Ds. M. Golverdingen - Kolossenzen 2 : 6

Het geheim van het wandelen in Christus

Een ontvangen heilsweldaad
Een noodzakelijke aansporing

Kolossenzen 2 : 6

Kolossenzen 2
6
Gelijk gij dan Christus Jezus, den Heere, hebt aangenomen, wandelt alzo in Hem;

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 66: 10
Lezen : Kolossenzen 2
Zingen : Psalm 66: 6, 8
Zingen : Geb. des Heeren: 9
Zingen : Psalm 32: 4, 5

Gemeente, Epafras, een medearbeider in het evangelie van Paulus in Kolosse, een plaatsje in Klein-Azië, het Turkije van vandaag, is in Rome aangekomen. Het doel van zijn reis is het ontmoeten van de apostel Paulus in de gevangenis, om hem verslag uit te kunnen brengen over de omstandigheden in de gemeente die hij dient. Naar aanleiding daarvan schrijft de apostel de Kolossenzen een brief.

Daaruit blijkt dat Epafras vele zorgen moet hebben gehad. In zijn gemeente treden dwaalleraren op. Die schrijven aan de gemeente een wettische levenswijze voor. Hun optreden wordt gedragen door een fundamentele, onbijbelse gedachte: het bloed van Christus Jezus is eigenlijk niet genoeg tot uw zaligheid, maar u moet ook de spijswetten voor de Joden onderhouden. U moet ook de Joodse feestdagen vieren, het feest van de nieuwe maan onderhouden en de sabbat heiligen naast de eerste dag in de week. Alleen als u dat doet, is er behoudenis voor u.

 

Te midden van die strijd mag Epafras ook melding maken van de trouw van God in zijn gemeente. Want hoewel er vele aanvallen zijn van de vorst der duisternis, openbaart zich bij Gods volk in Kolosse een bloeiend geloofsleven.

En ook in het voorgelezen Bijbelgedeelte spreekt de apostel, die onophoudelijk de nood van Kolosse aan de Heere heeft aanbevolen, zijn blijdschap daarover uit in het vijfde vers van het tweede hoofdstuk. Want hoewel ik met het vlees van u ben (hij bevindt zich in Rome), nochtans ben ik met de geest bij u, mij verblijdende en ziende uw ordening, en de vastigheid van uw geloof in Christus.

 

Gemeente, Paulus ziet de vastheid van het zaligmakend geloof in Gods kinderen. Het levende geloof verwerpt immers de wettische praktijken van de dwaalleraren. Het levende geloof kent een ándere gerichtheid. Het zoekt uit Jezus Christus bediend te worden, om met zijn ganse leven waarachtige dankbaarheid te bewijzen voor de ontvangen verlossing.

Daartoe wekt Paulus de gelovige Kolossenzen op in deze brief. Maar daartoe worden ook Gods kinderen, die in dit morgenuur de dood des Heeren hebben mogen verkondigen, opgewekt. Wij staan daarom nader stil bij de tekst die u vinden kunt in Kolossenzen 2 vers 6:

 

               Gelijk gij dan Christus Jezus, de Heere, hebt aangenomen, wandelt alzo in Hem.

 

Gemeente, onze tekst bepaalt ons bij: Het geheim van het wandelen in Christus.

 

1. Een ontvangen heilsweldaad

2. Een noodzakelijke aansporing

 

Het geheim van het wandelen in Christus spreekt over twee dingen. In de eerste plaats over een ontvangen heilsweldaad: Gelijk gij dan Christus Jezus, de Heere, hebt aangenomen. In de tweede plaats bevat de tekst een noodzakelijke aansporing: Wandelt alzo in Hem.

 

1. Een ontvangen heilsweldaad

 

In onze tekst wordt gewezen op iets dat in het recente verleden van de Kolossenzen heeft plaatsgevonden: Gelijk gij dan Christus Jezus, de Heere, hébt aangenomen.

Daar is iets gebeurd, in Kolosse. De apostel spreekt over het wonder van de eenzijdige genade van God die in het leven van deze mensen is verheerlijkt. Want nog niet zoveel jaar geleden waren deze Kolossenzen heidenen die zich bogen voor allerlei afgoden en zich uitleefden in de dienst der zonde. Er was werkelijk geen spoortje van de vreze Gods in hun leven te vinden.

Maar op een dag is Epafras naar Kolosse gekomen. Paulus had hem gezonden vanuit Efeze, waar hij toen werkzaam was in het evangelie. En als Epafras in Kolosse is gekomen, verkondigt hij daar het Woord des Heeren, waarvan Jezus Christus de inhoud is.

Daarop ziet het woord ‘aangenomen’. Het kan ook heel goed vertaald worden met ‘ontvangen’. ‘Gelijk gij dan Christus Jezus, de Heere, hebt ontvangen.’ Bij Paulus sluit het gebruik van het woord ‘aannemen’ of ‘ontvangen’ altijd de heenwijzing in naar de prediking van het evangelie, naar het onderwijs waardoor de Heere de eerste genade van het geloof in het hart werkt door de bediening van Zijn Geest. We zouden al omschrijvende de tekst dus ook wel zo mogen lezen: ‘Gelijk gij dan Christus Jezus, de Heere, hebt ontvangen in het Woord der prediking.’

