat het in ons hele leven openbaar komt.

 

Als we dat teken mogen ontvangen, komen we net als die zondares in Simons huis terecht aan Jezus’ voeten, om ze nat te maken met onze tranen. Dan zoeken we het met Maria aan de voeten van Jezus en dan leren we net als Johannes ons hoofd te leggen aan Jezus’ borst. Maar dan leren we ook met Petrus belijden: Tot Wien zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens (Joh.6:68). Dan jubelen we ook met Paulus: Ik weet Wien ik geloofd heb (2 Tim.1:12).

 

Gemeente, bent u al een getekende? Indien u het kruisteken mist, schiet al het andere tekort. Is dat teken door de Heilige Geest al in uw ziel ingedrukt? Want als wij getekenden zijn, zullen we niet in het eeuwige verderf worden gestort.

De Heere zegt aan die getekenden Zijn bewaring toe in alle nood. Ook voor dit nieuwe seizoen belooft Hij dan: ‘U zult door Mij niet vergeten worden.’ Hij zal dan niet toelaten dat wij ganselijk terneer liggen. En als twijfelmoedigheid onze ziel vervult, wil Hij ons van Zijn liefde en trouw verzekeren.

Slechts een korte tijd zullen degenen die niet het teken van het beest dragen, maar het teken van het bloed van Christus, niet kunnen kopen of verkopen. Maar spoedig zal hét teken gezien worden: het teken van de Zoon des mensen en de wolken waarop Hij zal verschijnen.

 

Jong en oud, de Heere Jezus gaat nog door Jeruzalem. Ook op deze biddag. Nog wil en kan Hij door Zijn Geest het kruisteken schenken. Jongens, meisjes, als je dat nog mist, smeek dan maar: ’Heere Jezus, wilt U ook mij tekenen en mij van dood levend maken? Wilt U dat teken van Uw reddend bloed graveren in mijn ziel en aan mijn voorhoofd? Ontferm U over mij!’

 

Gemeente, één ding is nodig. Straks komen de verderfengelen met het oordeel. Maar nu gaat Christus nog door het midden van de gemeente. In Zijn huis wil Hij nog door Zijn Geest dat behoudende en reddende teken geven. Alleen daarachter is eeuwige veiligheid.

Kome wat komen zal; maar dan is die Man met linnen bekleed erbij, met Zijn inktkoker. Mogen die zuchters onder ons er maar veel naar staan om de bewustheid te ontvangen van dit teken; want in ons zuchten ligt de grond niet. Je kunt er de eeuwigheid niet mee aandoen. Maar wel als u Jezus kent met Zijn kruisteken.

Moge het op grond daarvan in uw ziel klinken: Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde (Jer.31:3). Dan zal het zijn, zoals Datheen in Psalm 72 zingt: ‘Hij zal de armen en de klenen genadig zijn en goed. Dengenen die schreien en wenen, werd Hij vriend’lijk en zoet.’

 

Tenslotte: als we met dat kruisteken getekend zijn, mogen die zes verderfengelen ook straks bij ons sterven als het ware tegenwoordig zijn. Maar als ze hun zwaard opheffen, zal ook de Man met het linnen kleed en de inktkoker erbij zijn.

Hij zal op het kruisteken wijzen en zeggen: ‘Dit is een getekende met Mijn bloed.’

De verderfengelen zullen dan hun zwaard laten zakken. En de getekenden met bloed zullen de Man met het linnen kleed eeuwig grootmaken.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 56:5

 

Ik roem in God; ik prijs ‘t onfeilbaar woord;

Ik heb het zelf uit Zijnen mond gehoord;

‘k Vertrouw op God, door gene vrees gestoord;

Wat sterv’ling zou mij schenden?

Ik heb beloofd, wanneer G’ in mijn ellenden

Mij bijstand boodt, en ‘t onheil af zoudt wenden,

Tot U, o God, mijn lofzang op te zenden,

Door ijver aangespoord.