Citaten

Met enige regelmaat hopen we aansprekende en leerzame citaten  te plaatsen van predikanten of theologen vanuit de (nadere) reformatie of de puriteinse traditie.

De ernst van het ongeloof.

Als het de wil van God is dat wij toegaan in de volle zekerheid van het geloof, maak ik daaruit de gevolgtrekking dat het ongeloof, dat of in de goddelozen heerst of in de heiligen overgebleven is, Hem wel ten zeerste moet mishagen en beledigen.

In goddelozen
Ik stel dat het ongeloof dat in de goddelozen heerst, lijnrecht tegen de wil van God ingaat.
In plaats van tot Hem te gaan in de zekerheid van het geloof gaat de mens die onder de macht van het ongeloof verkeert, bij Hem vandaan vanwege wantrouwen van en achterdocht jegens Zijn genade, kracht en betrouwbaarheid. Salomo zegt in Spreuken 6:34*: ‘Achterdocht is een grimmigheid van de man’.
Als wij achterdocht of wantrouwen koesteren jegens iemand ten aanzien van zijn betrouwbaarheid en dat laten merken, is dat voldoende om hem in toom en woede tegen ons te doen uitbarsten. Waarom?

Wanneer wij achterdocht jegens hem aan de dag leggen, maken wij hem in feite uit voor een leugenaar.
Als nu een mens, die ijdelheid is, en een mensenkind, dat leugen is, het zo’n belediging vindt als zijn betrouwbaarheid of welgezindheid in twijfel wordt getrokken, hoeveel te meer is het dan een belediging voor Hem voor Wie het onmogelijk is dat Hij zou liegen?
Vrienden, het ongeloof is de grootste belediging van een God der waarheid waartoe een schepsel in staat is. Zoals u gehoord hebt, heeft God, om ons aan te moedigen in Hem te geloven en Hem te vertrouwen, alle verzekeringen gegeven die Hij maar kon geven. Zelfs het meest achterdochtige hart ter wereld kon geen betere verzekering van de meest onbetrouwbare persoon op aarde wensen dan God heeft gegeven in Zijn Woord. Want hoewel het Woord der belofte als zodanig genoeg moest zijn om het geloof van alle mensen te vorderen, heeft Hij behalve Zijn Woord gegeven, het ook op Schrift laten stellen. Behalve dat Hij het op Schrift heeft laten stellen, heeft Hij Zijn heilige eed afgelegd; behalve Zijn eed heeft Hij een Borg gegeven; behalve een Borg heeft Hij er heilige zegelen aan toegevoegd en dat alles bevestigd door het eenparige getuigenis van de Drie die in de hemel getuigen, de Vader, het Woord en de Geest.
Na al deze verzekeringen nog achterdocht jegens Hem koesteren alsof Hij niet getrouw zou zijn in Zijn belofte dat Hij ons welkom heet en aanneemt in de Geliefde, wat is dat anders dan Hem tot een leugenaar maken?
De trouw en de waarheid zijn ‘de gordel van Zijn lendenen’ Jesaja 42:5. Het ongeloof echter - doordat het Hem beschuldigt van bedrog en ontrouw - ontneemt Hem Zijn gordel. U zou het beschouwen als een beschuldiging van een ernstige en verschrikkelijke aard, als iemand u van lastering van God zou betichten.

Toch durf ik te stellen dat iedere ongelovige een lasteraar van God is.
Is er een grotere godslastering onder de hemel denkbaar dan het feit dat men God tot een leugenaar maakt?
Het is werkelijk volkomen zeker dat God waarachtig bevonden zal worden en elk mens een leugenaar. Maar toch doet een ongelovige alles wat in hem is om Hem tot een leugenaar te maken, door geen vertrouwen te stellen in Zijn Woord.
Is het dan een wonder dat een heilige en jaloerse God na dit alles zo vertoornd is tegen de zonde van het ongeloof, dat Hij verklaart dat ‘hij die niet gelooft, reeds veroordeeld is’, en ‘dat de toom Gods op hem blijft’ [Johannes 3:18,36]?
Weest ervan overtuigd, vrienden, als u doorgaat hier God te lasteren door uw ongeloof, dat u later tot in alle eeuwigheid de tijd krijgt om Hem in de hel te lasteren, met de duivelen en de geesten die vervloekt zijn. ‘Indien gij met gelooft, dat Ik die ben, gij zult in uw zonden sterven’, Johannes 8:24. ‘Indien Ik niet gekomen ware, en tot hen gesproken had, zij hadden geen zonde; maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hun zonde’, Johannes 15:22.