 

Gemeente, laten wij ons altijd trouw onder de prediking van het evangelie stellen. Want daaronder zijn de heidenen in Kolosse tot bekering gekomen. We lezen dat in het begin van deze brief heel duidelijk. Het Woord van God heeft vruchten gedragen in Kolosse. U vindt het in het eerste hoofdstuk, in vers 5 tot en met 7: Namelijk des evangelies, hetwelk tot u gekomen is, gelijk ook in de gehele wereld, en het brengt vruchten voort, gelijk ook onder u, van die dag af dat gij gehoord hebt, en de genade Gods in waarheid bekend hebt. Gelijk gij ook geleerd hebt van Epafras, onze geliefde mededienstknecht, dewelke een getrouw dienaar van Christus is voor u.

Gemeente, zoals het in Kolosse ging, onder de prediking van Epafras, zo gaat het vandaag nog. De Heere snijdt nog, in Zijn onweerstaanbare genade, diepgevallen zondaren - jongens en meisjes, mannen en vrouwen en bejaarden - van de stam van de oude Adam af en plant ze Christus in door Woord en Geest. Hij vervult Zijn Woord nog:  Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, de ure komt en is nu, dat de doden zullen horen de stem van de Zoon van God, en die ze gehoord hebben, zullen leven (Joh.5:25).

Welnu, door die prediking van het evangelie heeft de Heere Zelf plaatsgemaakt voor Christus, in het hart van deze Kolossenzen. Van nature is er in het hart van een inwoner van het heidense Kolosse geen plaats voor Christus en van nature is er evenmin plaats voor Hem in het hart van een keurig oppassende kerkganger. In ons aller leven is van nature geen enkele ruimte voor Christus. Dat komt door de blindheid en de vijandschap van onze geestelijke doodsstaat.

Ons eigen ik sluit alle toegangen van ons hart hermetisch af met de stalen deuren van de wereld, de zonde en het ongeloof. Daarbij laten wij ons leiden door de satan, die we sinds de zondeval erkennen als onze gebieder. Of we het zien of niet zien, of we het geloven of niet geloven, we lopen aan zijn met fluweel omwikkelde leiband.

 

Nu is het de Geest van Christus Die zulke ellendigen overtuigt van hun persoonlijke schuld en zonde tegenover God. Daartoe doorstéékt de Geest van Christus het hart met het zwaard van de wet Gods. De wet stelt ons schuldig. De wet veroordeelt een mens. De wet verbrijzelt een mens. De wet bindt het geduchte gewicht van de naderende eeuwigheid op ons, met onweerstaanbare kracht.

Zo leren we als geheel schuldige mensen onze Rechter om genade bidden. Verzachtende omstandigheden zijn er niet! Zodra de Geest des Heeren als de Geest der overtuiging ons hart heeft ingenomen, gaan we verstaan dat we niet anders dan genade, niet anders dan barmhartigheid nodig hebben. Dan alleen kunnen we als een onreine, als een onrechtvaardige in onszelf, voor God bestaan. Er komt een heilige wanhoop aan onszelf. En in die heilige en heilzame wanhoop roepen we uit met de diepverslagen Joden op de Pinksterdag: Wat zullen wij doen, mannenbroeders? (Hand.2:47)

Zo wordt er door die onweerstaanbare kracht van Gods genade plaatsgemaakt in een zondaarshart voor die dierbare Borg en Zaligmaker: Jezus Christus. Als God ons ontdekt, gemeente, dan krijgen we een volle Jezus nodig. Die wordt ons door het evangelie aan het hart geopenbaard in al Zijn rijkdom.

 

De Kolossenzen hebben Hem, zegt onze tekst, door een waar geloof mogen aannemen. Dat woord sluit elke verdienste van een mens buiten. In dat woord ‘aannemen’ gaat het eenvoudig om het aannemen van een gift die door de Heere in uw hand wordt gelegd. Het gaat eenvoudig om het aanvaarden van een geschenk dat de Heere u onverdiend laat toekomen. Zoals een uitgedroogde akker het water indrinkt en aanneemt dat uit de hemel neervalt, zo ontvangt een verloren zondaar deel aan Christus en aan al Zijn heilsweldaden. Zoals  blank hout de conserverende beits in zich opneemt die een ander aanbrengt, zo ontvangt een arme zondaar deel aan de Borg en Zijn zoen- en kruisverdiensten.

Laten wij bij de Bijbelse leer blijven. Daarin wordt werkelijk - om die oude uitdrukking te gebruiken - God op het hoogst verheerlijkt en de zondaar op het diepst vernederd.

