Ds. H. Paul - Hebreeën 13 : 8

Jezus Christus is de Onveranderlijke

Dit wordt geleerd uit het verleden
Dit is tot troost in het heden
Dit geeft verwachting voor de toekomst

Hebree├źn 13 : 8

Hebreeën 13
8
Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 39: 5
Lezen : Hebreeën 13: 1-14
Zingen : Psalm 18: 8, 9
Zingen : Psalm 46: 1
Zingen : Psalm 130: 3

Gemeente, de tekst voor deze morgen vindt u in het Woord van God, u voorgelezen uit Hebreeën 13 vers 8, waar wij Gods Woord lezen:

 

Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en in der eeuwigheid.

 

Het thema van de preek is: Jezus Christus is de Onveranderlijke.

 

Drie gedachten:

1. Dit wordt geleerd uit het verleden

2. Dit is tot troost in het heden

3. Dit geeft verwachting voor de toekomst

 

Wij mogen opnieuw een nieuw jaar intreden. Het vorige jaar ligt weer achter ons, met al het lief en leed wat het ons heeft gebracht. Weer is een jaar bijgezet in het graf der eeuwen. We zouden kunnen zeggen: het was gisteren de sterfdag van het vorige jaar en vandaag de geboortedag van het nieuwe jaar.

Bij het intreden van het nieuwe jaar zijn we gewend elkaar de zegen van de Heere toe te wensen. Dat is een goede gewoonte. En bijzonder op deze dag wil ik u namens de kerkenraad hartelijk de zegen van de Heere toewensen in het komende jaar. Dat geldt ieder persoonlijk, in gezinsverband, in kruis, zorg en moeite.

De zegen van de Heere is díe zegen, dat we het in alles van de Heere mogen verwachten, op goede gronden. Daar spreekt ook de dichter van Psalm 39 van: En nu, wat verwacht ik, o Heere! Mijn hoop, die is op U (Ps.39:8). Dat is een hoop die niet beschaamd wordt.

Van harte bidden wij u toe, als we nog leven zoals we geboren zijn, dat dit jaar het jaar zijn mag van onze bekering. Laat dat ook vooral ons gebed zijn. Ook jullie gebed, jongens en meisjes: ‘Heere, bekeer mij dit jaar, bekeer mij vandaag!’

Dat we het grote goed mogen ontvangen om welgetroost te kunnen leven en zalig te sterven. Zoek éérst het koninkrijk van God, mogen we elkaar vandaag welgemeend toeroepen. En alle dingen waar we zo vaak vol van zijn, zullen u worden toegeworpen.

Degenen die de Heere kennen en vrezen wordt vermeerdering van die kennis toe gebeden, om de vaste grondslag van behoud te kennen in de Heere Jezus Christus. Om niet op zichzelf te zien, maar om door het geloof te leven uit de verdienste van Christus, Die kwam om te dienen.

Dat Hij uw hoop, uw leven en uw vrede zijn mag. Dat daarbij ook voortdurend het gebed gebeden werd: ‘Och, dat ik Hem kenne en de kracht van Zijn opstanding, om meer en meer Hem te mogen kennen en vervólgen te kennen.’

Gemeente, er ligt weer een jaar voor ons waarvan wij niet weten wat het ons brengen zal. Kerkenraad, koster, hulpkosters en organisten, dat alles maar onder het beslag van het Woord van God mag zijn, tot zegen en welzijn van de gemeente. Alles wat wij nodig hebben kan en wil de Heere schenken. Hij blijft Dezelfde. Daar spreekt onze tekst van: Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en in der eeuwigheid.

 

Dit wordt de Hebreeën voorgehouden, die het zo moeilijk hadden. Het christen zijn bracht voor hen zoveel zorg en verdrukking met zich mee. Ze zagen zich allerlei bezit ontvallen. Ze moesten om de naam van Christus zoveel smaadheid lijden. Ze waren zelfs tot een schouwspel, dus tot een spot geworden. Het was eigenlijk treurig met hen gesteld.

Daarom hebben ze troost en bemoediging nodig. Ze hebben er niet zoveel aan als je ze beklaagt. Dat doet ook de schrijver van de Hebreeënbrief niet. Hij wijst op hetgeen bestendig is, waar ze hun hulp en sterkte kunnen vinden.

Hij roept op: Richt weder op de trage handen en de slappe knieën (Hebr.12:12). Ga standvastig voort, in de wetenschap dat het leven van de kerk getekend wordt als een leven door het geloof. Het gaat door druk, kruis en moeite heen. Die de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijk zoon die Hij aanneemt (Hebr.12:6).

Die Hebreeën moeten niet denken dat hun iets vreemds overkomt. Dit hangt samen met het leven van Gods gemeente op aarde.

