Ds. W. Visscher - Filippenzen 4 : 18 - 20

Ware dankbaarheid

Het getuigenis van Paulus
De bemoediging van Paulus

Filippenzen 4 : 18 - 20

Filippenzen 4
18
Maar ik heb alles ontvangen, en ik heb overvloed; ik ben vervuld geworden, als ik van Epafroditus ontvangen heb, dat van u gezonden was, als een welriekende reuk, een aangename offerande, Gode welbehagelijk.
19
Doch mijn God zal naar Zijn rijkdom vervullen al uw nooddruft, in heerlijkheid, door Christus Jezus.
20
Onzen God nu en Vader zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 118: 1
Lezen : Filippenzen 4
Zingen : Psalm 68: 10, 16, 17
Zingen : Psalm 86: 6
Zingen : Psalm 89: 7

Gemeente, wij hopen op deze dankdag stil te staan bij Filippenzen 4 de verzen 18, 19 en 20. Wij gaan dit gedeelte eerst lezen:

 

Maar ik heb alles ontvangen, en ik heb overvloed; ik ben vervuld geworden, als ik van Epafroditus ontvangen heb wat van u gezonden was, als een welriekende reuk, een aangename offerande, Gode welbehagelijk.

Doch mijn God zal naar Zijn rijkdom vervullen al uw nooddruft, in heerlijkheid door Christus Jezus.

Onze God nu en Vader zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.

 

Dit gedeelte uit de Filippenzenbrief gaat over: Ware dankbaarheid.

 

We letten op twee gedachten:

1. Het getuigenis van Paulus (vers 18)

2. De bemoediging van Paulus (vers 19 en 20)

 

1. Het getuigenis van Paulus (vers 18)

 

Het is dankdag vandaag. We mogen op deze dag stilstaan bij de aardse zaken. Hoe gaat het met onze kinderen? Hoe is het met ons werk? Hoe is het in en om het huis? Wat zal de toekomst brengen? Zijn we gezond of misschien ziek? Worden we ouder en geeft dat vragen? Zo kunnen we nog een heel poosje doorgaan en op verschillende terreinen voor- en achteruitgang benoemen.

Dat kom je natuurlijk veel tegen in de wereld, maar ook in de kerk. Een nieuwe auto gekocht, op vakantie geweest, salarisverhoging gekregen, mooi bankstel gekocht. Zo kunnen wij dingen opnoemen die er zo het achterliggende jaar hebben plaatsgevonden in ons huiselijke leven en persoonlijk leven. Soms verdrietige dingen en soms mooie dingen.

 

Maar, gemeente, daar zitten wij niet voor in de kerk. Hier zitten wij voor geestelijke dingen. Ik hoop dat u daar ook weleens over nadenkt. Ik noem zomaar een paar dingen: Hebt u inzicht gekregen in het inwonende verderf? Dus wat er in uw en mijn hart huist. En heeft dat inzicht zich ook in uw leven verdiept? De Heilige Geest leert al Gods kinderen het diepe bederf dat ze meedragen. De grootste vijand van God en Zijn genade zit vanbinnen. De Kerk krijgt meer en meer een verdiept inzicht in het inwonend verderf.

 

Iets anders is, of u een geheiligd inzicht hebt ontvangen in de grootheid en de majesteit van God. God als de Schepper, maar ook als de Rechter. En dat wij die God met ons inwonende verderf een keer zullen ontmoeten. Zijn er momenten geweest de afgelopen periode tussen biddag en dankdag, dat dit ook voor u persoonlijk is gaan wegen?

Ik zeg dat nu even, omdat wij in een tijd leven waarin het eeuwigheidsbesef, het besef dat wij God gaan ontmoeten, minder wordt. Wij zijn druk met aardse dingen en daardoor verschuift de kennis van de eeuwige dingen naar de rand van ons leven. Het gesprek daarover is moeilijk en moeizaam, op huisbezoek bijvoorbeeld. Dat is natuurlijk ernstig, want we kunnen elk moment sterven en God ontmoeten. En dan is verzoening nodig.  

Hebben wij dan inzicht in de grootheid van God? Heeft zich dat ook verdiept in ons leven? Ik moet dit met klem tegen u zeggen, omdat het erg belangrijk is. Het klinkt eenvoudig, maar het is waar. Waar de Heere werkt, is er altijd opwas te bemerken.

 

Dan nog het voornaamste, waar het voor ons allen echt op aankomt: hebben we ooit een gezicht ontvangen in de noodzakelijkheid, de gewilligheid, de schoonheid, de onmisbaarheid, de dierbaarheid en de algenoegzaamheid van de Heere Jezus Christus?
Laat ik het nu eens beperken tot de noodzakelijkheid. Als God ons stilzet, dan gaat vanaf dat moment de noodzakelijkheid van Christus wegen in ons leven. Want de Bijbel zegt: Die de Zoon heeft, die heeft het leven; die de Zoon niet heeft, die heeft het leven niet (1 Joh. 5:12). Dat lijkt beetje streng wellicht, maar dat is toch waar het op aankomt voor de eeuwigheid.  