Oud en jong, heb er toch oog voor dat allerlei groepen, kerken en individuele personen op dit punt, júist op dit punt, dwalen. Dan kent men aan de verdorven menselijke wil een vermogen toe om zelf te geloven, dat de gevallen mens echter niet bezit.

De EO-jongerendag is in sommige opzichten een sprekend voorbeeld van een gevoelig arminianisme dat aan jongeren zelf de kracht toeschrijft om Jezus zich toe te eigenen. Daarvan staat geen letter in de Bijbel. De Bijbel leert ons dat wij gevallen mensen zijn, die dat vermogen niet bezitten. Christus Jezus aannemen, wil zeggen dat de Heere een geschenk in onze hand legt. Wij nemen Jezus niet aan in eigen kracht, maar door de bediening van de Heilige Geest. Het schenken, het ontvangen van de Heere Jezus gaat altijd aan dit aannemen vooraf.

Alle goede gave en alle volmaakte gift is van boven, van de Vader der lichten afkomende (Jak.1:17). Gods kinderen ontvangen een geschonken Jezus, Die zij met de lege bedelaarshand van het geloof, door de Heilige Geest ingeplant in de wedergeboorte, mogen aannemen, mogen aanvaarden, mogen toe-eigenen, mogen omhelzen, mogen mijnen.

 

Als dat gebeurt, geeft de Heere in ons leven eerst een krachtige en zalige verlichting van ons verstand om de Zoon te aanschouwen. En dit is de wil Desgenen die Mij gezonden heeft, dat een iegelijk die de Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, het eeuwige leven hebbe, en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage (Joh.6:40).

Het is een dwaze gedachte om te denken dat de bekering buiten het menselijke verstand zou omgaan. Het menselijke verstand wordt in de bekering verlicht. Dan valt er licht op het evangeliewoord. Dat evangeliewoord laat ons de Koning zien in Zijn schoonheid, onmisbaarheid, noodzakelijkheid, gepastheid en dierbaarheid. O, dat onuitsprekelijke, alleraangenaamste licht op de persoon van de Heere Jezus, gebruikt de Heilige Geest het allereerst om alle weerstand in onze ziel te verbreken. Zo worden wij geleid tot het heilvolle aannemen van Christus in het evangelie.

 

Gemeente, al lezend in onze korte tekst, Kolossenzen 2 vers 6, voelt u wel dat dit woord zich toespitst op ons eigen hart. Hebt u met de Kolossenzen de Heere Jezus Christus mogen aannemen met een waar geloof? Dan weet u van de hartelijke verootmoediging bij de eerste aankondiging van genade in uw hart. Want als we overtuigd worden van onze verlorenheid, van onze diepe onwaardigheid, van onze rechteloosheid en de Heere spreekt tot onze ziel van vrede, dan smelten we werkelijk weg in verwondering en tranen. Dan wordt het onze bevinding dat het Woord van God wáár is en dat de Heere in Christus genadig en barmhartig is.

Hebt u, met de Kolossenzen, de Heere Jezus Christus mogen aannemen door een waar geloof? Dan bent u geen vreemdeling gebleven van dat hartelijke, vurige verlangen naar die gezegende Persoon. Dan bent u geen vreemdeling gebleven van het hongeren en dorsten naar Hem en naar Zijn gerechtigheid. Dan is er een getuige in uw huis aanwezig, namelijk de muren van uw bidvertrek. Dan zijn de muren van uw bidvertrek getuigen van uw zuchten: ‘Heere, mocht er nu eens één druppel van dat dierbare middelaarsbloed dat Gij op Golgotha vergoten hebt, aan mij worden toegepast.’

O, dan valt alles om ons heen weg. Dan wordt alles waarin Christus niet voorkomt smakeloos. Dan verstaan we de oude dichter: ‘Geef mij Jezus of ik sterf, want buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf.’

 

Hebt u, met de Kolossenzen, Jezus Christus mogen aannemen door het geloof? Dan is Hij u dierbaar geworden als de volkomen Zaligmaker. Of zoals de oorspronkelijke tekst hier zegt: als dé Christus, als Jezus, dé Heere.

Want Wie neemt Gods kind aan, in het aanvaarden, in het eigenen van de Borg? Wie wordt er aangenomen? De Heere Jezus Christus in Zijn drie ambten. Hij wordt in het geloof omhelsd als de ware Hogepriester Die ons door Zijn bloed heeft verlost van alle schuld en straf der zonde.

Maar Hij wordt ook aangenomen als de hoogste Profeet en Leraar om ons, blinden, onwetenden, dwazen in onszelf, te doen blijven in al de waarheid. Wat krijgen we dan Psalm 25 lief: ‘Heere, ai, maak mij Uwe wegen door Uw Woord en Geest bekend.’

Gods kinderen mogen ook Christus als Koning omhelzen. Als dé Heere. Als ónze Heere. Hun ziel gaat er naar uit om door Zijn Woord en door Zijn Geest te worden geregeerd. Dan is het de begeerte van ons hart om Hem te volgen en de zonde en het inwendige verderf door Zijn kracht in ons leven neer te werpen.