In gelovigen
Deze lering veroordeelt niet alleen het ongeloof zoals dat heerst in het grootste deel van de hoorders van het Evangelie, maar ook het ongeloof dat in de gelovigen zelf is overgebleven.
God weet hoeveel ongelovige gelovigen er onder ons zijn. Er zijn heel weinig gelovigen die zich niet tegenover één beoefening van geloof, schuldig maken aan tien, zo niet aan twintig beoefeningen van ongeloof.

Als ik nu juist de gelovigen maar eens door schaamte uit hun ongeloof kon verdrijven!
Ik zal alleen maar zeggen dat uw ongeloof veel minder te verantwoorden en te verontschuldigen is dan dat bij anderen het geval is. Waarom? God heeft u niet alleen een grond voor het geloof gegeven zoals Hij dat ook aan anderen gedaan heeft, maar Hij heeft u ook de genade van het geloof gegeven.
In zo’n geval niet te geloven is een misdaad van de zwaarste en ernstigste soort.
Als een kind, dat is voortgekomen uit zijn ouders en dat het voorwerp is van hun teerste genegenheid, zijn vader, die hem verwekt heeft, een leugenaar zou noemen, zou dat het hart van zo’n ouder niet veel meer kwetsen dan wanneer hij zo door iemand anders behandeld zou worden? Dat is nu juist met u, gelovigen, het geval.
God heeft u opgenomen in Zijn gezin, Hij noemt u zonen en dochters en Hij zegt tot u in feite hetzelfde als wat er staat in Jeremia 3:4: ‘Zult gij niet van nu af tot Mij roepen: Mijn Vader!’‘Zult u niet van nu af aan tot Mij gaan als tot een Vader en als uw Vader in Christus in volle zekerheid van het geloof?’ Na dat alles Hem door uw ongeloof toch een leugenaar te noemen en te beweren dat Zijn belofte voor altijd een einde heeft, of dat Hij vergeten heeft genadig te zijn [Psalm 77:9,10], kunt u zich voorstellen hoe zeer dat het hart van uw hemelse Vader kwetst?
Het krenken door zonen en dochters, en dan vooral dit krenken door het ongeloof, raakt Hem uiterst gevoelig.

Ongeloof van gelovigen, kenmerken
De vraag komt misschien bij u op waaraan het ongeloof van de gelovigen te herkennen is?
Ik antwoord:
Het is daaraan te herkennen dat het voortdurend — en dat onder de schone schijn van nederigheid opkomt — voor de zaak van het ongeloof.
Het is voor een mens als ik ben, zal zo iemand zeggen, te groot om zich te wagen in het heiligdom. Het zou aanmatiging in mij zijn om toe te gaan in de volle zekerheid van het geloof en te vragen om vrede en vergeving, genade en eer. Ik durfde gave van God niet aan te raken of Zijn verbond aan te grijpen: mijn vingers zijn te vuil om aan zulke heilige dingen te komen.
Dit is echt een aangrijpende vertoning van nederigheid. Maar, vrienden, het is niets anders dan de duivel van het ongeloof, gehuld in de mantel van Samuël [1 Samuël 28:14]. Het is een opkomen voor de zaak van het ongeloof en een weigeren om te gehoorzamen aan het uitdrukkelijk gebod van God, onder het voorwendsel dat u niet geschikt genoeg bent om te geloven en dat u die en dan weer eens die hoedanigheid mist om te geloven.
Wat is dat anders dan een neiging van de oude Adam, iets dat herinnert aan het verbond der werken?