Maar kunnen we daarover dan niet heel erg tobben? Dat kan zeker, gemeente, maar we moeten wel proberen elkaar de Bijbelse dingen voor te houden. Als ik mij niet vergis, dan leert de Heere Zijn kinderen in dit leven meer en meer die noodzakelijkheid, in leven en in sterven, van de Middelaar verstaan.

Ten slotte: waar heeft het ons uiteindelijk dan gebracht? Dan kunnen wij over die dingen praten (dat is op zich niet verkeerd), maar waar brengt het ons? Dingen kunnen ons omhoog brengen, zij kunnen ons trots of eigenzinnig maken, maar kunnen ons ook heel diep vernederen, verootmoedigen of doen verwonderen.

 

Kijk, en dat zien wij in onze tekst, als de apostel Paulus in vers 18 opschrijft: Maar ik heb alles ontvangen. Dat is zo’n mooi zinnetje in de Bijbel. Dit kan je ontroeren tot in het diepst van je ziel, ook bij het nadenken over de stof van deze preek. Want hierover gaan wij nadenken.

Ik heb alles ontvangen. Wij gaan proberen uit te leggen hoe de apostel Paulus met heel weinig woorden de kern weergeeft van het nieuwe leven. Het leven voor de Heere en Zijn heerlijke dienst, dat is een leven van het geschonken goed. Dankdag is erkennen dat we alles van de Heere hebben ontvangen. Wat is dat een gezegend werk! Laten we dat maar veel doen. Liefst op onze knieën. Dan krijgt God de eer.

Waar gaat het over in onze tekst? Vanaf vers 10 van Filippenzen 4 wil Paulus de Filippenzen bedanken. Deze gemeente is gesticht op de tweede zendingsreis. In Filippi wonen Lydia, de stokbewaarder met zijn gezin, en Epafroditus. Deze laatste naam lezen wij ook in vers 18. In vers 2 lezen we over Euódia en Syntyche. We horen ook van Clemens, in vers 3.

Er is in Filippi een klein groepje mensen die een gemeente vormen. Een gemeente te midden van het heidendom. Het waren niet veel mensen, maar wel mensen die oprecht de Heere Jezus liefhadden.

Wat een wonder dat de Heere daar Zijn kerk heeft gebouwd, en dat Hij daar ook vandaag mee doorgaat. Christus is een eeuwig Koning Die zonder onderdanen niet zijn kan.  

Nu hebben deze mensen in Filippi door de Heilige Geest Paulus een- en andermaal wat gestuurd. Een pakketje, zouden wij zeggen, met misschien een kledingstuk, of met wat eten en geld. Het kan ook schrijfgerei zijn geweest. Het stelde in onze ogen niet zo heel veel voor, maar Paulus is er heel verwonderd over: ‘Maar ik heb alles wat u gestuurd hebt, ontvangen.’

Paulus zegt vlak voor deze tekst ook een aantal dingen over tijdelijke zaken. In vers 12 schrijft hij: Ik weet vernederd te worden, ik weet overvloed te hebben; alleszins (in allerlei opzichten) en in alles ben ik onderwezen, beide verzadigd te zijn en honger te lijden, beide overvloed te hebben en gebrek te lijden. Ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft. Dat ziet op de tijdelijke dingen.

Terwijl hij in Rome gevangen zit, komt Epafroditus een klein pakketje brengen uit Filippi. Paulus doet het open. Mogelijk vloeien de tranen van verwondering uit zijn ogen. Er wordt in Filippi aan hem gedacht en met hem meegeleefd. Dan schrijft hij op: Maar ik heb alles ontvangen, en ik heb overvloed.

 

Waarom besteedt Paulus daar zoveel aandacht aan in deze brief? Waarom schrijft hij niet meer over Christus, over de Heilige Geest en over het toepassende werk? Waarom vanaf vers 10 tot en met het einde over hetgeen die mensen hem hebben gestuurd?

Gemeente, wij zijn vaak van die oppervlakkige Bijbellezers. We begrijpen de diepte van kleine dingen niet goed. De apostel zit in Rome gevangen. Dan komt Epafroditus helemaal uit Filippi. In Filippi waren het geen vermogende mensen. Zij moesten zelf ook met heel weinig rondkomen. Het waren mensen die zelf ook honger leden, slaven vaak. Van hun armoede sturen zij een- en andermaal de apostel wat geld en kleding.

Weet u waarom de apostel daar zo verwonderd over is? Hij zit zelf gevangen en kan dus het Evangelie niet preken. Hij kan die gemeente alleen nog met een brief bereiken. Hij weet dat de mensen in Filippi leven in een zondige stad. Wij zouden mogelijk denken: het gaat helemaal mis. Er komt van die gemeente in Filippi niets terecht. Dan krijgt Paulus een pakketje, en hij weet dan dat dit een vrucht is van het goede werk dat de Heere daar is begonnen. God staat ervoor in dat het voortgaat en dat de gemeente wordt gebouwd.