 

Hebt u, met de Kolossenzen, de Heere Jezus Christus mogen aannemen? Dan weet u van die ogenblikken waarin het hartelijk, onvoorwaardelijk vertrouwen op het Woord van Zijn belofte uw ziel doortrok. Want dat gaat altijd met het zaligmakende geloof gepaard. Die Zijn getuigenis aangenomen heeft, die heeft verzegeld dat God waarachtig is (Joh.3:33). De Heere Jezus heeft gebeden in het hogepriesterlijke gebed: Uw woord is de waarheid (Joh.17:17).

Als de Heilige Geest in het leven van een zondaar komt, dan begint hij die belijdenis van de Borg met heel zijn hart na te zeggen en daarmee in te stemmen: Uw woord is de waarheid. Dan gaan we als een machteloze in onszelf leunen en steunen op Christus, in het evangelie geopenbaard. Dan gaat het ons zoals we in het Hooglied lezen: Wie is zij, die daar opklimt uit de woestijn, en liefelijk leunt op haar Liefste? (Hoogl.8:5)

 

Gelijk gij dan Christus Jezus, de Heere, hebt aangenomen, wandelt alzo in Hem. Gemeente, we zagen dat Paulus de Kolossenzen in deze brief heeft heen gewezen naar een heilsweldaad die zij in het verleden uit genade hebben ontvangen: hebt aangenomen.

Volk des Heeren, die weldaad heeft de Heere u ook willen bewijzen in Zijn onbegrijpelijke zondaarsliefde. Sommige van u hebben die zegen ontvangen in hun jongensjaren of meisjesjaren, anderen toen ze tot volwassenheid gekomen waren, weer anderen in hun ouderdom. Maar u hebt deze zegen ontvangen. En vanmorgen aan de verbondsdis heeft de Heere u willen verzekeren van Zijn hartelijke liefde en trouw jegens u.

 

Keer eens tot uzelf in! Want wat gebeurt er, als wij door genade tot de verbondsdis mogen naderen? In het sacrament van het Heilig Avondmaal nemen wij Christus bij vernieuwing aan onder de tekenen van brood en wijn, als panden en zegelen van Zijn genade.

En nu is het waar dat er trappen zijn in de genadige aanneming van de Heere Jezus Christus. De vraag is maar of we íets van dat aannemen van Christus door het geloof hebben mogen beoefenen.

Mocht u enigermate in het geloof worden gesterkt? Was er een bevend komen, een toegaan met veel aanvechting en veel bekommering in uw hart en hebt u als een schuldig en verloren mens een ogenblik mogen rusten op Zijn zoen- en kruisverdiensten alleen? Hebt u Zijn gemeenschap mogen proeven en smaken? Dank er de Heere voor en zeg: Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God! Dies de mensenkinderen onder de schaduw Uwer vleugelen toevlucht nemen (Ps.36:8).

Het kan ook zijn dat in de gang naar het Avondmaal onder de bediening, daarvoor of daarna, gulle liefde uw hart vervulde die naar Hem uitging, de grote Bruidegom, omdat Hij tot u sprak: Eet, vrienden! Drinkt en wordt dronken, o liefsten! (Hoogl.5:1) Erken uw Koning daarvoor en bedenk Zijn woord: Blijft in deze Mijn liefde (Joh.15:9).

Mocht u aangaan in een bedaard, gelovig vertrouwen en werd stille vrede uw deel, zonder dat u de gevoelige aandoening ontving van een vorige avondmaalsgang? Wees de Heere daarvoor ook oprecht dankbaar. U heb íets mogen ervaren van de geloofsrust van Paulus, als hij zegt: Hij is onze vrede (Ef.2:14).

 

Kinderen Gods, wat is het groot, wat is het eeuwig groot dat de Heere zulke onwaardigen als u en ik in die gezegende Borg in gunst wil aanschouwen! Wat is het een onuitsprekelijke genade als u door de Heilige Geest tot de aanneming van die lieve Borg bent gebracht!

Het is ons voorgehouden met die treffende bewoordingen van het formulier, op grond van de Schrift, dat Hij uw vervloeking op Zich heeft geladen opdat Hij u met Zijn zegening vervullen zou. En dat, dát heeft Hij opnieuw willen betekenen en verzegelen in het heilig sacrament.

Hoe betaamt het dan al Gods kinderen om door een godvruchtige levenswandel de Heere ware dankbaarheid te bewijzen en Hem aan te kleven in het geloof. Dat brengt ons bij de tweede gedachte:

 

2. Een noodzakelijke aansporing

 

Gelijk gij dan Christus Jezus, de Heere, hebt aangenomen, wandelt alzo in Hem. Die aansporing was nodig. Kolosse was een gemeente waarin de satan zijn krachten ook liet gelden. Hij ging erin rond als een engel des lichts. Dwaalleraren kregen ingang in de gemeente. Ze maakten het Gods kinderen iedere keer wijs: ‘U kunt niet zalig worden door het vertrouwen op Christus’ gerechtigheid alleen, er moet nog dit bij, er moet nog dat bij...’