 

In hoofdstuk 11 is hun het leven van de Bijbelheiligen uit het Oude Testament voorgehouden. Hoe die door het geloof hebben geleefd. Hoe ook zij verdrukking hebben ervaren. Hoe ze daarin niet beschaamd geworden zijn. Ze worden opgeroepen om met lijdzaamheid te lopen de loopbaan die hun voorgesteld is, en dan te zien op Christus, de overste Leidsman en Voleinder van het geloof, Die ook de Bron was van de volharding van de heiligen onder het Oude Testament.

Die Christus is Dezelfde. Hij is de Getrouwe. Hij heeft Zichzelf voor hen overgegeven en zorgt voor hen.

 

De schrijver van de Hebreeënbrief mag hen wijzen op de onveranderlijkheid van Jezus Christus. De namen wijzen al op wat in Hem te vinden is. Voor hen zijn die namen als een lichtstraal in de duisternis. We zouden kunnen zeggen: als een vuurtorenlicht dat de duisternis doorbreekt, opdat het schip van Sion, dat dreigt uit de koers te gaan, door de kracht en genade van Hem weer de haven van behoud zou mogen binnenvaren.

Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en in der eeuwigheid. Hij is door de Vader gegeven als Zaligmaker. Hij kwam om zondaren zalig te maken. Dat is het doel van Zijn komst. Hij is ook de Christus, Die gezalfd is tot Profeet, Priester en Koning. In Hem is behoud. In Hem is gerechtigheid, verlossing en bewaring. In Hem is leven en vrede.

In Hem zullen de Hebreeën vinden wat tot hun behoud, troost en verlossing nodig is. In Hem alleen ligt hun zaligheid. Hij was er in het verleden, Hij ís er en Hij zal er zijn tot in eeuwigheid.

De apostel houdt hen een vaste troostgrond voor. Die legt hij niet in henzelf. Hij bemoedigt hen niet met iets wat ze kunnen in eigen kracht. Nee! Hij legt een vaste troostgrond buiten hen, in de Heere Jezus Christus, de Zoon van God, Die eeuwig Dezelfde is.

Niemand kan een ánder fundament leggen, dan hetgeen God gelegd heeft, waarop Sion gebouwd wordt. Er is ook geen ándere herder der schapen aan wie ze zich mogen toevertrouwen. Hij is en blijft eeuwig Dezelfde.

Dat toonde Hij in het verleden, dat zal Hij doen zien in het heden, dat zal ook blijken waar te zijn in de toekomst. Ook in het nieuwe jaar. Hij is gisteren en heden Dezelfde en in der eeuwigheid.

 

1. Dit wordt geleerd uit het verleden

 

Gisteren. Dat is de tijd die hieraan voorafging. Het oudtijds, het eertijds. Toen was Hij er. Toen toonde Hij te zijn: Jezus Christus, de Zaligmaker, de door God gezalfde Zaligmaker. Hij is van eeuwigheid de Onveranderlijke. Toen er aarde noch hemel was, was Hij er. In de raad des vredes stelde Hij Zich beschikbaar tot het werk der zaligheid: Ik heb lust, o Mijn God, om Uw welbehagen te doen (Ps.40:9).

Toen reeds werd Hij gedreven door de liefde tot Gods deugden, door de liefde tot zondaren. Dat deed Hem Zich vrijwillig geven in de tijd, op Gods tijd, in de volheid van de tijd, als de geboren Verlosser.

Hij wist wat daar aan verbonden was, met de menswording, met het Zich geven tot in de kruisdood. Maar niets weerhield Hem in die heilige drang, in die heilige liefdesijver, in dat heilige liefdesvuur dat Hem vervulde. Dat is geen menselijke liefde. Dat is ook eenzijdige liefde. Men zegt wel eens: ‘Liefde kan nooit van één kant komen.’ Een aardse verhouding kan nooit standhouden als liefde maar van één kant komt. Maar hier is sprake van een eenzijdige liefde.

Dat wórdt wel tweezijdige liefde, maar de Bron is toch eenzijdige liefde. Daar zegt Johannes van: Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad, en Zijn Zoon gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden (1 Joh.4:10).

 

Hij is Dezelfde Die kwam in de tijd. Hij Die kwam in Bethlehems kribbe. Hij Die de weg ging van kribbe naar kruis, Zich geheel vrijwillig overgaf in dat diepe lijden, in de Godsverlating.

Hij blijft Wie Hij was. Zo toonde Hij te zijn de Zaligmaker Die Zijn volk zalig maakt van hun zonden en daartoe ook gedaan heeft, op Zich genomen heeft, wat nodig was om die zaligheid te kunnen schenken. Want Hij moest eerst de zaligheid verwerven. Die zaligheid moest Hij verdienen. Daar ligt nu de vaste grondslag van de zaligheid. Het is een verworven zaligheid, een verdiende zaligheid.