 

Want deze mensen doen dat niet zomaar. Zij hebben hoogachting en eerbied. Er is liefde voor de apostel en zijn werk. Die mensen doen dat omdat het werk van de drie-enige God gestalte heeft gekregen in hun leven. Paulus ziet in de simpele goederen en de mensen die dat hebben gestuurd, het werk van de drie-enige God. God de Vader heeft deze mensen uit Filippi uitverkoren. God de Zoon heeft hen getrokken uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht. Christus is hun Borg en Zaligmaker geworden. En in de derde plaats heeft God de Heilige Geest hen levend gemaakt. Het nieuwe leven hebben ze van Gods Geest ontvangen. Door het wondere werk van Gods genade zijn zij in plaats van op zichzelf gericht, op een ander gericht. Op de apostel en op zijn evangelieboodschap. Paulus is er verwonderd over, dat het werk van God in Filippi ongehinderd voortgaat.

 

Maar ik heb alles ontvangen. Daar zit verwondering en verootmoediging in over Gods weg en werk. De Heere gaat door alle onmogelijkheden heen en brengt Zijn werk tot stand. Daar heeft Hij Paulus niet voor nodig. Hoewel Paulus wel gebruikt is, is en blijft de opbouw van de gemeente Gods eigen werk. Daarover is Paulus met dankbaarheid vervuld.

Dankbaarheid gaat altijd in de eerste plaats gepaard met verwondering. Verwondering over Gods werk. Soms lijkt dat werk heel gering. Het kan misschien heel alledaags lijken en voor ons niet goed na te rekenen.

Gemeente, onthoud één ding: ware dankbaarheid kan niet zonder verwondering.

 

Is het voor ook u weleens een wonder dat u in de kerk mag zitten? Dat God u nog niet zat geworden is en u niet bent weggestormd van voor Gods aangezicht? Kennen wij die verwondering, dat God naar een man als Paulus, die nota bene een moordenaar, een afbreker was van Gods gemeente, om heeft willen zien? Hij mocht in Filippi het Evangelie brengen en God heeft de stokbewaarder, Lydia, en anderen bekeerd. Door Gods genade kwam er een levende gemeente. Dat werk begint God en zet Hij voort. Vandaar die verwondering in het leven van de apostel.

 

In de tweede plaats lezen we in onze tekst: Ik heb overvloed; ik ben vervuld geworden, als ik van Epafroditus ontvangen heb wat van u gezonden was.  

 

Ik heb overvloed; ik ben vervuld geworden. Overvloed? Hoe moeten we dat verstaan? Heeft Paulus dan zoveel gekregen? Het was zeker geen container vol met spullen, echt niet. Epafroditus heeft het de lange reis mee kunnen nemen, dus het was eigenlijk maar heel weinig. Dan staat er tóch: Ik heb overvloed; ik ben vervuld geworden.

Gemeente, weet u wat Paulus daarmee zegt? Het heeft hem innerlijk bijzonder verblijd. Ik zeg het misschien eenvoudig, maar het komt in deze brief als thema voortdurend weer terug.

 

Want u moet niet vergeten dat de apostel in Rome gevangen zit. Voor Paulus is het niet gemakkelijk, hoewel de Heere die gevangenschap wel gebruikt. Er was nooit één Jood die toegang had tot het huis van de keizer Nero, maar nu is er elke dag een soldaat bij Paulus. Waarschijnlijk een soldaat van de Praetoriaanse garde; dit waren de soldaten die de keizer bewaakten. Paulus heeft aan deze soldaat verteld waarom hij gevangen zit en wat het Evangelie is. Dit heeft vrucht gedragen. Wij lezen namelijk in vers 22: Al de heiligen groeten u, en meest die van het huis des keizers zijn. In het huis van de keizer waren ook wonderen gebeurd. Er werden daar mensen bekeerd.

 

Ondanks dat Paulus gevangen zit onder niet gemakkelijke omstandigheden, is hij door dit geschonken goed verblijd. Dat is natuurlijk geen aardse, maar geestelijke blijdschap.

 

Gemeente, dat hoort ook bij de ware dankbaarheid. Dan komt er een innerlijke vreugde, door de Heilige Geest gewerkt, in je ziel. Dat de Heere nu zo goed is voor zo’n zondig mens als ik ben en blijf. ‘Maar ‘t vrome volk, in U verheugd, zal huppelen van zielenvreugd…’

Bent u weleens blij over Gods werk in deze wereld? Kent u die verwondering, dat de Heere ondanks alles doorgaat? Begrijpen wij nog dat David, toen hij de ark opbracht naar Jeruzalem, huppelde van zielenvreugd? Michal, zijn vrouw, begreep het niet. Zij keurde het af. Een huppelende koning, dat is toch beneden zijn waardigheid? David begreep de ware dankbaarheid. Hij wilde zich nog meer verootmoedigen voor de hoge God.