Telkens probeerde de duivel door middel van die dwaalgeesten Gods kinderen af te trekken van de eenvoudigheid van het geloof in Christus. Hij probeerde hun geloofsleven te verdonkeren door hen heen te drijven in een weg van wettische dienstbaarheid.

 

Nu is het waar, gemeente, het is hier geen Kolosse. De omstandigheden hier zijn anders dan in de nieuwtestamentische gemeente uit Klein-Azië. Maar één ding is wel hetzelfde en laten we dat niet vergeten. Al Gods kinderen van toen en nu weten dat juist na de bediening van het Heilig Avondmaal de verzoekingen van de boze krachtig kunnen zijn.

Nadat een kind des Heeren opnieuw Christus heeft mogen aannemen door het geloof, nadat het opnieuw de gemeenschap met die Borg en Zaligmaker heeft mogen smaken, komen er helaas nog dikwijls ogenblikken dat de tere omgang met de Heere wordt verbroken. Dan verdwijnt het nabije leven met die Borg en Zaligmaker Die hen heeft gekocht met Zijn dierbaar bloed, naar lichaam en ziel, en die hen dát aan het Heilig Avondmaal heeft getuigd en verzekerd.

Hoe komt het, dat die tere omgang met de Heere Jezus na het Avondmaal, in de weken erna, kan worden afgebroken? Dat kan gebeuren door de kracht van ons inwendig verderf dat zich roert, door de verzoekingen van de wereld, door de listen van de satan. Dat kan gebeuren doordat we de Koning uit het oog verliezen, doordat we niet wandelen in Hém!

En als we niet in Hem wandelen, dan wordt het donker in ons leven. Dan komt de dodigheid en dorrigheid van alle kanten je ziel binnen. En u kunt in uzelf niet één moment staande blijven. Daarom roept de Heere u in dit uur van nabetrachting met de apostel toe: ‘Hebt u vanmorgen mogen smaken dat de Heere goed is, hebt u Hem bij vernieuwing mogen aannemen? Wandelt alzo in Hem!’

 

Wandelen is een woord dat wijst op activiteit. Dat weten we allemaal. Maar het moet wel onze aandacht hebben dat daarop niet het zwaarste accent valt in de tekst. De klemtoon valt op twee andere woorden. Op deze woorden: wandelt alzo ín Hém! Laat al uw doen en laten, uw denken en uw bezig zijn toch door Hém bepaald worden. Hoe dan? Gelijk gij dan Christus Jezus, de Heere, hebt aangenomen, wandelt alzo in Hem.

En zeg het dan maar, hoe u Hem vanmorgen in de avondsmaalsgang hebt mogen aannemen. Hebt u Hem niet mogen aanschouwen in Zijn volheid en in Zijn algenoegzaamheid? Hebt u Hem niet mogen aanvaarden als Christus, de Gezalfde, Die het u aan geen zalving zal laten ontbreken?

Kom, ga dan toch tot Hem uit, bij Wie al de volheid der genade is, om van Hem alles te begeren wat u ontbreekt.

Wij zingen daarvan eerst uit het Gebed des Heeren, het negende vers:

 

Want Uw is ’t koninkrijk, o Heer’,
Uw is de kracht, Uw is al d’eer!
U, Die ons helpen wilt en kunt,
Die in Uw Zoon verhoring gunt,
Die door Uw Geest ons troost en leidt,
U zij de lof in eeuwigheid.

 

Gelijk gij dan Christus Jezus, de Heere, hebt aangenomen, wandelt alzo in Hem. Hebt u zich vanmorgen, toen God u verwaardigde om toe te treden tot de dis des verbonds, mogen verlustigen in Zijn zoete gemeenschap? En is het de hartelijke begeerte van uw ziel om in Zijn naam te mogen wandelen? Neem dan het woord van de apostel ter harte. Gelijk gij dan Christus Jezus, de Heere, hebt aangenomen, wandelt alzó in Hem.

 

Hoe nam u Hem aan? Zeg het eens. Als een arme, onwaardige, rechteloze, hongerende, dorstende zondaar? Was dat de gestalte van uw ziel, toen u tot het Avondmaal kwam om Christus aan te nemen? Ga dan dagelijks in die gestalte uit tot de Fontein des levens, om als een nooddruftige in Hem te leven, van dag tot dag. Dan zal Hij keer op keer uw ziel verlevendigen.

Wandelt alzó in Hem. Het sacrament is ingesteld opdat het door de werking van de Heilige Geest onze gedachten richten zou op de Heere Jezus en Zijn lijden en sterven. En het formulier zegt in het dankgebed dat de vrucht van de avondmaalsbediening door Gods lieve Geest kan voortduren. Er staat immers: ‘Opdat het u tot dagelijks toenemen in het rechte geloof en in de zalige gemeenschap met Christus zou mogen gedijen.’