Wat ook de vleselijke rede zich mag inbeelden, er is niets op de wereld dat zich meer vernedert en zich meer verloochent dan het ware geloof, hoewel het het vrijmoedigst is. En hoe meer de vrijmoedigheid en de zekerheid van het geloof er zijn, hoe meer er steeds weer de nederigheid zal zijn. De reden daarvan is eenvoudig deze: het geloof, als het met God te doen heeft, weigert om ook maar één blik te werpen op enige genade of hoedanigheid in de ziel zelf, of het moest op haar ledigheid, ellende, armoede en dergelijke zijn. Het stelt zijn gehele vertrouwen op een grond buiten zichzelf, namelijk op de verheven hoedanigheden van de grote Hogepriester over het huis van God.
Verder is het ongeloof van de gelovigen kenbaar aan de zwakke, trage en voorzichtige manier waarop het geloof beoefend wordt, alsof de grond waarop men staat hen niet kan dragen.
Het is net als wanneer iemand op zwak ijs loopt: hoewel hij zich met zijn volle gewicht erop waagt, is hij toch bang dat elk ogenblik het ijs onder hem kan breken en hem in de diepte zal doen verdwijnen.

Zo is het ook met vele gelovigen: zij wagen zich op Christus, op Zijn gerechtigheid en op de trouw van God die aan de belofte verbonden is, met een soort van vrees, alsof die het onder hen zou begeven en hen achter zou laten om voor eeuwig om te komen. Wat is dat anders dan ongeloof of een heimelijk wantrouwen dat Gods trouw of Christus’ gerechtigheid niet voldoende zijn om de ziel, als het gaat om haar eeuwig welzijn, te dragen?

Het ongeloof van de gelovigen blijkt voorts daaruit dat zij er te veel op gesteld zijn door het gevoel te leven.
Als het zelf niet iets in handen heeft, acht het gevoel de belofte van God geen duit waard. Het geloof echter waardeert de belofte als grond om te staan, ook als het gevoel verdwenen is.
De gelovige die door het gevoel leeft, zal de belofte niet geloven of geen vertrouwen hebben in de waarachtigheid van de Belover, als hij er niet evenals Thomas toe gebracht en overgehaald wordt door gevoelige vertroostingen en betuigingen: ‘Indien ik in Zijn handen niet zie het teken der nagelen, en mijn vinger steek in het teken der nagelen, en steek mijn hand in Zijn zijde, ik zal geenszins geloven’, Johannes 20:24.

Het is met vele gelovigen als met bepaalde onervaren zwemmers: zij zullen zich in het diepe wagen, als u het op u wilt nemen hun hoofd boven water te houden, maar anders niet. Maar dat is niet het echte zwemmen. Het echte zwemmen is als iemand zijn lichaam in zijn volle gewicht in het water waagt; door zijn handen en voeten uit te slaan voorkomt hij, dank zij de kracht van het water, dat hij zinkt.
Zo is het het echte geloven niet wanneer iemand alleen op God en Zijn belofte vertrouwt, als hij door gevoelige vertroostingen wordt opgeheven; maar het is wanneer hij rust, steunt en zijn ziel staande houdt op de belofte van God als zodanig, zelfs wanneer die steunsels hem ontnomen zijn. Het is ‘betrouwen op de Naam des Heeren en steunen op zijn God, wanneer zij wandelen in duisternis en geen licht hebben’ [Jesaja 50:10].

De zekerheid van het geloof, E. Erskine, blz 102-106




Christus' gewilligheid in het aannemen van zondaren : 

Wat! Is Christus zo gewillig om de zondaars te ontvangen, o, laat u dan toch vermanen!
Wie zou toch nu niet willen komen tot Jezus Christus!

Mij dunkt dat alle zondaars van allerlei aard nu behoorden te zeggen: hoewel ik een dronkaard geweest ben, een zweerder, een onrein mens, maar nu ik versta dat Christus zo gewillig is om de zondaars aan te nemen, zo zal ik daarom gaan tot Jezus Christus.