 
In de derde plaats is er bij Paulus blijdschap. Als wij opnieuw naar de tekst kijken, dan zegt Paulus: als een welriekende reuk, een aangename offerande, Gode welbehaaglijk. Dat zijn moeilijke woorden: welriekende reuk. Het brengt ons bij het reukoffer. In de tempel werd elke dag reukwerk geofferd. Dat reukwerk was een schaduw voor de gebeden. Ook het gebed van Christus is een welriekende reuk tot God de Vader. De kanttekenaar wijst ook op de offerdienst, en dat is een welriekende reuk die Gode aangenaam is.

Paulus wijst erop dat de zending van deze goederen de Heere aangenaam is. Het is vrucht van Gods eigen werk. Door deze offerande en door wat Paulus schrijft, wil Hij daartoe meer en meer dankbaarheid verwekken.

 

Gemeente, dankbaarheid is een opmerkelijke vrucht van het werk Gods. Het heeft in zich om toe te nemen. Het is niet zo dat iemand dankbaar is, dan weer een hele tijd niet en daarna weer af en toe een klein beetje. Nee, de Heere Jezus heeft het vergeleken met de wijnstok. Aan die wijnstok groeien vruchtdragende ranken. Het kenmerk van zo’n rank is dat hij vrucht voorbrengt. Dat is ook zo bij een appelboom. Dat is nu ook het kenmerk van de ware dankbaarheid. Het is een beginsel, een drang waardoor de Heere Jezus in het leven van Zijn kinderen de vruchten van geloof en bekering tot stand brengt.

Dankbaarheid gaat altijd gepaard met ijver. IJver om in de geboden en de wegen van de Heere te wandelen en Zijn inzettingen te onderhouden. Iemand die oprechte dankbaarheid beoefent, gaat bijvoorbeeld graag naar de kerk. Dat is echt een kenmerk daarvan. Die heeft ook een groot verlangen naar onderwijs uit de Bijbel en zoekt vaak de binnenkamer op. Het gebed is het voornaamste stuk van de dankbaarheid. Daar hoeven mensen niet over te praten. Het is een zaak tussen de Heere en je ziel.

 

Dan staat hier in de Bijbel dat het Gode welbehagelijk is. Er zijn veel dingen op de aarde waar God over toornt. Er zijn echter ook dingen waar de Heere over verblijd is. Bijvoorbeeld over een zondaar die zich bekeert. De mensen uit Filippi zonden aan Paulus een pakket waarin hun liefde en betrokkenheid bleek tot de boodschap van de apostel. Paulus zegt: Dat is God aangenaam. Daar zijn de engelen verblijd over en daar is God verheugd over. Is dat geen geweldige aansporing tot een oprecht en eerlijk leven?

Want Gods ongenoegen komt over de zonde. Wij krijgen God tégen als wij alleen maar voor onszelf leven. Wij krijgen de Heere méé wanneer wij in afhankelijkheid van Christus, in alle bescheidenheid, onze weg mogen gaan. Het staat ook in de psalmen: Let op de vrome en zie naar de oprechte, want het einde van die man (of vrouw) zal vrede zijn (Ps. 37:37). Het staat ook in Psalm 1: De Heere kent de weg der rechtvaardigen, maar de weg der goddelozen zal vergaan (Ps. 1:6).

 

De ware dankbaarheid kent drie belangrijke zaken: verwondering, blijdschap en ijver. Kent u deze zaken op geestelijke wijze? Of zegt u: ‘Nee, dat is voor mij toch wel een beetje vreemde taal. Ik vind het eigenlijk wel oppervlakkig wat Paulus allemaal schrijft over het ontvangen van enkele aardse goederen. Moeten we ons dáár nu over buigen? Waarom heeft de Heilige Geest dit op laten schrijven? Komen wij zo niet op een verkeerd spoor terecht?’

Gemeente, het staat in de Bijbel om eruit te leren. De grote les die wij moeten leren is: de boom wordt uit de vrucht gekend. Ga nu eens terug naar uzelf. Wat heeft u het afgelopen jaar geleerd, over wie u bent, over Wie God is, over Wie Christus is? Als het nu gaat over het leven in de afhankelijkheid met God, kunt u dan de vruchten van het nieuwe leven aanwijzen in uw leven? Is er blijdschap en vrede in de Heere? Of moeten we eerlijk zeggen dat we leven voor onszelf en de wereld? O, bekeert u dan en leeft!

 

Laten we eerst samen zingen, Psalm 86 vers 8:

 

Maar Gij, Heer’, Gij zijt lankmoedig,

Zeer barmhartig, overvloedig

In genâ, die ons behoedt,

Groot van waarheid, eind’loos goed.

Wend U tot mijn ziel genadig;

Sterk Uw knecht, en geef weldadig

Ondersteuning aan de zoon

Uwer dienstmaagd, van de troon.

 

Gemeente, Gods kinderen komen in de hemel alleen op grond van de gerechtigheid van Christus. Nergens anders om. Niet omdat het van die nette mensen zijn, of de waarheid zo goed kennen, of allerlei andere dingen. De gerechtigheid van Christus wordt door God geschonken en door het ware geloof aangenomen. Als een mens dat niet aanneemt, dan is de mens straat- en straatarm in zichzelf. Nooit is een mens gerechtvaardigd voordat hij dat heel persoonlijk weten mag.