Een dagelijks toenemen na het Heilig Avondmaal… O, dat is alleen mogelijk als er ook een dagelijks wandelen met Christus is. Hoe beschamend is het onderwijs van het formulier voor Gods kinderen. Wat moeten we zeggen dat er vele afwijkingen en afdwalingen zijn na ontvangen genade, ook na de avondmaalsgang. Maar de apostel vermaant u en mij: Wandelt alzo in Hem, opdat u zou mogen toenemen in het rechte geloof en in de gemeenschap met Hem. In Hem wandelen…

 

Gemeente, we naderen het diepste geheim van deze tekst. U en ik kunnen dit niet uit onszelf. Maar Hij wil het u geven, in de weg van het ootmoedige smeekgebed. Hij wil altijd schenken wat Hij u Zelf beveelt.

Hebt u vanmorgen niet iets gezien van de Koning in Zijn schoonheid? Hoe groot is Hij, hoe goedertieren is Hij, hoe barmhartig is Hij, hoe genadig is Hij, hoe vol ontferming is Hij. Hij wil keer op keer een lege bedelaarshand vervullen. Elke dag opnieuw.

Ik heb mij laten vertellen dat vroeger bedelaars in het Nederlandse straatbeeld algemeen voorkwamen. Dan gebeurde het wel dat iemand de ene dag wat aan een bedelaar gaf, maar de volgende dag zat hij er nog en dan gaf de weldoener niets. De bedelaar kreeg alleen te horen: ‘Ik heb je gisteren al wat gegeven.’ Zo doet de Heere Jezus niet. Hij vult de hand van de bedelaar, elke dag opnieuw. Er is in Hem een volheid die niet te ledigen valt.

Daar legt deze brief aan de Kolossenzen ook de nadruk op. De grondstrekking van deze brief van Paulus is de prediking van de rijkdom van Christus. Aan het uitdelen van Zijn schatten aan arme zondaren komt in dit leven nooit een einde. U vindt het ook in het eerste hoofdstuk, in het negentiende vers: Want het is des Vaders welbehagen geweest, dat in Hem al de volheid wonen zou.

 

Kom, volk des Heeren, op de knieën! Op de knieën, ook na het Avondmaal, om elke dag te bedelen om uit die volheid van Christus bediend ter worden met genade voor genade. Laat Hij het Element van uw leven zijn, waarin u zich beweegt met heel uw hart, met heel uw verstand en al uw gevoelens, begeerten en noden. Laat Hij het Element van uw leven blijven, naar Zijn eigen woord: Ik ben de Weg en de Waarheid en het Leven (Joh.14:6).

Deze Koning heeft door Zijn dood de oorzaak van uw eeuwige honger en kommer weggenomen, namelijk de zonde. Hoe waard is Hij het, dat u in Hem wandelt! Wat een heilige verplichting legt het Heilig Avondmaal op ons om de zonde te haten en te laten en te wandelen in een nieuwe gehoorzaamheid.

Het woord ‘wandelen’ krijgt niet het zwaarste accent in onze tekst, dat zagen we reeds, maar het staat er wel. Het hoort er wel wezenlijk bij. Wandelen is een activiteit. In dit geval gaat het om een heilige activiteit, om een wandelen naar Gods wet, om het  inrichten van ons leven naar Zijn geboden.

De zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en de Vader is deze: wezen en weduwen bezoeken in hun verdrukking, en zichzelf onbesmet bewaren van de wereld (Jak.1:27). Neem die twee dingen mee, gemeente. Hier komt de praktijk der godzaligheid in het bijzonder in tot uitdrukking: weduwen en wezen bezoeken in hun verdrukking en zichzelf onbesmet bewaren van de wereld.

 

Dit wandelen moet dan ook heel scherp onderscheiden worden van de zogenaamde wettische dwaalleer in Kolosse die de apostel even verder in vers 21 typeert: het ‘raak niet, smaak niet, roer niet aan’. Dat wettisch gekleurde christendom voerde - en dat was heel kenmerkend - van Christus af. Het bracht de mens bij de ceremoniële wetten, bij de feestdagen, bij de nieuwe manen. Het was geen christendom. Het was een schijnchristendom. Christus stond er niet centraal in.

Hoe vromer we zijn, gemeente, naar eigen inzicht, hoe minder er van Christus in onze ziel is en hoe armer we zijn. En hoe meer ik mezelf als een goddeloze leer kennen, hoe meer ik Hem als de volkomen Zaligmaker op de hoogste prijs leer stellen in mijn leven.

 

Wandelt alzo in Hém. Dat betekent dus telkens vragen: ‘Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal? Heere, wil mij met Uw kracht bedienen om tegen die en die zonde te strijden? Heere, onthoud mij de leiding van Uw Geest niet. Onderwijs mij toch in de weg die ik heb te gaan. Hoe zal ik met mijn buren omgaan? Hoe zal ik mij kleden? Hoe zal ik mijn talenten gebruiken zoals U het vraagt? Hoe zal ik mijn belastingbiljet invullen?’