Dit is mijn vermaning:
O, kom tot Christus, kom tot Christus! Zie, hier sta ik in de Naam des Heeren en nodig de arme zondaars. O, wilt gij niet komen? Hoe zult gij het op die grote dag kunnen verantwoorden, als er tot u gezegd zal worden: de Heere Jezus heeft Zijn goedertierenheid aangeboden en opgedragen, en gij hebt die niet willen aannemen? O, kom tot Christus en geloof in Christus; gelijk Christus gewillig is om u aan te nemen, wees gij ook toch zo gewillig om uw zielen aan Hem over te geven. Hetgeen u daartoe bewegen kan, zal ik in deze enkele stukken voorstellen.

1. Christus leert: ‘Kom tot Mij, en die tot Mij komt. zal Ik geenszins uitwerpen.’ Al de bewijsredenen van God en Christus die gij gehoord hebt: Christus’ praktijk, terwijl Hij op aarde geleefd heeft, en Christus’ hart zijnde nu in de hemel, leg nu deze dingen bij elkander en pas die toe op uw zielen. O, wat werking zullen die geven!

2. De roeping van God en Christus, gelijk die zoveel in de Schrift voorkomt. Overleg die plaats: ‘O, alle gij dorstigen, komt tot de wateren’ (Jes. 55:1). O! Hij begint uitroependerwijze; wij plegen te zeggen dat uitroepingen, tussenwerpselen, getuigen zijn van een oprechte hartstochtelijke beweging jegens een benauwd mens; gewisselijk, Christus’ liefde is een recht hartelijke liefde.
Hij legt Zijn mond aan het oor van degenen die geestelijk doof zijn, en roept overluid: O, allen gij. Christus nodigt ze allen: ‘Zovelen als gij er zult vinden, roept ze tot de bruiloft’ (Matth. 22:9); gelijk des hemels invloeiingen algemeen zijn — daar is geen gras op het land hetwelk niet bedauwd wordt — alzo zijn ook de nodigingen van Christus tot Zijn bruiloft; daar is geen mens in de wereld of hij wordt genodigd: O, alle gij dorstigen; en zo mede de apostel: ‘Die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet’ (Openb. 22:17).
De dorst en de wil is een en hetzelfde; het is uw wil waar het op aankomt; als gij aan Gods tafel maar wilt nederzitten, als gij de honigraat met de honig maar wilt hebben, als gij van Zijn wijn met Zijn melk maar wilt drinken, als gij maar wilt drinken, ja, als gij maar rijkelijk wilt drinken uit de flessen van de nieuwe wijn van Zijn Koninkrijk; wel, kom dan, kom tot de wateren! Kom tot Mij en drink! Christus’ armen zijn overal uitgespreid om de zondaren te ontvangen; Hij roept en klopt. Hij roept en wacht, Hij roept en smeekt; elk woord heeft hier zoveel zoetigheid en beminnelijkheid in zich, dat het duidelijk getuigt dat Hij gewillig is en bereid is om u aan te nemen, als gij maar wilt komen.

3. Christus’ verzoekingen om uw harten te gewinnen. Overdenk hoe Hij, de hemel neigende, nederdalende en afleggende het kleed van Zijn majesteit, uw vuile klederen heeft aangedaan; overdenk hoe Hij van de ene plaats tot de andere is omgegaan, met geen andere bedoeling dan om uw zielen te gewinnen, en wie heeft ooit zulke krachtige woorden gesproken als Christus gesproken heeft terwijl Hij op aarde geweest is? Wie heeft ooit zulke kostelijke juwelen aan een bruid gegeven als Christus aan Zijn bruid gegeven heeft? Wie heeft ooit dergelijk kleed aangetrokken als Christus in de verkrijging van Zijn kerk gedaan heeft? De profeet was daarover verwonderd: ‘Wie is Deze, Die van Edom komt, met besprenkelde klederen van Bozra? (...) Waarom zijt Gij rood aan uw gewaad, en uw klederen als van een, die in de wijnpers treedt?’ (Jes. 63:1, 2). Wie heeft ooit dergelijk liefdeteken gegeven als Christus gegeven heeft, toen Hij Zijn leven aflegde? Och, aanmerk Hem levend of stervend, en zeg: nooit was er een liefde gelijk deze.