Een geredde zondaar is ook een heel klein mensenkind. Die komt overal onder. Die kan bukken en klein zijn voor God en mensen. Hij of zij is zo klein, dat hij bij wijze van spreken in een vingerhoed past.

 

Wij moeten allereerst onthouden dat wij alleen in de hemel komen op grond van de gerechtigheid van Christus. Dit is dan door het ware geloof persoonlijk mijn deel geworden. Dat noemen we de leer van de rechtvaardiging van de goddeloze. Het is de kern van het Evangelie van de gekruisigde Christus.

In de tweede plaats: de weg naar de hemel is de weg van de ware dankbaarheid. Dat is het zorgvuldige, gehoorzame, afhankelijke leven. Dit moeten wij ook goed onthouden. Iemand die goddeloos leeft en hierin volhardt, is niet op weg naar de hemel. Die is op weg naar de hel. Wij moeten dit gewoon maar tegen elkaar zeggen. Je kunt natuurlijk veel praten en redeneren, maar het is echt zo. De mens die naar de hemel gaat, bewandelt de weg van de ware dankbaarheid.

Rechtvaardiging en heiliging kunnen we onderscheiden, maar we mogen het nooit scheiden. De geredde zondaar leidt een godzalig leven. De weg naar de hemel, die al Gods kinderen bewandelen, wijst Paulus in vers 18 aan. Natuurlijk struikelen wij op die weg, dagelijks. Het inwonende verderf is machtig, maar dat neemt het verlangen van het nieuwe leven niet weg. Er is een diep en oprecht verlangen om voor de Heere te leven omdat Hij het waard is.

 

2. De bemoediging van Paulus (vers 19 en 20)

 

Nu gaat Paulus in de tweede plaats de gemeente bemoedigen. Want u moet niet vergeten dat het in Filippi beginnende gelovigen waren. Zij woonden daar in een heidense omgeving. Vaak zullen zij met de nek aangekeken zijn en dat was niet altijd gemakkelijk. Zeker niet om te volharden.

Bovendien hadden zij nogal wat problemen. In vers 2 lezen we over een Euódia en een Syntyche, vrouwen met waarschijnlijk nogal een verschillend karakter. Deze mensen hadden wellicht wat stekeligheden naar elkaar toe. Paulus zegt dan: ‘Ik vermaan u dat gij eensgezind zijt.’

Zo zijn er dus in Filippi ook problemen. Daar had je allerlei afgoden. In Italië vereerden ze Romeinse goden zoals Jupiter. In Griekenland vereerde men Zeus en er waren nog een heel stel andere afgoden. Dan zegt Paulus: ‘Wat bent u gelukkig dat u God mag dienen.’ Tegenover al die moeiten en het heidendom om zich heen, gaat hij hen bemoedigen, onderwijzen en aansporen, door in vers 19 en 20 wat te zeggen over de God van de Bijbel. Dat is de God Die we mogen dienen en liefhebben. Het is de God van alle genade.

 

Wat kunnen wij nu vandaag over de God van de Bijbel zeggen? Hij is een heilige God, dat weet u, maar Hij is ook rechtvaardig. Die God toornt over de zonde. Dat kunnen we niet genoeg onderstrepen. Tegelijk wordt er hier in onze tekst gezegd Wie deze God is voor Zijn kinderen.

Mijn God, zegt Paulus. God Die over hem waakt en hem gegrepen heeft op de weg naar Damascus. Hij waakt daar in Rome voor en over hem.

Nadat Paulus gezegd heeft: Mijn God, schrijft hij over Wie de Heere is voor Zijn Kerk en Zijn kinderen. Dus op reis door deze wereld, in het vreemdelingschap, zegt hij Wie de Heere wil zijn voor Zijn Kerk en kinderen. Dat zeg ik uitvoerig, opdat onbekeerde mensen wat jaloers worden en Gods kinderen nog eens worden aangespoord om Zijn weg te blijven bewandelen en daarin te volharden. Want de weg der bekering is een goede weg. De smalle weg, die naar boven leidt, is de allerbeste weg waarop een mens kan wandelen. Echt! Een betere weg is er in heel de wereld niet te vinden.

 

Dan zegt Paulus in de eerste plaats in vers 19: Mijn God zal naar Zijn rijkdom… De God van de Bijbel is een rijke God. God is schatrijk. Heel de hemel en de aarde zijn van Hem. Hij heeft alles wat wij voor het tijdelijke nodig hebben. Deze God heeft ook alle dingen die nodig zijn voor het geestelijke leven. U kunt het niet bedenken of het is in deze God te vinden. Vergeving voor schuldigen, redding voor verlorenen, maar ook oordeel over onrechtvaardigen. Alles is in deze God te vinden.