Die zal niet kunnen wijken of wankelen. Daar ligt ook de vastheid van het zaligmakend werk van deze Zaligmaker Jezus Christus. In de eeuwige vrederaad, in Zijn vrijwilligheid, maar ook in Zijn tot stand brengen van die zaligheid. Dan zal Hij niet rusten voordat Hij aan het kruis heeft uitgeroepen: Het is volbracht! (Joh.19:30)

Alzo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde (Joh.13:1). Nooit kan liefde rijker geopenbaard worden dan in het Zichzelf overgeven van de Heere Jezus Christus. Nooit kan de liefde van God rijker geopenbaard worden dan in het zenden van Zijn Zoon. En nooit kan de liefde van de Heilige Geest rijker geopenbaard worden dan in het toepassen van de zaligheid.

 

Hij kwam. Hij is Dezelfde. Hij heeft de zaligheid dus verdiend en bewerkt. De toorn van God is geblust. Hij heeft de vloek weggedragen, de dood overwonnen, waardoor zaligheid, vrede met God, vergeving van zonden mogelijk is. Dat heeft Hij verdiend, verworven, met goddelijke macht en majesteit, al is het in een gedaante van vernedering.

Hij heeft Zichzelf vernietigd, de gestalte van een dienstknecht aangenomen hebbende. Dat was geen zwakheid. Dat was liefde en dat was macht. Zo daalde Hij in ons vlees, maar zonder zonde. Dan gaat Hij de weg. Hij is Dezelfde. Hij toonde Jézus te zijn. Hij toonde Chrístus te zijn.

 

Ook onder het Oude Testament heeft Hij reeds de weg der zaligheid bekendgemaakt. Hij is het Woord Dat bij God was en Dat altijd God is. Het Woord was bij God en het Woord was God.

Zo verscheen Hij aan Abraham. Zo worstelde Hij met Jakob. Zo openbaarde Hij Zich aan Jozua als de Vorst van het heir des Heeren: Ik ben nu gekomen! (Joz.5:14) Hij is het van Wie de profeet zegt: ‘De Geest des Heeren Heeren rust op Hem. De Geest der wijsheid en des verstands. De Geest des raads en der sterkte. De Geest der kennis en der vreze des Heeren. Hij is Immanuël, God met ons!’

Als Profeet maakte Hij de weg der zaligheid bekend. Als Priester heeft Hij de weg gebaand in de zelfovergave aan het kruis. Ook als de biddende en dankende Hogepriester aan de rechterhand van de Vader. Als Koning regeerde Hij, bezat Hij alle macht in hemel en op aarde.

 

Wat is er een rijke troost, gemeente, in het verleden van de Heere Jezus Christus! Weet u wanneer dat tot troost wordt? Wanneer óns verleden ons aanklaagt. Wanneer wij met ons verleden niet verder kunnen leven. Wanneer dat verleden gaat leven.

Wij zijn mensen die graag zeggen: ‘Zand erover!’ We zijn een nieuw jaar begonnen en wat achter ons ligt moeten we maar vergeten. Dat zouden wij wel willen. Wij zijn van gisteren en weten niet. Maar met eerbied gesproken, gemeente, de Heere is niet van gisteren. Er is een gedenkboek voor Zijn aangezicht. Dat maakt Hij ook bekend door het werk van de Heilige Geest. Dan gaat het verleden leven. Dan wordt het waarheid. Een waarheid waarmee we voor God niet kunnen bestaan.

We zeggen wel eens over iemand: ‘Die heeft een verleden.’ Dan is er iets gebeurd in het leven van zo iemand, meestal in ongunstige zin. Maar al hebben wij een verleden waar niemand iets van zeggen kan, dan hebben we toch allemaal een persoonlijk verleden. Dat dragen we ook het nieuwe jaar weer mee in.

Wat een genade als we met dat verleden niet verder kunnen leven! Dat we dat verleden van Christus Jezus nodig hebben. Ja, dat we óns verleden mogen zien in Zíjn verleden. Hij heeft alles volbracht tot zaligheid van zondaren. Daar mogen we ons pak kwijtraken. Dat betekent niet dat je Hem dan voortaan niet meer nodig hebt. Maar wat een genade dat je met je zondige verleden mag schuilen in Zíjn verleden.

Hij kwam op deze aarde. Hij heeft de vloek gedragen. Hij heeft het uitgeroepen: Het is volbracht! (Joh.19:30) Om daar je pak kwijt te raken, om daar je schuld weggenomen te mogen zien. ‘De schuld Uws volks hebt G’ uit Uw boek gedaan, ook ziet Gij geen van hunne zonden aan.’

 

Dat verleden van de Heere Jezus is tot troost. Jongens en meisjes, je hebt het misschien vanaf je jeugd geleerd, dat de Heere Jezus de Zoon van God is, dat Hij geboren is en naar het kruis gegaan is. Maar heeft het ook waarde? Heeft wat Hij volbracht heeft betekenis in ons leven?