Ach, arme zondaar, zie uw Jezus hangen aan het kruis, Zijn laatste bloed uitstortende, Zijn laatste adem uitademende en Zijn stervende armen uitstrekkende om de zondaars te omvangen, en kom, och, kom en werp uzelf in Zijn bloedende armen!
Weg met alle vooroordelende gedachten! Wie kan zeggen dat Christus niet gewillig is om hem zalig te maken, zonder de eeuwige liefde te lasteren? Spreek de waarheid, verdorven harten, spreek de waarheid, en zeg niet dat Christus onwillig is, maar gij zelf onwillig zijt.
Ik heb gewild, maar gij hebt niet gewild.

4. Christus’ wenen als Hij ons niet kan gewinnen.
Zo vinden wij in het Evangelie dat Hij Zichzelf aldus heeft uitgelaten, niet alleen met woorden, maar ook met tranen: ‘En als Hij nabij Jeruzalem kwam en de stad zag, weende Hij over haar’ (Luk. 19:4 1). Christus, komende tot de stad, en die ziende en voorziende de verwoesting die haar zou overkomen, hebben Zijn ingewanden in Hem gerommeld over Zijn volk, en Hij is bij Zichzelf in het verborgen bedroefd geweest, alsof Hij gezegd had: O Jeruzalem, gij hebt vele priesters gehad om u te raden, en vele profeten om u te onderwijzen in de wegen des levens, maar nu zijn deze dagen weg en voorbij; ja, de grootste Profeet der wereld is gekomen om u te omhelzen, maar uw hart is verhard, en gij wilt niet aannemen de dingen die tot uw vrede dienen, en daarom moet Ik mijn prediken veranderen in klagen en zuchten. ‘Och, of gij ook bekendet, ook nog in deze uw dag, hetgeen tot uw vrede dient’; en daarop is zelfs Zijn hart gebroken en Hij heeft wederom geweend: ‘Maar nu is het verborgen voor uw ogen!’

Zondaars, veronderstel dat Christus zou komen en wenen over u. gelijk Hij over Jeruzalem gedaan heeft. zeggende: o, gij zondige zielen, of gij ook bekendet, ook nog in deze uw dag hetgeen tot uw vrede dient! En veronderstel dat gij de ene traan na de andere zou zien rollen. Hoe! Christus om u wenen, over u? Mij dunkt, al had gij harten van steen, het zou uw harten vermurwen; zeker, het zijn geen kleine dingen die Christus doen wenen. Kinderen wenen dikwijls, maar wijze lieden zelden; maar hier heeft de Wijste van alle mensen geweend, om hen, die over zichzelf niet hebben willen wenen: o Jeruzalem, Jeruzalem!

Het zien op Jezus, Isaac Ambrosius, Vierde Boek Tweede deel Hfdst 3.  Blz 363/364


De veelkleurigheid in de wijze van wedergeboorte :

Het vierde dat aan te merken is, is de wijze van wedergeboorte welke zeer verscheiden is;

(a) Sommigen worden schielijk, in een korte tijd overgebracht, als in één ogenblik, gelijk Zachéus en de moordenaar; velen op de Pinksterdag, de stokbewaarder. Anderen langzamer.

(b) Sommigen worden overgebracht door en met grote verschrikkingen en ontsteltenissen der wet, des doods en der verdoemenis, zoals op de Pinksterdag, en de stokbewaarder, Hand. 16:27.

(c) Sommigen op een zeer Evangelische wijze. De zaligheden en de volheid van de Middelaar Jezus Christus overstelpen de ziel, en de zoetheid van de Evangelische goederen vervullen zó hun ziel, dat ze geen tijd hebben, aan hun zonden met verschrikking te denken. Maar zij worden als verslonden door het Evangelie, en zij ontvangen Jezus met blijdschap als Zachéus, Lukas 19:3, 10.

(d) Sommigen brengt de Heere over in vele bedaardheid, door het gezicht van de waarheden; in bedaardheid zien ze hun zonden en ellendige staat buiten Christus, en de zaligheden der bondgenoten, alsmede de waarheid van de aanbieding van Christus door het Evangelie aan hen. In dit beschouwen der waarheden worden ze allengskens (langzamerhand) en buiten hun weten veranderd, en worden der waarheid gehoorzaam, en door de kennis van de waarheid worden ze gelovig, en hun hart wordt gereinigd, 1 Petrus 1:22. Zij hebben niet veel smartelijke droefheid, ook geen verrukkende blijdschap, maar een genoegen in, en zoete goedkeuring van de waarheden, zo ten opzichte van hun ellende, als zaligheid in Christus, en hun aanneming van, en verlaten op Christus. Dit zijn doorgaans de bestendigste en vaste Christenen.