De Bijbel vertelt ons uitvoerig over de rijkdom van de God van Israël. Daar kunnen al die zielige afgoden van de heidenen niet tegenop. Het zijn stukken goud en steen. Dat is zo triest eigenlijk. Ook vandaag aan de dag kan alles van deze wereld er niet tegenop, wat bij deze God te vinden is. Wat bij deze God is te verkrijgen, is eeuwig en altoos. Daar weten Gods kinderen ook van in hun leven. De Bijbel vertelt er ook over. Bijvoorbeeld in Psalm 18: Met U loop ik door een bende, en met mijn God spring ik over een muur (Ps. 18:30). In God zijn er zoveel verborgen rijkdommen.

 

Dan moeten wij daar wel eerlijk in zijn. De rijkdommen die God heeft zijn beschikbaar door Christus, maar de meeste mensen willen deze schatten niet hebben. Ze hebben Christus niet nodig, omdat ze niet zijn ontdekt aan de geestelijke nood in hun leven. Zij wijzen door ongeloof Zijn gaven af. Dat is het allerergste wat u kunt doen. Dit is echter de dagelijkse praktijk van een natuurlijk mens. Hier is geen onderscheid tussen een godsdienstig mens of een werelds mens. Hij heeft Christus niet nodig. Aangrijpend. Een aangeboden Zaligmaker verwerpen, dat is het ergste wat we kunnen doen.

Toch wandelt de Heere ons na. Hij zegt: Mijn zoon, geef Mij uw hart (Spr. 23:26).U kunt toch alleen maar schuilen bij Mij.’ Christus kwam op de aarde om zondaren zalig te maken. Is er een groter wonder denkbaar dan de vleeswording van het Woord? Dat God, de hemelse Vader, Zijn eigen Zoon gegeven heeft om vijanden met Hem te verzoenen, dat is toch niet te begrijpen?

Het Evangelie is ook helemaal niet te begrijpen. Het Evangelie wordt geproclameerd. Paulus heeft de rijkdom van het Evangelie gewoon maar verteld. Johannes de Doper heeft het gezegd: Zie, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt (Joh. 1:29). De Heilige Geest heeft het gebruikt om mensen stil te zetten, jaloers te maken en te doen zoeken de dingen die boven zijn.


In de tweede plaats: vervullen al uw nooddruft, in heerlijkheid. Dat betekent dat God ook een gevende God is. God heeft alles: het vee op duizend bergen, het zilver, het goud, geestelijke en tijdelijke weldaden. Alles wat ontbreekt is bij God te krijgen. Zou God dat nu ook willen géven? Paulus schrijft aan de Filippenzen: vervullen al uw nooddruft. Alles wat u nodig heeft, wil God rijkelijk uitdelen.

Het is een wonder dat God dit doet voor mensen die het niet verdienen. Ook aan Zijn kinderen, die elke keer weer tegenvallen. Hij zoekt hen iedere keer maar weer op en zegt: ‘Ziet, hier ben Ik, Ik ben uw heil alleen.’ Wij kunnen ons over de gezindheid van God tot vergeven geen goede voorstelling maken. Het wordt ons in de Bijbel gezegd. Bij Hem is veel verlossing, zo lezen we in Psalm 130 vers 7. In Jesaja 55 staan er ook van die indrukwekkende dingen, hoe God nu aan Zijn kinderen alles geeft. Ook voor het tijdelijke.

Let nu even op. God geeft niet wat wij allemaal graag willen. God gaat soms een andere weg en heeft daar ook Zijn eigen bedoelingen mee. God geeft wat voor ons nodig is. Bij ouders die kinderen opvoeden, is dat ook zo. Je geeft je kinderen natuurlijk niet elke dag snoepgoed. Je geeft hun goed brood en melk, zodat ze gezond voedsel krijgen. Zo is het nu ook bij de Heere. Hij geeft wat nodig is in nooddruft, in het tijdelijke en in het eeuwige. God zorgt echt voor Zijn kinderen.

Paulus zegt dit zo: Ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft. ‘Ik weet honger te lijden, ik weet overvloed te hebben.’ De Heere zorgt. God geeft uit Zijn volheid en dat valt niet tegen. Nee, wij vallen tegen, maar God niet.

 

Jong, oud, denk toch niet dat het bij God niet te krijgen is. God deelt het uit! Weet u waar het probleem zit? Bij uzelf! Wij willen het vaak niet hebben. Van nature wil niemand het hebben. Alhoewel de Heere het uitdeelt zonder prijs, wijn en melk. Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen geen brood is, en uw arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan? (Jes. 55:1-2). In de Openbaring lees ik dat de Heere als een Koopman staat op de markt van vrije genade: ‘Ik raad u dat u van Mij koopt goud, ogenzalf, witte klederen…’ Wat heeft u nu nog meer nodig? Het is uit genade beschikbaar.  

De Heere echter dringt met Zijn kracht door in het hart van zondaren. Dan gaat het gesloten hart open. En wat gebeurt er dan? Dan belijden we: ‘Wee mij dat ik zo gezondigd heb!’ Maar dan schenkt de Heere Zich ook weg. En dan hebben we in Hem alles. Dan doet de Heere wonderen, wonderen van genade.