Hij is Dezelfde, gisteren, heden en in eeuwigheid. Maar is Hij ook uw leven geworden? Hebt u leren verstaan dat u buiten Hem niet voor God kunt bestaan? En dan niet per conclusie, maar vanuit de toerekening, vanuit de aanvaarding door het ware geloof. Om met je hele verloren leven te mogen rusten in Zijn verleden. In Zijn volbrachte werk ligt de rust van het hart.

Dan hoef je de zonde van het oude jaar niet mee te nemen in het nieuwe jaar, op grond van Zijn werk, van Zijn verleden. Dat verleden getuigt van zondaarsliefde. Dat getuigt van een volbracht werk. Dan mag je daar schuilen en rust vinden.

 

Dat is het verlangen van ieder die de Heere kent en vreest. ‘Heere, mag ik dat weten? Mag ik dat uit Uw mond horen? Mag de toepassing daarvan ontvangen worden?’

En naar de mate de kennis van de Zaligmaker ontvangen wordt door het ware geloof, en de Heere toerekent wat in Christus is, de Heilige Geest Hem verheerlijkt, het uit Christus neemt en ons verkondigt, in die mate zal de troost ervan gekend worden.

 

Wat is dat een rijke prediking, van het verleden van de Heere Jezus Christus! Wat Hij verworven heeft is tot rijke troost. Dat wordt geleerd op de leerschool van de Heilige Geest. Dat wordt benodigd, gekend en toegepast, tot troost en zaligheid.

Maar niet alleen het verléden van de Heere Jezus Christus, ook het héden is van zo’n grote betekenis.

 

2. Dit is tot troost in het heden

 

Christus heeft alles volbracht. Maar niet om het daarna aan anderen over te laten. Hij is niet naar de hemel gevaren en uit de doden opgestaan om de kerk voortaan aan zichzelf over te laten. Ook nú is Hij Jezus. Ook nú is Hij Christus. Hij past de verworven zaligheid ook toe, door Woord en Geest.

Hij is de grote Profeet en Leraar der gerechtigheid. Opdat dwazen aan Zijn voeten mogen zitten, onderwijs ontvangen en het goede deel kiezen dat nooit zal worden weggenomen.

Hij is nog Koning, Die regeert. Het welbehagen van God gaat door Zijn hand gelukkig voort. Hij is een Koning aan Wie alles onderworpen is. We weten niet wat de toekomst brengen zal. We weten wel dat het de laatste ure is. De opkomst van de antichristelijke machten gaat door. Maar Hij is Koning, ook nu!

Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, de berg Mijner heiligheid (Ps.2:6). Hij is Koning over Zijn gemeente, maar Hij bezit ook alle macht in hemel en op aarde. Hij heeft Zijn gemeente beloofd: Zie, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld (Matth.28:20).

 

Dat is de troost in het steeds wisselend heden. Er is niets bestendig hier beneên. Maar Hij is Dezelfde. Met dezelfde liefde bewogen, die Hem bereid deed zijn te komen naar deze aarde. Hij is met dezelfde liefde bewogen waardoor Hij Zich tot in de kruisdood overgaf.

Wij verdenken Zijn liefde en Zijn trouw. Wij denken dat de Heere aan ons denkt als het goed en aangenaam gesteld is van binnen. Als de zonde er wat onder ligt. Maar het moet maar eens anders zijn. Alles moet maar eens tegen je getuigen. Alles moet je maar eens aanklagen. Je moet maar eens zitten op de puinhopen van je bestaan…

Maar Hij is Dezelfde! Wat een troost voor de Hebreeën. Voor de toekomst is die troost zo nodig. In alle noden en zorgen mogen ze weten dat Hij alles is. De schrijver van de Hebreeënbrief wordt niet moe om juist de uitnemendheid van de Heere Jezus Christus te tekenen in alles wat Hij is.

Christus is aan de rechterhand van de hemelse Vader ook werkzaam als de Hogepriester naar de orde van Melchizédek. Van een zoveel beter verbond is Hij Borg geworden.

 

Deze Hebreeën waren naar hun gedachten van God en mens verlaten. Niets dan kruis en moeite was hun deel. Dat kan de ervaring van de kerk ook nu zijn: Zie, ga ik voorwaarts, zo is Hij er niet, of achterwaarts, zo verneem ik Hem niet (Job 23:8).

Maar Híj is de duisternis ingedaald! Daar heeft Hij het uitgeroepen: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (Matth.27:46). En dan zegt ons avondmaalsformulier: ‘Opdat wij tot God zouden genomen en nimmermeer van Hem verlaten zouden worden.’ Hij heeft Zich laten binden met boeien, opdat ze verbroken zouden worden. Hij heeft het handschrift der zonden dat tegen ons was, aan het kruis genageld.