Dat is wandelen in Hem. De ware christelijke wandel richt zich op Christus, op Zijn Woord. Zo’n christelijk leven leidt Gods kind naar de wet toe. Dan zeggen we met Psalm 119: O Heere, ik verlang naar Uw heil en Uw wet is al mijn vermaking (Ps.119:174).

 

Gemeente, vanmorgen viel er een ogenblik een zichtbare scheiding in het midden van ons. Velen van u zijn niet aan de bediening geweest. Bij de nabetrachting hoort ook dat u voor uzelf de reden overweegt waarom u niet aanging.

Zeg het eens tussen God en uw hart. Hebt u de Heere nog nooit gezocht? Gaat u nog altijd voort in uw onbekeerde leven? Bent u als een hond die net in de sloot gesprongen is, er aan de overkant weer uitklimt en vervolgens alle druppels water afschudt om weer door te rennen? Is dat uw beeld? Wel eens een indruk, maar verder gaat u mee in de jacht van het leven.

Mist u nog elk kenmerk van genade en moest u daarom blijven zitten? Bedenk wel dat de volle verantwoordelijkheid daarvoor bij u rust. Met uw afblijven hebt u ook een getuigenis afgelegd, namelijk dit getuigenis, dat u de Heere Jezus Christus niet door het geloof hebt aangenomen.

En als dat zo is, keer dan vandaag nog tot uzelf in. Zeg het nu eens: wat is een sterfelijk mens zonder Christus? Wat is er voor toekomstverwachting voor een jongen of meisje, man of vrouw, die de Heere niet kent? Dan zijn we mensen zonder hoop. Dan zullen wij met deze wereld ten onder gaan, indien wij ons niet bekeren. En daarom, de dag van het Avondmaal en van de nabetrachting was er ook voor u. Val toch de Heere te voet en vraag of Hij Zijn genadewerk aan u wil schenken.

 

Het is van tweeën één, gemeente: we zijn op de smalle weg of op de brede weg. We hebben deel aan Christus ontvangen of we staan er volkomen buiten. We leven in het licht of we leven in de duisternis. Heeft de Heere het niet Zelf gezegd: Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven, maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem (Joh.4:36).

Nooit genoeg kan worden onderstreept wat onbekeerd leven is. Onbekeerd leven is elke dag opnieuw leven onder de toorn Gods. O, zou dat u niet moeten aansporen om de Heere om waarachtige bekering te vragen?

 

Nu zullen er onder ons ook geweest zijn die geen vreemdeling zijn gebleven van het leven der genade. Ze hebben er weet van dat er een levende band in hun ziel is gelegd tussen de Heere en uw hart. Behoort u daarbij? En toch bent u niet toegetreden. De verfoeiing en de veroordeling van uzelf voor de Heere ontbrak niet. Was die hartelijke droefheid naar God over uw zonde niet een geestelijke werkelijkheid voor u geworden en waren er geen momenten dat u de Koning hebt mogen aanschouwen in het gewaad van het evangelie in Zijn middelaarsheerlijkheid? En toch bent u afgebleven.

U wordt in deze ogenblikken geroepen om daarop antwoord te geven tussen de Heere en uw ziel. Wel een betrekking ontvangen tot Christus en Zijn gerechtigheid, wel een arme zondaar geworden voor God, wel onszelf voor de Heere verootmoedigd, wel onszelf verfoeid voor Zijn aangezicht, en niet toegetreden…

Waarom bleef u af? Omdat de mensenvrees zo sterk was dat ze u als het ware aan de bank vastklonk? Maar dan was er in feite toch geen vertrouwen genoeg in uw ziel om uzelf onvoorwaardelijk, voor tijd en eeuwigheid, met lichaam en ziel, aan die gezegende Borg en Zaligmaker over te geven.

 

Er kunnen er ook onder ons zijn die zijn afgebleven omdat u een voorwaarde aan de Heere had gesteld. Er moest iets bijzonders gebeuren en als dat bijzondere in deze dienst zou plaatsvinden, dan zou u aan de bediening gaan en als het niet gebeuren zou, dan zou u blijven zitten. U stelde de Heere voorwaarden en Hij heeft uw voorwaarden niet vervuld. En daarom bent u afgebleven.

Waarom hebt u dat eigenlijk gedaan, voorwaarden gesteld aan de Koning? Als u dat hebt gedaan, dan hebt u niet genoeg aan het woord der belofte, aan het vaste, onwrikbare Woord van de levende God. Dan moet u zich schamen en verfoeien voor Zijn aangezicht, in het stof voor Hem bukken en uw zonde belijden dat u Hem op Zijn Woord niet van harte hebt vertrouwd.