 

Als God het voor het eerst gaat uitdelen in uw of jouw leven, hoe zou dat gaan? Gemeente, dan is het meestal zo dat de Heilige Geest je eerst stilzet. Je zit in de kerk te luisteren en dan komt de eeuwigheid in uw leven. U moet sterven en kunt niet sterven. Dan gaat u meestal verslagen de kerk uit. Dit kan een poosje duren. Bij sommigen enkele weken, bij een ander een half jaar of twee jaar. Dit is van persoon tot persoon verschillend. Het is de leiding van de Heilige Geest. Dan geeft God ontdekkende genade. Dat wij niet meer in de eerste plaats zitten te graven in deze wereld en ons bezig houden met godsdienst. Maar het gaat om: hoe zal ik rechtvaardig verschijnen voor God? Ontdekkende genade is ook heel persoonlijk.

In de tweede plaats schenkt de Heere dan menigmaal onderwijzende genade. Wat is onderwijzende genade? Nu, dan laat de Heere iets zien van de weg ter ontkoming. De aandacht wordt dan gericht op de Persoon van de Middelaar, Jezus.

 

Gemeente, nu ga ik iets zeggen waar u misschien nog eens goed over na moet denken. Er zit iemand in de kerk en die kan niet meer bekeerd worden. Die kan niet meer zalig worden, en hij ligt helemaal overhoop met zichzelf. ‘s Nachts kan hij er niet meer van slapen. Het knaagt vanbinnen, alles ligt overhoop. Voor het eerst, maar dat kan ook opnieuw.

Weet u waar zulke zielen zo blij mee zijn? Als ze kunnen zeggen: ‘Ik hoor nu van de dominee dingen die ik ook beleefd heb, ik geloof dat ik toch wel een beetje op de goede weg ben’? Ach nee, ze zijn niet op de goede weg. Dat is de ernst van hun leven.

Weet u waar een echt bekommerde ziel zo blij mee is? Als hij hoort van het Kind in de kribbe. Dat er een Zaligmaker kwam voor zondaren. Er is er Eén gekomen in deze wereld Die gezegd heeft dat de hoeren en tollenaren u voor zullen gaan in het Koninkrijk Gods. Dat God vijanden door Christus met Zichzelf verzoent. Dat bij deze Middelaar alles te krijgen is wat nodig is. Dan hoor je soms iets van de gewilligheid, de schoonheid, de noodzakelijkheid en de heerlijke Namen van deze Middelaar: Jezus, Christus, Heere, Zoon van God en Zoon des mensen. Hij is de Enige onder de hemel door Dewelke wij moeten zalig worden.

Als daar van gehoord wordt, dan lopen soms de tranen van verlangen, de tranen van gemis, de tranen van hunkering over de wangen. Zou het dan nog kunnen? Zou die God naar zo één als ik ben willen omzien? Ik ben het toch niet waard? Ik heb het toch niet verdiend? Kijk, zo begint menigmaal het zicht op de verlossing. Dat het bij Christus kan voor de grootste der zondaren…

 

En nu nog iets, gemeente. De Heilige Geest gaat leren wat genade is. Daar moeten wij niet een of andere theorie op loslaten, maar het is echt praktijk. Weet u wat genade is? Dan raakt u, geestelijk gezien, alles kwijt. Dan kunt u niet zalig worden omdat u lid bent van de kerk. Dan kun je niet zalig worden omdat je goed kunt bidden. Dat wordt het allemaal minder, dat goede bidden. Dan kun je niet zalig worden omdat je in de Bijbel leest. Je kunt ook niet zalig worden omdat andere mensen tegen je zeggen: ‘Misschien ben jij wel een kind van God.’ Nee! Je kunt alleen maar zalig worden als er een wonder van Godswege plaatsvindt.

Bij mij kan het nooit meer. Ik heb het zo verknoeid en verkondigd. Maar die God,  alhoewel ik het niet begrijp en het ook niet waard ben, die God wil naar zo’n verloren mens omzien. Die Christus raapt persoonlijk een zondaar op, en Hij geeft een geloofszien op Zijn Persoon. Heerlijke wetenschap! Dat is nu een openbaring van de Middelaar.

 

Dan gaat de Persoon van de Middelaar schitteren voor uw zielsogen. Dat is de hand des geloofs, die de geschonken Middelaar persoonlijk aanneemt. Als dat voor het eerst geschiedt, dan komt de hemel op aarde. Dan loop je wenend van vreugde over de wereld. God is goed! God is zo goed! Naar zo één omgezien, die het niet waard was opgeraapt te worden. Het vrome volk, in U verheugd, zal dan huppelen van zielenvreugd, daar zij hun wens verkrijgen. Dan ga je heel de wereld toeroepen: ‘Kom, ga met ons en doe als wij!’

Dat is nu de gevende God, Die in Christus uitdeelt aan wederhorigen. Hij is ten slotte ook een genadige God.

 

Wat gaat God dan uitdelen? Nu, kijk maar: door Christus Jezus. Dan spitst Paulus het toe op de geestelijke weldaden. Dit kun je vergeving, verzoening, vernieuwing, bewaring of verzekering noemen. Allemaal dingen die in de Bijbel worden genoemd en die wij nu verder niet gaan uitwerken.