 

En Hij is nóg Dezelfde! Bij Hem is nog steeds diezelfde ontferming en genade, als Profeet, Priester en Koning. Hij treedt tussen bij de Vader voor een schuldig volk. Kinderkens (…), indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus de Rechtvaardige, en Hij is een verzoening voor onze zonden (1 Joh.2:1-2).

Wanneer het geloof in oefening is, mag het weten: de Heere is mijn Helper, ik zal niet vrezen, wat zal een mens mij doen? Hij betoont Zich de medelijdende Helper. Hij is in alles verzocht geweest, doch zonder zonde, opdat zij die verzocht worden door Hem zouden worden geholpen.

Hij weet wat het is om mens te zijn, om rouw te bedrijven en smart te hebben over het verlies van iemand die heenging. Hij weende bij het graf van Lazarus. Hij is in ons mens zijn ingedaald, met alle zwakheden die daarbij horen. Hij kan te hulp komen.

Zijn genade is genoeg. Hij heeft alles wat tot onze troost en zaligheid nodig is. Voor Abraham was er in Hem genoeg, toen hij struikelde. Er was voor David genoeg in Hem, toen hij viel. Voor wie de zonde met smart beweent, heeft Hij deze in Zijn leven gedragen. Er was genoeg in Hem voor David in zijn val. Er was genoeg in Hem voor Petrus toen hij Hem verloochende en zichzelf vervloekte dat hij Jezus niet kende. Er is in Hem genoeg voor Paulus, als hij de doorn in zijn vlees heeft en denkt die niet te kunnen dragen. Dan is Zijn genade genoeg!

De zonden van het verleden, van het heden en van de toekomst liggen in Hem bedekt voor God. Dan mag de reisstaf worden opgenomen en de reismantel opnieuw worden aangedaan. Dan gaat het voort in het vreemdelingschap op aarde, in de wetenschap: Hij is Dezelfde. Hij is getrouw. Hij zal niet laten varen wat Zijn hand begon. Hij zegt: Tot de ouderdom toe zal Ik Dezelfde zijn, ja, tot de grijsheid toe zal Ik ulieden dragen; Ik heb het gedaan, en Ik zal u opnemen, en Ik zal dragen en redden (Jes.46:4). Dan is Hij het zaligst lot, door tijd noch eeuwigheid te scheiden.

 

Wie Hem zo kent en door het geloof mag aanschouwen, die mag niet anders zeggen dan: Ik dank God, door Jezus Christus, onze Heere (Rom.7:25).

Kohlbrugge schreef ergens: ‘Al staat het goed met onze financiën, dan hebben we God te danken dat Zijn genade en lankmoedigheid er de grondslag van is. En staat het met onze financiën slecht, dan hebben we toch God te danken voor Zijn dierbare waarheid dat uw brood zeker en uw water gewis is.’

Dan blijft het waar voor de kleine wees: Wanneer vader en moeder u verlaten hebben, zal God Zich over u ontfermen. Dan blijft voor de weduwe de troost: Want uw Maker is uw Man, Heere der heirscharen is Zijn naam (Jes.54:5).

Voor de veroordeelde zondaar blijft het staan, ook dit jaar, gemeente: het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden! En dan geldt: Wie de Zoon heeft, die heeft het leven; en wie de Zoon van God niet heeft, die heeft het leven niet, maar de toorn Gods blijft op hem.

Daarom mag vandaag een woord van waarschuwing niet ontbreken. Het is nog genadetijd. De Heere roept nog toe te bedenken wat tot uw zaligheid dient. De Heere roept vandaag nog op: Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op de weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen die op Hem betrouwen (Ps.2:12). Ook dit wordt ons vandaag nog voorgehouden.

 

Het is tot rijke troost van de Hebreeën, tot rijke troost van de kerk van alle tijden, ook in het wisselende heden, waar het vandaag zus en morgen zo is, dat Hij Dezelfde blijft. Wie Hij in het verleden was, blijft Hij tot in eeuwigheid.

Hij is de ‘Ik zal zijn Die Ik zijn zal’. Zo maakte de Heere Zich aan Mozes bekend. Dat wil zeggen: ‘Ik zal blijven Die Ik was, Ik ben Die Ik was en Ik zal zijn Die Ik ben.’ Hij is de eeuwige Getrouwe. Hij is eeuwig Dezelfde.

 

Het ongeloof zegt vaak: ‘Het is niet meer zoals vroeger.’ Dat hoor je zo vaak in kerkelijke kringen. ‘Het is niet meer zoals vroeger. Het is nu een geesteloze tijd. Nu kan het niet meer.’

Gemeente, laten we het Woord van God laten spreken: Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en in der eeuwigheid. Hij is Dezelfde!