(e) Sommigen worden bekeerd allengskens, met vele verwisselingen van droefheid, blijdschap, geloof, ongeloof, strijden, overwinningen, vallen, opstaan; en dit is de gewone weg, dien God doorgaans houdt in de bekering van de meesten. Als ik zeg, allengskens, dan bedoel ik de bekering in 't brede, met al haar omtrek, van de eerste overtuiging, tot de bewustheid dat men Christus aanneemt. Want anders is het een zekere zaak, dat de bekering in één ogenblik geschiedt, in één moment wordt de ziel van dood levend; tussen dood en levend zijn is geen tijd. Omdat deze wijze van bekering de gewoonste is, zo zullen wij ze in haar begin, voortgang en einde wat breder openleggen, opdat een ieder zich daarin zou kunnen spiegelen.

Maar dat zeggen wij vooraf, dat niemand bekommerd moet zijn over de wijze van bekering, omdat hij niet is overgebracht op deze of gene wijze, die men zichzelf voorschrijft, of op welke anderen bekeerd zijn. Als de bekering er is, dan is het wél, en ziet tot uw ontsteltenis niet terug op de wijze, al was de wijze van bekering in u zodanig, dat gij nooit iets dergelijks gelezen of gehoord had. Want de wegen Gods zijn wonderbaar, en de een ondervindt wel iets, daar de andere niet van weet, ook in de gewone weg tot bekering; maar men moet dikwijls terugzien op al de voorzienigheden en wegen, waardoor God ons geleid heeft, dat geeft ons stof van verwondering, van verheerlijking van God, en van vaststelling van zijn staat.

Redelijke Godsdienst, Wilhelmus à Brakel, deel 1 Hoofdstuk 31


Wedergeboorte

Nu het verstand zaligmakend verlicht is, en de wil vernieuwd, is de zondaar daarbij vastbesloten en in staat gesteld om te beantwoorden aan de roeping van het Evangelie.

Zo is het voornaamste werk in de wedergeboorte gedaan; het fort van het hart is ingenomen. Er is plaats gemaakt voor de Heere Jezus Christus in de binnenste delen van de ziel, daar zowel de binnendeur van de wil voor Hem is geopend als de buitendeur van het verstand.
Kortom, Christus wordt lijdelijk in het hart ontvangen. Hij is door Zijn levendmakende Geest in de ziel gekomen, waardoor er geestelijk leven wordt geschonken aan de mens, die in zichzelf dood was in zonden.

En wij behoren ons voor te stellen dat zijn eerste levendige daad een actief ontvangen is van Jezus Christus, Die waargenomen wordt in Zijn heerlijke voortreffelijkheden.
Dat houdt in: een geloven in Hem, een Verbondsluiten met Hem, een aannemen van Hem, zoals Hij wordt waargenomen, wordt aangeboden en voorgesteld in het Woord van Zijn genade, het heerlijk Evangelie.
De onmiddellijke uitwerking daarvan is een vereniging met Hem: "Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht (of recht) gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven; welke niet uit den bloede, noch uit den wil des vleses, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren zijn." Johannes 1:12, 13). "Opdat Christus door het geloof in uw harten wone" (Eféze 3:17). Omdat Christus het hart stormenderhand heeft ingenomen en er triomferend Zijn intocht in heeft gemaakt bij de wedergeboorte, geeft de ziel zich door het geloof aan Hem over, zoals dat uitgedrukt wordt in 2 Kronieken 30:8.

Zo woont deze glorierijke Koning, Die door Zijn Geest in het hart is gekomen, erin door het geloof.
De ziel die getrokken wordt, loopt; de ziel die geroepen wordt, komt.

De Viervoudige staat, Th. Boston  blz 193 “Wedergeboorte”