Gemeente, de God over Wie Paulus spreekt, is een rijke God. Hij is een gevende God en ook een genadige God.

 

Paulus besluit met: Amen. Het is waar en zeker. Wat Paulus zegt in vers 18 over die échte dankbaarheid en wat hij aanstipt in vers 19 over de bemoediging, is waar en zeker. Wat hier staat is waar en zeker. Daar kan geen twijfel aan zijn. De Heere volvoert Zijn raad. En Gods kinderen zullen straks ingaan in de eeuwige heerlijkheid, om daar God, in Christus, groot te maken, eeuwig en altoos.

 

We gaan eindigen met een korte toepassing. Het is vandaag dankdag. Misschien hebt u maar een beetje geluisterd, en moet u zeggen dat het leven der dankbaarheid u zielsbevindelijk onbekend is. Dat is heel erg, want dan wandelt u op de brede weg. Ik kan maar één ding zeggen van die brede weg: deze eindigt in een naar verderf. God laat u uit liefde daarvoor waarschuwen. Zoek dan de Heere en leef! Begin er vandaag mee. Zeg maar gewoon tegen de Heere: ‘Nu heb ik in de kerk gehoord dat ik U moet zoeken.’ En houd vol. Ga zoeken! Doe dat biddend, doe dat in de Bijbel, en stop daar niet mee.

Maar een mens kan zichzelf toch niet bekeren? Dat weet ik ook. Daarom zond God Zijn Zoon naar de wereld, om ongelukkige stakkers te onderwijzen en ongelukkige mensen de goede weg te wijzen. Maar houd vol aan de troon der genade! Houd net zo lang vol tot u het niet meer weet en zegt: ‘Heere, hoe moet het dan met mij, die al zo lang in de kerk zit en aan wie U al zoveel moeite besteed hebt?’

Ik hoop dat God in Zijn genade u laat zien dat het bij Hem kan. Bij God vandaan, zeggen we dan. Bij Hem is nog uitkomst. Denk er om, jong, oud, bij die God is er uitkomst! Ook voor onbekeerde mensen.


In de tweede plaats zit u misschien wel als een aangeslagen mens in de kerk. Ik zeg bewust niet: als een arm mens. Want een arm mens, gemeente, dat is iemand die niets meer van zichzelf heeft. Weet u wanneer je niks meer van jezelf hebt? Als Christus alles is. Ik geloof dat er in de hemel alleen maar arme mensen zijn. Straks bij de hemelpoort staan zij daar, zo arm, zo arm. Er is niks meer van hen over. Alles is hun ontvallen.

Met een aangeslagen mens bedoel ik iemand die onrustig is. Iemand die zomaar niet verder kan leven. Die heilig ontdekt wordt aan zijn zonden, maar ook ontdekt wordt aan al zijn waanideeën dat het allemaal meevalt en dat het toch wel goed gaat en dat hij het wel goed meent.

Gemeente, dat moet een keer anders worden: omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd, geen kant meer op kunnen. Dat je met alles wat er was, niets anders dan schuld overhoudt. Dat er bij God vandaan een oplossing moet komen.

En echt, gemeente, onthoud dat, daar werkt de Heere ook naartoe. Wij kunnen u geen rust geven in een aangeslagen gemoed. Als u gaat sterven, telt dat allemaal niet. Daar kunt u de hemelpoort niet mee door, echt niet. Hoe indrukwekkend wellicht ook.

 

Aan de andere kant is het zo groot als u iets mag leren van de ware dankbaarheid. Dan heeft de grote God naar u omgezien. Misschien voor uzelf een beetje op een afstand of nog niet helemaal helder. Dat kan allemaal. Maar hebt u dan ook gezien, door het geloof, wat er in die kostbare Parel ligt? O, heb u die gezegende Heere Jezus zo persoonlijk mogen omhelzen? Wat is dat groot en rijk! Wat komt er dan verwondering en verootmoediging. U zult het niet klein kunnen krijgen dat die gezegende Heere Jezus voor u uit de hemel naar de aarde kwam. Dat Hij voor u rondwandelde op deze wereld en aan het kruis is gestorven. Dat Hij Zichzelf heeft gegeven tot een rantsoen voor velen.

O, bij Hem is alles, en van Hem is veel te leren. Steeds weer en steeds meer. En dat zijn dan ontvangen gaven.

Maar ik heb alles ontvangen. Uit genade en tot Gods eer. Om Jezus’ wil.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 89:7

 

Hoe zalig is het volk dat naar Uw klanken hoort!

Zij wand’len, Heer’, in ’t licht van ’t Godd’lijk aanschijn voort;

Zij zullen in Uw Naam zich al den dag verblijden;

Uw goedheid straalt hun toe; Uw macht schraagt hen in ’t lijden;

Uw onbezweken trouw zal nooit hun val gedogen,

Maar Uw gerechtigheid hen naar Uw woord verhogen.