En wat betreft die ‘geesteloze tijden’, laten we niet vergeten dat onze grote schuld is dat wij elke dag de Heere reden geven om ons aan onszelf over te geven, dat de werkingen van de Geest worden teruggenomen. Dat de Heere zegt: ‘Ik heb genoeg arbeid gedaan. Ik laat u los. Ik geef u over aan uw dwaasheid.’ Dan zal niemand kunnen zeggen: ‘Heere, ik heb het er beter afgebracht. Ik heb het mij waardig gemaakt dat U Zich over mij ontfermt.’ Dan zullen wij allemaal God vrij moeten verklaren.

Maar het neemt niet weg dat die waarheid staande blijft, dat Hij gisteren en heden Dezelfde is en in der eeuwigheid. En die Koning kan niet zonder onderdanen zijn. Het Woord van God zegt: ‘Zij zullen Hem vrezen van geslacht tot geslacht.’

Dan zullen ze toch erkennen dat God God is. Deze zal zeggen: Ik ben des Heeren; en die zal zich noemen met de naam van Jakob; en gene zal met zijn hand schrijven: Ik ben des Heeren, en zich toenoemen met de naam van Israël (Jes.44:5). Dat is naar het Woord. Zijn naam zal van kind tot kind voortgeplant worden.

En daarom, het geloof zegt niet: ‘Het is niet meer zoals vroeger.’ Het geloof zegt: ‘De Heere is Dezelfde. Hij blijft getrouw!’ Want, gemeente, eeuwige liefde gaat nooit over. En eeuwige trouw wankelt nooit. Hij is God, ook voor de toekomst. Gisteren en heden is Hij Dezelfde en ook in het nieuwe jaar.

 

Maar wat is óns heden? Hoe staan wij nu tegenover de Heere? Is die waarheid ons tot troost, in ons heden, in ons vandaag, in onze toekomstverwachting? Zijn wij als het kindeke waarvan de Heere Jezus zegt: Indien gij u niet verandert, en wordt gelijk de kinderkens, zo zult gij in het koninkrijk der hemelen geenszins ingaan (Matth.18:3)?

Wij hebben de Heere nodig. Is Hij ons leven geworden? Is dat het verlangen van ons leven geworden, dat Hij ons leven zijn zou? Hebben we ons leven in eigen hand verloren? Zijn we het vermaak in de wereld kwijtgeraakt? Zijn we ons vertrouwen op onszelf kwijtgeraakt? En hebben we ons over leren geven aan de Heere? Hebben we de hand die Hij heeft uitgestoken, mogen aanvaarden, ons overgegeven op genade alleen? Is ons hart gewillig gemaakt om voor Hem te buigen? ‘Wat de toekomst brengen zal, Heere, het is goed, het ligt alles veilig in Uw hand.’

Wat een troost ook in het heden! Dan wisselt alles. We weten niet wat de toekomst brengen zal. Laten we maar niet te optimistisch zijn, want de toekomst van ’s mensen zijde bezien, is een donkere toekomst. Maar de Heere regeert, ook in het toekomende. In onze derde gedachte staan we daarbij stil. Hij is Dezelfde, ook voor de toekomst.

 

We zingen eerst Psalm 46 vers 1:

 

God is een toevlucht voor de Zijnen,
Hun sterkt’, als zij door droefheid kwijnen;
Zij werden steeds Zijn hulp gewaar,
In zielsbenauwdheid, in gevaar;
Dies zal geen vrees ons doen bezwijken,
Schoon d’ aard’ uit hare plaats mocht wijken;
Schoon ‘t hoogst gebergt’, uit zijne steê,
Verzet wierd in het hart der zee. 

 

3. Dit geeft verwachting voor de toekomst

 

Wat zal dit jaar ons brengen? Wij vragen ons dat wel eens af. Laten we ons geen illusies maken. Ook dit jaar zal er weer pijn geleden worden. Er zal weer rouw gedragen worden. Er zullen moeiten zijn en teleurstellingen. De dood zal eenmaal komen. Eenmaal moeten we allen geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus.

Mórgen… dat is de hoop van de wereld. Mórgen zal het beter gaan! Maar ook morgen zal blijken dat het oude, versleten kleed van het heden en het verleden wordt meegedragen, omdat wij gezondigd hebben.

De zonden maken het op deze aarde altijd zo, dat er geen ware vrede, geen waar geluk en geen ware blijdschap zijn kan buiten de Heere. Laten we in dit opzicht niet te optimistisch zijn. De toekomst is van onze kant bezien donker.

De mens der zonde, de antichrist, maakt zich steeds breder op. Wij zijn gevallen mensen. Wij leven op de aarde die om onze zonden vervloekt is. Buiten Christus en buiten de Heere is er geen verwachting. Noch voor mij, noch voor u.