 

Het kan ook zijn dat er vruchten van het nieuwe leven in ons bestaan gevonden worden en dat we moesten afblijven, omdat een verhouding niet goed is tussen u en tussen uw naaste. Wat is dat ook aangrijpend! Ook in dat geval make de Heere uw afblijven tot een hartelijke zielensmart. Hoe beschamend is het, dat dergelijke dingen een wig drijven tussen de Heere en tussen ons hart. Belijd Hem uw dwaasheid, uw klein geloof, uw ongeloof. Ga naar uw naaste. Hij, de Heere, wijst niet af die met waar berouw tot Hem de toevlucht nemen.

 

Gemeente, de gang naar de verbondsdis is een uiterst persoonlijke zaak. De Koning van de kerk kent elk van de gasten persoonlijk. Maar dat niet alleen. Hij overziet de tafel. Hij weet of er onder ons geweest zijn zonder een bruiloftskleed dat Hij heeft uitgereikt.

Als het bruiloftskleed ons ontbreekt, behoren we bij die mensen die wel over Jezus spreken, maar die Hem nooit door het geloof als dé Christus, als dé Heere hebben aangenomen. Als het bruiloftskleed ons ontbreekt, dan kunnen we ons best op een religieuze wijze presenteren, maar dan hebben we die dierbare persoon van de Heere Jezus nooit lief gekregen. Dan is Jezus voor ons een onbekende. Dan is de liefde tot Hem in ons hart niet uitgestort en zijn we toch aan de bediening gegaan. Soms om van de mensen gezien te worden. Dan hebt u inderdaad op een onwaardige wijze gegeten en gedronken.

Dan hebt u zich een oordeel gegeten en gedronken. Er staat niet - let daar op - hét oordeel. Dat staat er niet. Er is vergeving voor iemand die met een verkeerde gestalte tot de verbondsdis toetrad. Maar de Heere ontdekke u aan uw zonde en geve u waarachtige bekering.

 

Gods kinderen, in welke stand van het geestelijke leven ook, krijgen de persoon van de Heere Jezus Christus lief naarmate het geloof geschonken is. Wie de Heere kennen mag in de weg van de oprechte bekering, die zegt met Petrus: Heere, Gij weet alle dingen, Gij weet dat ik U liefheb. (Joh.21:17).

Sommige van u zullen mogen zeggen dat die liefde vanmorgen door de avondmaalsgang in uw zielen is verlevendigd en verwakkerd. U zegt: ‘Ik heb door het geloof Zijn sterkte mogen aangrijpen, maar ik word nu al bestreden. Wat te doen?’ Bedenk het grote doel van de instelling der sacramenten. Ze zijn door de Koning ingesteld om het geloof van de onderdanen, hoe zwak, hoe klein ook, te versterken, óók in de dagen na het Avondmaal.

En als nu de bestrijding in uw leven gekomen is, dan is hier het medicijn uit de apotheek van die gezegende Zaligmaker: Gelijk gij dan Christus Jezus, de Heere, hebt aangenomen, wandelt alzo in Hem!

Zeg dan: ‘Heere, ik heb vanmorgen de zegels van Uw trouw mogen ontvangen. O, verlaat mij toch niet. Begeef mij niet, nu de aanvechting op mij afkomt. Dierbare Christus, wil mij toch bij U houden, wil mij toch uit U bedienen door Uw Woord en Geest.’

 

Gemeente, als u zo na het Avondmaal met de betekenis van het sacrament werkzaam mag zijn, als u zo in Hem wandelen mag, moet de vijand wijken. Dan zal hij minder gelegenheid zien om u van de Heere af te trekken.

Jaag de heiligmaking na en de vrede Gods, zonder welke niemand de Heere zien zal. Versier uw leven met een godvruchtige levenswandel, door de kracht van Christus. Onderzoek de Schriften, want die zijn het die van Hem getuigen. Het Woord werpt als een lamp licht voor uw voet in het dagelijkse leven. Bezoek weduwen en wezen in hun verdrukking. Bewaar uzelf onbesmet van deze wereld.

Wandel hier in Hem. Dan zult u eenmaal met Hem, met alle heiligen, in witte klederen mogen wandelen.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 32: 4, 5

 

Gij zijt mij, Heer’, ter schuilplaats in gevaren;
Gij zult mij voor benauwdheid trouw bewaren;
G’ Omringt me, daar Gij mij in ruimte stelt,
Met blij gezang, dat mijn verlossing meldt.
Mijn leer zal u, o mens, naar ‘t recht doen hand’len,
En wijzen u de weg die gij zult wand’len;
Ik zal u trouw verzellen met mijn raad,
Terwijl mijn oog op u gevestigd staat. 


Wil toch niet stug, gelijk een paard, weerstreven,
Of als een muil, door domheid voortgedreven;
Gebit en toom, door ‘s mensen hand bestierd,
Beteug’len ‘t woest en redeloos gediert’;
Laat zulk een dwang voor u niet nodig wezen;
Wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen;
Maar wie op Hem vertrouwt, op Hem alleen,
Ziet zich omringd met Zijn weldadigheên.