Toch is dat geen doemdenken. Tegenwoordig spreekt men vaak van doemdenken. Dat betekent: ik zie het niet meer zitten. Laten we eten en drinken en vrolijk zijn, want morgen sterven wij! Er is toch geen toekomst meer…

Gods Woord geeft daar echter geen grond voor. De hoop van de christen is niet gevestigd op zichzelf, niet op de maatschappelijke omstandigheden, niet op de goede mens, maar zijn hoop is gevestigd op God Die getrouw is, Die boven alles staat. Hij is Dezelfde, ook voor de toekomst. Want ook voor de toekomst blijft gelden: Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en in der eeuwigheid.

 

Hij is nóg Zaligmaker; Profeet, Priester en Koning. Straks, aan het einde der tijden, zal Hij het koninkrijk overgeven aan Zijn Vader. Dan zal God zijn alles in allen. Dan is de genadetijd voorbij. Maar nú leven we nog in het heden der genade, de tijd der zaligheid, in de mogelijkheid om tot God bekeerd te worden.

Ook in de toekomst blijft het waar: Hij is Jezus, Hij is Christus, Hij is Zaligmaker, Profeet, Priester en Koning. Hij gaat door met Zijn werk. Hij bezit alle macht in hemel en op aarde. En daarom er is toch toekomstverwachting. Niet van u, noch van mij, maar van Hem Die altijd Dezelfde blijft. Ik ben met ulieden! Dat heeft Hij als in een testament Zijn gemeente nagelaten. Zie, Ik ben met ulieden al de dagen (Matth.28:20). Ik zal u niet begeven en zal u niet verlaten (Joz.1:5).

Het wereldgebeuren, wat er ook komen kan, dat verrast Hem niet. Het kerkelijk gebeuren, wat er ook komt in het komende jaar, dat overrompelt Hem niet.

Het welbehagen van God zal door Christus’ hand gelukkiglijk voortgaan. Het ligt alles vast in de doorboorde handen van de Koning der koningen en Heere der heren. Hij is het Lam Dat staat als geslacht voor Gods troon.

 

Hij is Dezelfde. Het geloof mag er troost uit putten. De apostel zegt in Romeinen 8: Want ik ben verzekerd dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Heere (Rom.8:38-39).

En in 1 Johannes 3 lezen we: Het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen. Maar wij weten dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen (1 Joh.3:2).

Christus hééft de toekomst en Hij gééft toekomst. Híj schept de geschiedenis, niet de mens. God maakt geschiedenis. Ook in het toekomende.

 

Zijn Woord houdt eeuwig stand en de waarheid blijft dezelfde. De waarheid waarin God verheerlijkt wordt en de mens op het diepst vernederd wordt, blijft dezelfde. Op ons rust de hoge roeping en de hoge taak om daarbij te blijven. Koop de waarheid en verkoop ze niet (Spr.23:23).

Maak ze u eigen, gemeente! Zoek erin gegrond en geworteld te zijn, jongens en meisjes, in deze waarheid, in het Woord van God, in de waarheid van de belijdenis. Dat is die vaste waarheid die nooit wankelt en die nooit wijken zal. Hij is Dezelfde, ook in het toekomende. De Heere Jezus zegt: De waarheid zal u vrijmaken (Joh.8:32).

Het is de Geest der waarheid Die de waarheid doet aanvaarden. Hij openbaart de Vader als de God der waarheid. Hij maakt de Zoon bekend als de Weg, de Waarheid en het Leven. De Heilige Geest leidt in alle waarheid.

Het Woord waarin Christus geopenbaard wordt en bekendgemaakt wordt, dat blijft hetzelfde Woord. Ja, Hij blijft Dezelfde. Ik, de Heere, Die de Eerste ben, en met de Laatste ben Ik Dezelfde (Jes.41:4). Buiten Mij is er geen God (Jes.45:5).

 

Straks komt Hij terug. Boven de puinhopen van deze wereld verrijst de dag van de Zoon des mensen. In de Openbaring lezen we dat de engel zwoer bij Dien Die leeft in eeuwigheid, dat er straks geen tijd meer zijn zal.

Maar nu is het nog de tijd waarin Hij, Die straks komen zal als Rechter, als Redder Zijn handen uitstrekt en zegt: ‘Mijn zoon, Mijn dochter, geef Mij uw hart!’

Hij is het, Die alle macht bezit, ook in het toebrengen van zondaren. Het hardste hart kan Hij breken. De meest afgezworvene en afgedwaalde kan Hij terugbrengen. Geen ding is er bij de Heere onmogelijk!

Maar, gemeente, de Heere wil er om gevraagd zijn. De Heere wil er ook van het huis van Jakob om gebeden zijn. Dat we worstelen met die waarheid! Want de Heere geeft geen waarheden in Zijn Woord en maakt Zich niet bekend in Zijn Woord, opdat wij dat voor kennisgeving aan zouden nemen, maar Hij geeft het opdat wij daarmee worstelend bezig zouden zijn.

In de weg van worstelend gebed wordt deze waarheid gekend, tot troost en tot blijdschap: Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en in der eeuwigheid.

 

Wat de toekomst brengen zal weten wij niet. Maar we weten wel: Hij is Dezelfde! En de Heere wil ook dat we daarmee bezig zijn, jongens en meisjes. Hij heeft Zelf gezegd: Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen (Joh.6:37). En die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden (Spr.8:17).

Hij is de Waarheid Zelf. Hij heeft nooit en nooit een woord gesproken dat Hij niet zal vervullen. Daar kun je staat op maken. Zijn beloften zullen niet feilen. Hij zal niet feilen in Zijn trouw, noch Zijn verbond ooit schenden. Hetgeen uit Zijn lippen ging, blijft vast en onverbroken. Hoe het ook gaan zal in het nieuwe jaar, Hij is Dezelfde.

 

Maar laten wij aan de andere kant ook niet vergeten, dat Hij ook Dezelfde is wanneer Zijn juk ons niet begerenswaardig voorkomt. Wanneer Zijn last ons te zwaar is, dan is Hij Dezelfde. Wanneer Zijn liefde wordt versmaad, Zijn genade niet wordt benodigd, wanneer Hij als de Christus der Schriften en als de Zaligmaker van zondaren verworpen wordt, dan is Hij Dezelfde in Zijn toorn. Van onze kant maken wij ons dan Zijn gramschap waardig. Wanneer dit onze levenshouding is, dan kan de Heere dat wel doorbreken. Maar wij vergaderen ons toorn als een schat. Laten we dat nooit vergeten.

Buig u voor Hem. Kus de Zoon! Onderwerp u aan Hem, opdat Hij niet rechtmatig toorne over Zijn versmade liefde, over Zijn verworpen genade. Dan trappen we God op het hart. Dan bedroeven we de Geest. Ook dat blijft waar. Hij blijft waar, ook in Zijn bedreigingen.

 

Hij is Dezelfde, maar is dat ook in Zijn genade. Hij is Dezelfde in Zijn trouw, in Zijn ontferming. Hij gebruikt wel mensen, maar heeft geen mensen nodig. Hij zegt tot de één: ‘Ga!’ en hij gaat. En tot de ander: ‘Kom!’ en hij komt. Tot de derde: ‘Doe dat!’ en hij doet het. Want Hij staat boven alles.

Hij bezit alle macht in hemel en op aarde. Hij is Profeet, Priester en Koning. Hij kan Zichzelf niet verloochenen. Hij zal doen wat naar ’s Vaders welbehagen geschieden zal. En daarom, Hij blijft en Hij is Dezelfde en Hij regeert. Hij kan harten neigen tot de vrees van Zijn naam. Hij kan het Woord, ook als het gelezen wordt, gebruiken en ingang geven in het hart. Hij kan het hardste hart daarmee verbrijzelen. Want Hij is God. Hij is Dezelfde.

Laat dat onze toekomstverwachting zijn, gemeente. Laat het onze troost en hoop zijn. Laat het uitzicht geven in alle omstandigheden, in de toekomst die ons wacht. Hij is Dezelfde! ‘Gij evenwel, Gij blijft Dezelfd’, o Heer’!’ Dat was de troost van de dichter van Psalm 74. Dat is ook de troost van de kerk van nu. De Heere zal niet feilen in Zijn trouw en Zijn verbond nooit schenden.

 

Dat was het, waar de Hebreeën troost uit mochten putten. Een vaste troostgrond werd hen gegeven. Ze hadden het houvast niet in zichzelf, niet in de verbeterende omstandigheden, niet in het medelijden van hun onderdrukkers, maar in de kracht die van Hem uitging. In de genade die in Christus Jezus is. In dat, wat doorklinkt in Zijn namen: Jezus Christus, de Zaligmaker door God gegeven en gezalfd.

Van eeuwigheid is Hij God. Hij is onveranderlijk, eeuwig en getrouw. Hij heeft dat in het verleden betoond en geopenbaard. In het heden maakt Hij dat bekend en past Hij dat toe. En ook in de toekomst zal Hij doen ervaren dat Hij Dezelfde is en blijft, tot in der eeuwigheid.

 

Amen.

 

Slotzang: Psalm 130: 3

 

Ik blijf de Heer’ verwachten;
Mijn ziel wacht ongestoord;
Ik hoop, in al mijn klachten,
Op Zijn onfeilbaar woord;
Mijn ziel, vol angst en zorgen,
Wacht sterker op de Heer’,
Dan wachters op de morgen;
De morgen, ach, wanneer?